V E STDIJK duitsch dienstmeisj ELSE BOHLER, DUITSCH DIENSTMEISJE BANDONTWERP W. FLEM S. VESTDIJK ELSE BOHLER, DUITSCH DIENSTMEISJE MCMXXXV NIJGH & VAN DITMAR N.V. ROTTERDAM Berl Vin,10 April '34 Natuurlijk : wanneer het met dat beven zoo doorgaat, dan komt er niets terecht van mijn plan. Al was het maar alleen, omdat niemand het teekenen van zulke trillerige hanepooten erg lang volhoudt. Ik zou nauwelijks klaarkomen in de weken, die mij nog resten: de twee weken, die mij scheiden van het einde; het papier zou onder mijn pen , wegglij den, uit wanhoop zou ik alles verscheuren. -Gelukkig maar, dat ik dag en nacht door kan werken in deze verlichte cel: ook dat zal mij worden toegestaan. Tegen de aandrang van een dubbele hierarchie als die van mijn familie naar Bien bevrienden referendaris, en zoo naar den gezant, en de Duitsche regeering, en dan weer, afdalend, naar de rechters en gevangenisautoriteiten, is nu eenmaal weinig in het midden te brengen. Ik hoop, dat ik me deze gunsten waardig zal toonen, en de kracht bezit iedere dag zooveel te schrijven als ik mij voorgenomen heb. Niemand hoeft het bij mijn leven te lezen, ik schrijf geen rechtvaardiging, geen toelichting, ik wil mijn rechters niet vermurwen, of gratie afdwingen, het lijkt mij alleen een tro^ostrijke gedachte na mijn dood iets van mijzelf te hebben achtergelaten, iets zwaars en volledigs en afgeronds, iets van hemel en het beide, op elkaar geklemd als twee halve bollen, die in de aldus gevormde schaal de quintessens bevatten van een Leven, dat dan reeds vervluchtigd zal zijn. Of schrijf ik enkel om het lange wachten beter te kunnen dragen? Ik vraag mij of hoe men mij in een land als Frankrijk zou hebben behandeld. Hoe ijzig koel ik mij ook toonde op het moment van de moord, een sluw en psychologisch doorkneed advocaat (maitre die en die, neus als een vouw been, intuItieve haarlokken buitelendover de beroemde voorhoofdsknobbels der caricaturisten) zou de constructie van de „crime passionnel" niet moeilijk gevallen zijn. Juist door die koelheid ! Een vonk vuur in een ijskast, mijne heeren gezworenen, stelt u zich maar eens in zijn plaats: hier de vrouw, de jeune fille, daar de man, de situatie... Maar peen, dit vizioen is al to verleidelijk : een gemakkelijke zelfbevrediging, en hoe goedkoop. Neen, ik moet weer terug, uit Frankrijk weg, weer de Rhein over, weer, en nu in een ruk, die onmetelijke reis maken, die mij vier maanden geleden aan mij zelf heeft ontvreemd, en al zou ik er mij niet tegen verzetten, indien in het dossier werd vastgelegd, dat inderdaad, bij mij als bij zoovelen voor mij, de misdaad een dwanghandeling was, waarin zich gestuwde hartstochten ontlaadden, en een handeling bovendien, meer op een woord gericht dan op een mensch: dat paradepaardje van mijn advocaat, dat onopgehelderde punt dat ik tot het uiterste toe verdedigd heb tegen onbescheiden vragen, van die uitvlucht zou ik toch geen gebruik meer willen maken. Ik vraag een harde straf, ik ben nieuwsgierig naar de dood, en, Else, vergeef, dat ik je een jeune fille genoemd heb... Ik beef minder. Ik had het wel gedacht. Eigenlijk schrijf ik reeds als een bezetene, en toch gelijkmatig, zonder veel ratures. Als twee mieren, waarvan de eene al dood is en de andere nog springlevend, sleepen de letters elkaar voort, maar dan met de snelheid van sommige waterinsecten. Ook het ordenen der gedachten gaat vanzelf : daar zijn de letters voor. Zoo moet een middeleeuwsche monnik zich gevoeld hebben, wanneer hij hemel ,en hel beschreef in de gelijkenissen, die hem bijgebleven waren na de pijn der - extasen, want nooit zijn woorden gewilliger dan wanneer men op hen neerstrijkt na een te lang voortgezet verblijf in het woordenlooze... Of dienen deze gemakkelijke strooptochten tusschen woorden en gedachten door alleen maar om mij dat eene woord te helpen ontwijken, waarop ik zooeven reeds zinspeelde? Twee maal heb ik het voor mijn duren advocaat moeten opzeggen omdat hij me niet goed verstond; mijn rechters hebben het zoo vaak uitgesproken en doen uitspreken, dat de klank ervan in een mannenmond voor mij erger is geworden dan wat men aan de schandpaal hoort. Maar opgeschreven heb ik het nog nooit, en dat moet nu gebeuren. ja, dat moet, want niet voordat het hier staan zal, op ditzelfde groote, gladd,e papier, met een streep eronder en geflankeerd door aanhalingsteekens, zal mijn hand voldoende vast geworden zijn om het tegen de geschiedenis van dit laatste jaar op te kunnen nemen. Vreemd, vreemd, hoe nijpend is toch mijn angst voor die barriere van twaalf letters... Daarbij dan nog een woord, dat zijn geheimzinnige invloed in de eerste plaats ontleent aan onwetendheid. Ik ken dit woord niet, ik weet niet wat het beteekent, God weet wie me hierin zal bijstaan. Ik geef mezelf tien bladzijden. Maar zoolang mag ik er toch niet om heen blijven draaien: tien bladzijden! Laat ik om te beginnen me nu eens inbeelden, dat ik op dit papier mijn hart aan het uitstorten ben, aan een ander; in zoo'n geval zegt ,en schrijf t men gewoonlijk meer dan men zich voorgenomen had, misschien springt het woord dan ineens te voorschijn met de andere woorden mee! Aan mijn moeder bijvoorbeeld, die beklagenswaardige dwaas, aan mijn vervlo.ekt broertje, die het als kladpapier gebruiken zal, als ik niet oppas, en wie meer? De mevrouwen, die mij op de Waalweg het leven verzuurd hebben, zij komen reeds toegesneld om mijn confidenties aan elkaar te betwisten. Treedt binnen, dames, nur herein, het is hier een cel, zooals u ziet, zonder thee, maar wel zindelijk, en het bloed, dat verondersteld wordt aan mijn handen te kleven, kan de heele dag door afgewasschen worden, met de inkt. Vrienden om de hoek? Kom maar binnen, jongens, en steek de brand er eens in. Neen, neen, geen Rijksdagbrand van Loebbels, ouwe schelmen, liever toch maar geen galgenhumor. Gaat stil op die centrale verwarming zitten, neemt even de blaren over, waarvoor 1k mijn billen gebrand heb, en luister naar mijn hagepreek. Niet voor niets gaan dominees bij mij in en uit, niet voor niets bebijbelt mijn moeder mij met haar posthume godsvrucht, en ligt daar onder mijn hoofdkussen niet een bidprentje met zeven zwaarden, dat een Duitsch dienstmeisje mij gestuurd heeft? Een Duitsch dienstmeisje, hoor jullie wel, lach jullie dan toch te barsten over dat Duitsche dienstmeisje! Wanneer het gelach bedaard is, ga ik van mijn hagepreek de tekst meedeelen, de tekst waarin het woord staat, het alom bekende en toch zoo weinig geweten woord, dat ik jullie met veel voldoening in je afzichtelijke tronies smijt : I Corinthiers 13 : 1. Schamen doe ik me er niet voor, want dat woord is het tenslotte waarvoor ik hier zit, niet minder dan dat andere, dat ik niet durf op te schrijven. Heb jullie soms iets op dit woord tegen? Heraus mit der Rede! Zwijgen ? Bedremmeld zwijgen ? Dan gaan we be,ginnen. Kijk eens, jongens, jullie hebt allemaal gedacht, dat dat woord ten nauwste samenhing met het spartelend, gluiperig, kissebissig, paling-in-gelei-achtig gevoel ergens waar God jullie in een onbewaakt oogenblik een ezelsoor in het midden van je lichaam gevouwen heeft, niet waar? jullie gnuif t, ik heb goed geraden. De ,vrouw" was voor jou, Peter, ondanks al je theorieen van onthouding en terughouding, weinig anders dan een zoetsmakend entre-mets; entre-mets inderdaad : tusschen-twee-gerechten, tusschen dijen en buik, tusschen loopen en vreten, zoo en passant. En dan was jij nog niet eens een van de ergsten; je hebt me tenminste op intelligente wij ze van raad gediend; zelfs ben je me met psychologische ontledingen aan boord gekomen waarachter je sympathie voor mijn geval maar met moeite schuil ging, zij het ook steeds met de hardnekkige be doeling om het steile pad onbegaanbaar voor me te maken en me de breede weg op te krijgen der liefd.eloosheid-metveel- vrouwen. Ondanks je theorieen, precies. Maar, het mag ondankbaar schijnen, nu pak ik j,e ook bij je twee ooren en dat oor van zooeven, en sleur je hetzelfde steile pad op, dat je voor mij zoo verderfelijk achtte! Je stribbelt tegen, je glijdt uit over die glibberige rotspunt, je bent al in mijn macht en verloren. Want ik laat je nu de ,,liefde" zien zooals ik die ervaren heb, li-efd,e tot er de dood op volgt, liefde niet als huidprikkel van geile, gegal vaniseerde kikvorschen (die ook doodgaan) , op de experimenteertafel van het goedkeurend intellect, maar als een ondo^orgrondelijke mengeling van onzindelijkheid, blo^edwraak en een zalig verdwaasde beulshonger in je hartkuil. En dat zijn ook allemaal maar woorden, want het is nog heel anders wat er met het woord aangeduid wordt dat ik nu al drie maal opgeschreven heb, en drie maal te veel.. . Ben je daar nog, Peter? Een onherbergzaam oord is het, niet waar, waar we ons bevinden, en weinig gelijkend op de mathematische doorkijkj,es, waarmee jij je portretten zoo modieus wist te verlevendigen. Een nauwe kloof, waardoor we omhoogstijgen, dan een soort dalketel als een holle bazuintromp in de lucht, en we zijn er. Je denkt aan Faust, Gretchen, en wat niet al, maar dan, zelfs in dit half slachtig licht, herken je de entourage natuurlijk, ik mot trouwens toegeven, dat ik Rubens uit de Pinakotheek wat al te vrijmoedig plagie,erde in deze opzet die nochtans het naakt ontberen moet, maar de Vader, de aartsengel, de andere engelen, de heiligen en de zaligverklaarden in hun groote kring, alien zijn ze aanwezig, en alien aan het wachten op de stoot van mijn dirigeerstok, waarmee ik deze Wagneropera openen zal. Fanget an! De inspicient verdeelt nog wat massa's, lokt naar zich toe en wijst af, iedereen heeft zijn nummer, de duivels staan gereed om onder hun last weg te rennen. Maar nu gebeurt er i,ets vreemds. Wi.e zien we daar langzaam en statig omhoogzweven, wolkig, of muisachtig versmald als de ,kleine thoma" in zoo'n glazen speelgoedbuisje met groenig vocht? Het is bijna ongelooflijk, het moet op een vergissing berusten, dat niet de braven en godvruchtigen daar de vl.eugels aanschoten en met witte gewaden omkleed de wenkende rechterhand benaderen gaan, niet de steunpilaren der maatschappij, de ontginners van Beemd en Bosch en Bois en Bijbel, maar boerenjongens, die hun meisje gestoken hebben, overspeligen en wanhopige bedrijvers van ontucht, vrouwenjagers, duellisten, bezetenen en geslachtszieken, vermagerde mystici, die hun handen niet thuis konden houden, aan zichzelf of aan anderen, krankzinnig geworden nonnen, onsmakelijke oude tangen met een hond, alcoholisten, die luide tierende de lakens of z,ochten op verdachte vlekken, mannen die overspel begunstigden om beter te kunnen beseffen hoe vlijmend hun hartstocht geworden was vrouwen die hun leven lang naar een smachten, en mannen die hetzelf de deden en het niet wisten: kortom, all-en die zich onvoorwaardelijk, al was het maar op een kortdurend moment van hun bestaan, aan liefde overgaven en daarbij to kort gekomen zijn. En die daar op die duivelsbulten weggedragen worden, na hun van hoogerhand bewerkstelligde plof in de diepte, dat zijn niet de zondaars, dat zijn niet de afvalligen, maar dat zijn zakenmenschen, die voor hun huisvr.ouw vluchten in hun sigaar, en zich aarzelend filmsterren voorstelden, als ze de echt bedreven, en alleen naar de hoeren durfden als ze bezopen waren, en die zich tenslotte enkel nog maar op een beursplein autoritair over de onderkin streken bij wijze van geslachtsdaad-in-hun-eentje; h-et zijn zelfs, als ik me niet bedrieg, heele slaapkamers die daar kantelend naar beneden worden gedonderd, ontwij d als kerken door geile biechtvaders, maar hier dan door een tegenovergestelde zonde, en op de kamers volgen de goede partijen en de slechte partijen en de gerangeerden en de kleffe bohemiens en de gewoonteverleiders en de kantoormeisjes die hun verstand -gebruikten, en loerende secretaresjes met krulletjes en alle anderen van hun soort, en daar, Peter, zoo waar, aanschouwen we daar ook niet de mevrouwen die mij in Holland, op de Waalweg, de dood in het hart hebben gejaagd? Ja, ja zeker, die vijf weinig appetijtelijke hellevegen daar bedoel ik, wier onderhouden huid toch nog wel blank afsteekt op het theebruin van de duivels die hen meevoeren en die zich weinig storen aan het krampachtige geroddel, dat reeds onmerkbaar in de helletaal is overgegaan, die ze bij hun leven... Doch genoeg! Mij dunkt, aan duidelijkheid laat deze symb^oliek niets to wenschen over. Geen liefde, geeen haat: de lauwen en onverschilligen zijn het, die daar ter helle varen, en, zooals er geschreven staat: God zal ze uitspuwen. it Zoo, nu kun je we! gaan. Ik weet niet aan welke kant jij thuishoort, in weerwil van je theorieen over middenweg en zelfbeheersching, nog steeds weet ik het niet, maar ga maar weer naar je frivool en sober atelier terug, Peter, ik heb je niet meer noodig. Wanneer ik me aan het moedwillig produce-eren van dergelijke metaphysische paskwilien blijf overgeven, kan ik natuurlijk beter stoelen gaan matten. Ik moet het nog leeren blijkbaar. Het bovenstaande schrap ik alleen daarom niet, omdat het me als memento helpen kan zakelijker te worden. Want wat heb ik nu bereikt, behalve dat ik me „losgeschreven" heb? Een meesleepende peroratie van veel te veel woorden en woorden, en met de onuitgesproken bedoeling toch nog steeds om dat gene woord, waar ik overigens vier of vijf bladzijden dichterbij gekomen ben, wanneer ik aan mijn limiet van tien vasthoud! te omzeilen. Waarom dan toch? Kom, probeer het nu! Vooruit. Alle letters, waaruit het samengesteld is, heb je al ettelijke malen opgeschreven, afgezien van de Umlaut, vooruit dus, bijt op de tanden... S... Sc... Het gaat niet. De stroom is onderbroken. Ik moet wachten tot morgen. Zoojuist verzekerde mijn cipier mij nog eens, dat ik voor mijn „Verteidigungsschrift" zooveel papier kan krijgen als ik wensch. Ook zonder „crime passionnel" schijn ik nog steeds persona grata te zijn bij sommige instanties. Gek genoeg, want is mijn geval zoo erg problematisch? Verzachtende omstandigheden in overvloed, maar onder dit nieuwe regime Belden ijzeren wetten, en het gaat nu alleen nog tusschen de strop en de bijl. Zelf stem ik voor de bijl, maar met wat to weinig overtuiging. Was Steinmann een Hollander geweest, als ik, misschien dat ze. Gecensureerd! Pas op, anders pakken ze je papier nog af! Zeer ten onrechte overigens, want dit yolk, al is het volkisch, deze nationale societas, al is zij..., heb ik nooit gehaat, nooit veracht. Eerder nog voel ik me aan hen verwant in hun armzalige menschelijkheid; nooit zal men mij uit het hoofd kunnen praten, dat deze pompeuze en semimenteele paradeloopers nog het meest op werkelijke menschen lijken, juist omdat ze minder zijn dan alle anderen, en zoo belachelijk: dat vooral. En toen ik heel jong was, en mijn ouders gingen op reis, dan leek het land mij een nevelig sprookjesgebied achter de Oostelijke grens, die ik me als een muurtje voorstelde met besnorde soldaten er bovenop, maar ook hingen er over dat muurtje bloemen en b-loeiende takken, en die kwamen altijd van de andere kant, nooit van de onze: als de laatste plantaardige uitloopers van gouden heuvels, en die weer van bergen, glooiend en stijgend tegen een krachtig -opgaande zon op. En ineens liep de boel dan leeg, want dan had de keizer een Talsperre geopend... Misschien is dat alles mijn noodlot geweest. Voeg daarbij, dat Berlijn, de koortsachtige maanden dat ik er wo^onde, voor mij zoo ondoorgrondelijk gebleven is als een werelddeel waarin men niet meer dan twee of drie smalle paden kent, die men altijd weer opnieuw gaan moet. Laat niemand dus politieke instantane's verwachten van zoo'n zwakzinnig monomaan, zoo'n erotische van der Lubbe, als 1k mij getoond heb! In elk geval heeft Berlijn mij niet gehinderd, en aan de kubusvormige hoof den van mijn bewakers is het makkelijk wennen, en mijn cel is ruim en hygienisch, zooals dit geheele rijk ruim en hygie nisch geworden is of altijd al was en een van mijn rechters leek maar een Beiex, en mijn advocaat... Dien advocaat moet ik voor het laatst bewaren, wanneer me de moed weer ontzinkt op het uiterste moment. Enkele dagen geleden was mijn moeder hier. Hoewel zij nog steeds haar nasporingen voortzet in plaats van demarches te beproeven, die toch nergens meer toe leiden, — wij weten nu wel, dat men hier niet onhof felijk is is zij er tot nog toe niet in geslaagd Else's verblijf te ontdekken. Het poststempel op de envelop, waar het bidprentje in zat, was van Keulen, maar in Keulen is ze niet meer te vinden. Ik moet erkennen, dat voorloopig alleen nieuwsgierigheid mij zoo heeft doen aandringen: naar waar zij woont, hoe zij leef t, en met wie. Sinds ik haar het laatst gezien heb, in de getuigenbank, is ze spoorloos verdwenen, maar ik weet dat van vroeger: plotseling zal ze door muren heenbreken om bij me te zijn; ze zal haar komst niet aankondigen, ze zal niet ,eens ,komen" in de gewone beteekenis van ee-n nadering en een of te leggen weg, ze zal er zijn. En zoomin als vroeger zal ik dat tijdstip van te voren kunnen bepalen, door geen van die gedachtentrucs zelfs, waarin ik me toch geoefend heb tot in het zinnelooze toe. Indien ik me niet voorgenomen had die omgang tot het hoognoodige te beperken, zou ik mijn advocaat naar haar... Mijn advocaat! Weer ben ik waar ik wezen moet. Zeven bladzijden zijn verstreken, nu zal ik woord moeten houden: het eene woord voor het andere. Nog ijlt mijn pen over het witte, schel verlichte viak, en van beven is weinig meer te bespeuren, doch daar buiten, aan de rand van mijn gezichtsveld, daar zie ik, onder het schrijven door, voor het eerst de dingen. Ik zie daar de deur, de waschbak, mijn etensgerei, het ijzeren bed en mijn koffer. Enkele minuten geleden kunnen ze me onverschillig zijn geweest, maar nu smeek ik onderdanig om hulp en steun in hun richting, en om afleiding van de vreeselijke taak die ik mijzelf heb opgelegd, en dat alleen omdat het Been woorden, maar dingen zijn. Dingen, die hun beteekenis in zich zelf dragen, bescheiden en beperkt, zonder zich aan de schier loensche buitensporigheden over to geven van iets dat zichzelf is en iets Anders beteekent, en dat and-ere nog maar beteekent op sommige oogenblikken, in een mond, in een bepaalde atmosfeer, in een park, onder donkere boomen. Die koffiepot daar is, en beteekent precies hetzelf de wat hij is, maar kaf.f.. Maar mijn hemel, laat ik nu toch mijn bezinning niet verliezen, vooruit, laat ik beginnen, de advocaat zal mij bijstaan, vooruit: zwart op wit! Ik weet, dat het het pijnlijkste is dat van een mensch geeischt kan worden, het is erger dan het ontblooten van lichaamsdeelen, dan het prostitueeren van een geliefde vrouw, het is le ridicule qui tue in een zoo letterlijke zin als men zich maar denken kan, maar het moet, ik moet me bevrijden, er mee afrekenen, het moet, het moet... Een week voor de terechtzitting kwam mijn advocaat met geaf f aireerde pasjes achter zijn dikke actentasch aan mijn cel binnen, en liet zich op de eenige stoel vallen die onbezet was omdat ik op bed lag. ,,Bleiben Sie ruhig liegen, mich stort es nicht im geringsten." Ik bleef dus liggen, en zag hem zoo van opzij voor het eerst in zijn ware gedaante, in al zijn vreeselijke f achmannisch geoliede zelfverzekerdheid. Ik zag zijn kaal hoofd, dat onbelemmerd glansde, ik zag zijn lippen glinsteren, ik zag zijn onderkin en zijn bijwangen en zijn juchtleeren plooinek, en ik kan niet zeggen hoe ik hem haatte. Als Germanen geen witte hangsnorren meer dragen met zoete mede -erin, zooals ten tij de van Julius Caesar, zijn zij verfoeilijk') . Hij rook naar goede sigaretten en een doorschij nende, geel-bruine zeep, waarvan ik de naam vergeten ben. Tijdens het gesprek trachtte ik mij voor te stellen, dat hij toch een Jood moest zijn, en dan meende ik ineens teekenen van psychologische begaafdheid bij hem op te merken. Het kwam namelijk hier op veer, dat hij mij ontoerekenbaar wou laten verkiaren. De kansen waren zwar ausserst gering, maar bij het gratieverzoek lei het misschien gewicht in de Schaal. Op mijn vraag, of Frick niet meer sympathie gevoelde voor gezonde moordenaars, gaf hij vriendelijk ten antwoord, dat wij politische Fragen maar niet moesten aanroeren. Ik was er nu van overtuigd, dat hij een Jood was. Het gesprek, dat volgde, wil ik in zijn geheel opschrijven, voorzoover ik het mij herinner; voor den nazaat, die dit lezen zal, kunnen de taalfouten alleen maar pikant zijn. (Of voor Peter: ja, ik zal het M. S. aan Peter laten opzenden.) ,,Ausserdem: ,es handelt sich ja gar nicht darum Sie fur aktuell wahnsinnig zu erklaren, lieber Kollege, darauf wurde ja kein Irrenarzt hereinfallen. Ich mochte nur fur meinen Teil vorlaufig, sozusagen of fizios, bestatigt wissen was ich als meine Privatuberzeugung keinen Anstand nehme Ihnen gegenuber auszusprechen, namlich, dass Sie im Augenblick der Tat im hochsten Af-fekt gehandelt haben..." 1) In het M. S. doorgehaald (uitgever). „Mag sein, aber das ist kaum abnormal, and diessei.ts der Vogesen keine Entschuldigung.” „Doch, loch..." hij smakte, en trok zijn witte wenkbrauwen op, en pruttelde nog jets na van ,Na, na" of ,,Nu, nu", wat me levendig deed denken aan de hondennamen in een kinderverhaal, dat ik heel vroeger eens ge-lezen moet hebben, waarop hij vervolgde: ,Bei all-er rigorossen Aufrechterhaltung des Gesetzes, die in diesem Lande seit der Naznalsozliiiistischen Erhobung zu den (segenreichsten... Spenden... of zo-oiets),... ist die Annahme kaum zu umgehen, dass auch Ihre Richter schliesslich loch... oh Menschen sind." „Ich freue mich auf ihren Anblick," zei ik droog. „Nnnn... Guck mal !" Na dit of schuwelijk koekoeksgeluid voortgebracht to hebben, draaide hij zich heelemaal naar mij om, vastbesloten om me door trouwhartigheid to winnen. Bijtijds herinnerde ik me, dat meer dan de helft van mijn vaders resteerend kapitaaltje in de zak verhuisd was van deze vettige beroemdheid en bleef gedwee luisteren uit kinderplicht. ,,Schauen Sie mal, Herr Kollege: wenn es mir gelingt die offentllch,e Meinung, immerhin gibt es hier noch eine solche! -- zu Ihren Gunsten umzustimmen, sei es auch durch Mittel, die mehr an die subkonszienten Regungen als an Vernunft and Wissenschaft appellieren... na, Sie verstehen. Ich sehe, Sie sind einverstanden, ich f iihle es, mein Gott, es handelt sich doch schliesslich um Ihren... um Ihr Leben, nu ja. Passlen Sie mal auf: bei der Vorun , tersuchung, and auch spater, haben Sie wiederholt erklart, dass Sie im Moment, da Sie Ihren Revolver zogen, lediglich von einem Wort, einem Wort, das Sie nicht... kannten, beziehungsweise nich.t... verstanden, so aufgebracht 17 Else Bohler, Duitsch Dienstmeisje 2 waren, dass Sie dem Impuls auf Fraulein Bohlers Lieb.. . oh Anbeter zu schiessen Widerstand zu leisten,leider nicht mehr im Stande waren. Stimmt das?" ,,Stimmt. Beziehungsweise Liebhaber... oh Zuhalter," kon ik niet nalaten te hoonen. ,,No, no, Sie regen sich ja so machtig... No. Also: wussten Si,e wirklich nicht, was das von Fraulein Bohler zur Rede gebrachte Wort zu bedeuten hatte?" ,,K.eine blasse Ahnung." ,,Und dennoch... Na ja, horen Sie mal, aber das ist doch wichtig!" Opgetogen als over een trouvaille kraaide hij deze woorden de lucht in. „Ich nehme an, das Wort spiele eine gewisse Rolle in Ihren personlichen Beziehungen zu Fraulein Bohler, Sie 'haben es vielleicht von ihr gehort, Sie haben vergessen sich nach der Bedeutung zu erkundigen, das kommt ja vor, aber ich kann doch kaum annehmen, dass nur dieses Wort, dessen Bedeutung Ihnen verborgen geblieben war, Si,e so kolossal..." ,,Nur dieses Wort." „Sagen Sie mal, Kollege," plotseling boog hij zich tot mij over, zijn gezicht kwam in het halfduis,ter te li,ggen, de rand van zijn bril blonk als geslep-en kristal; in weerwil van de spanning waarin hij scheen te verkeeren, kwamen de woorden week en diep en achteloos sissend en lijmend uit zijn keel: ,,Welches Wort war es denn doch?" ,,Welches..." ja ,wie war es? Sag nur... ," f luisterde hij steeds dringender, terwijl hij zich al verder, al moederlijker naar mij overboog. Met moeite bewaarde ik mijn zelfbeheersching. ,,Sie konnen es doch leicht in den Akten..." ,,Ach, die Akten! Wenn man das Alles im Kopf... 18 Akta !" riep hij, populair op zelfvernedering uit, en siste en lijmde al weer, glimlachend, bijna handtastelijk van vertrouw-elijkheid : „Sagen Sie nur. Wie war es denn. Sagg nur." Ik bleef zwijgen. ,,Aber dann ist die Sachlage doch unverkennbar!" barstte hij nu triomfantelijk los en sloeg met zijn vuist op een , bibberende dij. „Ich spreche Ihnen so viel Besonnenh-eit and intellektuelle Fahigkeiten zu wie Sie nur wunschen, aber dies ist... Konnen Sie -es nicht sagen, wollen Sie nicht, wagen Sie es nicht das Wort auszuspr,echen? Na?" Hij was opgestaan, een hand vragend vooruit, waarvan de vingers, verschillend ver gebogen, rhetorische ruimten tusschen zich openlieten. Onmiddellijk volgde ik zijn voorbeeld, het bed kl-etterde onder de schok, ik stond rechtop met het bloed in mijn wangen. Toen ik begon to spreken, merkte ik, hoe droog mijn verhemelte was. „Es ist mir sehr peinlich schon wieder..." „Versteht sich! Aber selbstverstandlich ! Das mochte ich von Ihnen hor,en ! Sie verstehen ein Wort nicht, and es ist Ihn,en peinlich. Na... Hormal, aber, wie waar es denn?" ging hij weer zonder overgang tot zijn fluistertoon over, ,wie war es? Vielleicht erleichtert es dich, sag es nur, wir kennen uns doch ein Wenig aus in Psiikanaluse, was? War es vielleicht ein obzones, ein laszives Wort? Vertraue es mir nur an, ich bin alter als du, ich babe Kinder, sagg nur... Hast du es etwa vergessen? Kommt alles vor. In diesem Fall schlagt Freud psst, ist ja verbrannt schlagt der Kunkel Ersatzworter vor, andere Worte wohlgemerkt, die mit dem einschlagigen Wort Ahnlichkeit besitzen. Also? Wie? Versuchmal. Na? Vo... ? Schw... ? Foo... ?" Onder dit listige geprevel door trachtte hij mij in een hoek van de eel te drijven, met langzame, overredende boksersbewegingen, die al zijn gewrichten in beslag namen. Hoewel ik wist, dat het me niet h elpen zou, week ik ach , teruit als door tien cellen tegelijk. Nooit heb ik van een mannelijk lichaam gewalgd als van het zijne. Vol haat vergeleek ik hem met mijn slachtoff er, niet als zou er sprake zijn geweest van eenige gelijkenis, hij leek echter op Stres-emann, maar omdat hij het woord van mij eischte, dat Bien ander en mijzelf in het verderf had gestort. Juist drukte ik mijn rug tegen de koude muur, die ik door mijn gevangeniskleeren heen voelde, toen ik hem genoegelijk hoorde ronken: ,,Lassen Sie nur, 'nen Revolver gibts gar nich..." Had ik naar mijn broekzak gegrepen? Of beeldde hij het zich maar in, om zich zelf zijn overwicht te bewijzen? Ik zweer, dat ik kalm gebleven ben bij wat er volgde. Kalmer dan nu! Alles zou ik nog kunnen beschrijven: de correcte snit van zijn kleeren rondom zijn gespann,en bierbuik, de Schmiss boven zijn rechter oog, de lippen, die mij op een hartelijke manier schenen toe te snauwen condom speekselgeglinster en goud, de geruststellende, bijna koesterende zeep-tabaksgeur, die al imperatiever de sfeer van het na-oorlogsche Berlijn begon op te ro-epen met zijn Turksche baden vol geInverteerden met lotusbloemen in hun mond even boven de waterspiegel. En nu moest het gebeuren. Nu moest ik spreken, want anders kwam ik niet meer van hem los, dan werd ik Berlijnsch advocaat mee, dan zou ik bier willen drinken, actentaschen door mijn cel heen en weer sjouwen en over de kale, vierkante binnenplaats bij het luchten, dan zou ik wegkwijnen, wanneer ik me niet met diezelfde zeep wasschen kon waar hij naar stonk, dan zou ik de boel kort en klein slaan, wann-eer.. . de boel kort en klein... ,,Schutzkaf f ee," zei ik. ,, aaaas ? !" ,,Das ist ja das Wort." ,,Ach so! Na, gratuliere. Aber wie sagten Sie? Ich verstand nicht ganz genau. Schutz...? Jedenfalls eine ziemlich harmlose, wenn auch sonderb ................... . ................................................... 14 April Twee dagen lang heef t men mij mijn papier en schrijfbeho- eften of genomen ; drie bewakers zijn er voor noodig geweest om mij tot rede to brengen ; gespierde kerels waren het. Vijf regels boven waar ik nu ben zweeft een regen van inktvlekken en woeste pennekrassen over het foliovel. Daar, links in de hoek, ziet het -er op de celmuur uit als een groote, zwarte spinnekop in -een net van lange spatten, en is het taf eltje waarachter ik zit to schrijven niet kleiner en vierkanter dan drie dagen geleden? Ja, dat komt ervan, als men zich aan de woorden overgeeft... Maar, of het de consul is geweest, of de gezant, of alleen maar mijn advocaat: ik heb alles weer terug, de disciplinaire straf is ingetrokken ! Zonderling, op dit oogenblik zou ik het woord zonder eenige gemoedsbeweging kunnen opschrij ven, lange bladzijden zou ik er mee kunn ,en vullen, d-e een rya de ander. Ongetwijfeld zou me dat gemakkelijker vallen dan het verhaal, dat ik beginnen ga, met een ruimer gemoed overigens, gezuiverd door die eene razende uitbarsting van woede en de apathie van twee dagen lang die er op volgde. In een van de laatste maanden van '32 verloor mijn vader niet alleen het grootste gedeelte van zijn kapitaal, maar ook het beheer van de fabriek, die drie generaties lang in het bezit van onze familie was geweest. Grootere handelscapaciteiten dan waarop deze typische bureaucraat bogen kon hadden de gevolgen van de crisis zeker niet kunnen voorkomen en daar alles rondom afbrokkelde of ineenstortte, putte hij een soort collectieve troost uit het onvermijdelijke, waartoe een vaag, overgeleverd calvinisme hem overigens voorbestemde. Na veel familiegekuip ging hij op het ontredderde wrak scheep naar een der groote Hollandsche steden, waar hem toegestaan werd to ankeren aan waterstaat. Voortaan zou zijn leven in het teeken staan van de crisis, een crisis die hij niet helpen kon, daar kon iedereen het over eens zijn. Toen evenwel mijn hospita het telegram had binnengebracht met het alarmeerende bericht: „Onmiddellijk thuiskomen, vader ongesteld", dacht ik geen oogenblik aan de crisis en aan geld alleen voorzoover iedereen aan geld denkt, wanneer zijn vader ongesteld is. Maar ik kende dat van die ongesteldheden. Hoe vaak was ik niet, in de acht jaar dat ik reeds studeerde, thuis moeten komen met het vooruitzicht van een doktersauto voor de villa en verkapte ruzie binnenin. Door zoo iets stompt men af. Daarbij komt, dat mijn vader voor mij altijd een slecht omlijnde figuur is geweest: een lange, grijsblonde man met hangwangen en afwezige, smartelijke oogen van een kwalachtig lichtblauw, tegelijk verflensd en opgezwollen, oogen die zich wel graag brekend zouden willen sluiten om al dat aardsche wee, waartegen zelfs langzame nauwgezetheid machteloos is gebleken, maar op den duur loopen daar alleen de dienstmeiden nog in, als ze tenminste niet langer blijven dan twee maanden. En daar zorgde mijn moeder wel voor! Wanneer ik naar mijn ouders toe moest, voelde ik mij altijd als een burchtheer, die zijn versterking verlaat om in het open veld te gaan strijden. Alles werd onzeker, wankelend; ik gleed tien jaar terug door de tijd, of voelde me, als om het evenwicht weer te herstellen ineens zoo oud als de twee menschen die ik aanstonds begroeten zou. In mijn stud;enten j aren had ik mij allengs de houding veroverd van een afgesloten en verfijnd laconisme, dat mij in staat stelde, schokvrij te blijven, ondoordringbaar voor ongewenschte invloeden, en dan desnoods maar raadselachtig. Zelf ben ik er nooit dupe van geworden, en maar al te , duidelijk zag ik in dat ik bij deze houding een zeker on vermogen om spontaan te leven ,op de koop toe nemen moest. Voor mijn vrienden was ik zooveel als de „rijke", doch lang niet ongeschikte Roodenhuis, voor jongere studenten een excentriek kamerhokker met „hoogere" liefhebberijen of een ,boemelaar" (overdreven, maar ik gaf mij graag de schijn), voor mijn ouders en mijn broer daarentegen de ,,eeuwige candidaat", een uitdrukking die wellicht voor het eerst uitgesproken is op een van de avondjes van het dameskransje, dat mijn moeder in die Geldersche provincieplaats met zooveel ijver rond zich had verzameld. Hoewel ik op het oogenblik doctorandus in dc rechten ben en nooit voor eenexamen zakte, zie ik toch met een zekere verteedering terug op die smadelijke overgangstitel. Inderdaad stelde ik mijn laatste examen telkens weer opnieuw uit om zoo lang mogelijk van die geuzennaam te kunnen profiteeren, zoo lang mogelijk ,eeuwig" te blijven. Wat een voorrechten en gemakken waren er ook niet aan die titel verbonden: zelfstandigheid, lectuur, boeiende of levenslustige vrienden, door wie ik mij liet bezighou den, gelegenheid tot het beoefenen van muziek, die voor mij meer was dan een tijdpasseering. En door alles heen zoo'n klein beetje college loopen om met de tredmolen niet heelemaal de voeling te verliezen... 's Avonds laat, na een sombere reis in een al kouder wordende eersteklascoupe, trok ik aan de bel van de villa, waar mijn ouders woonden. Door Eg werd ik, bijna op hetzelfde moment, opengedaan. Met de pikzwarte oogen, die hij van mijn moeder heeft, keek hij laatdunkend naar buiten, over mijn schouder been, hij wreef, als om vuil van de zool of te schrapen, zijn voet aan de deurpost, en zei met een lage stem, waar de baard nog niet heelemaal uit verdwenen was: ,,Cum laude." ,,Dag John," begroette ik hem gelaten, ,kom binnen en heb je een goede reis gehad." Want dit was zoo onze gewoonte, sinds zijn veertiende jaar reeds: elkaar terlo-ops de woorden voor te kauwen, die wij van den ander meenden te mogen verwachten, in een vertoon van beschaafde onverstoorbaarheid. Eg zelf was hierin zoo doortrapt, dat de tactiek tot in zijn gebaren doorgedrongen was: dat met die voet bijvoorbeeld beteekende, dat mijn moeder gezegd had, dat ik mijn voeten moest vegen. Toen ik hem beter in zijn gezicht keek, zag ik hoe afstootend nijdig het stond. Eg heeft wel het weerzinwekkendst uiterlijk van alle jongens van die leeftijd, al kan hij het niet helppen en al is hij mijn broer. Er bestaan kinderportretten van hem met zonnige lachjes en trouwhartige oogen; de opvoeding doet nu eenmaal wonderen. Hij zweeg en liet mij door. Terwijl ik bezig was mijn overjas aan de kapstok te hangen, hoorde ik opnieuw zijn stem, 'nu vlak achter mij, heesch, en met een onderdrukte pret erin, naar het mij voorkwam. ,,Of je eerst naar boven gaat, naar varier." ,,Erg?» ,,Gaat. Hoofdpijn, he." ,,Dokter geweest?" ,,Gisteren." Dit beknopte dialoogje werd besloten door een tweede langere volzin van mij,n broer, die met kalme danspassen, graai-erig met zijn handen zwaaiend, langs mij heen was geschoven in de richting van de huiskamerdeur. Hij keek naar mij om, hij huppelde foxtrotachtig, en daar hoorde ik hem brommen: „'t Is uit met 't luxeleventje, Johnnie..." Daar ik hem bevreemd bleef aanstaren, keerde hij zijn gezicht nu geheel in mijn richting, vol boon, doodsbleek, met ziekelijk grijsblauwe wallen -onder de oogen, blauwer nog door het licht van de ganglamp. Ik voelde, dat het meer was dan geniepige plagerij wat er komen ging, ik begreep, dat de jongen zich ellendig voelde om andere dingen dan Bien ingebeelden zieke boven. Zijn bleekroode mond kwam vlak bij mijn oor; zachtjes taterde hij: „Two to the Loo. Two to the Loo too. Taratatata." Het kionk vreeselijk. Het ging door me heen en verlamde me, alleen al door de klank, die was als schor hanengekraai in een onderaardsch,e kelder half vol water: een dompig, moerassig, smerig geluid. Zijn roode ooren, afgezakte lellen, waren paars aan het gloeien onder het blauwe licht. Maar meteen zag ik hem weer op zijn rug, op zijn gedegenereerd, plat achterhoof d ; ik trachtte het hatelijke knipoogje to verwerken, waarmee hij zich van mij afge wend had en merkte, dat hij de kamer in was gegaan. Langzaam de trap oploopend, dacht ik na over die aftandsche mop. Hoe kan men iemand met volslagen nonsens hoonen? Even had ik medelijden met den jongen, maar toen, voor de deur van mijn vaders studeervertrek, viel me een verklaring in, een haastig gemonsterd voorval van enkele jaren terug, dat met die mop in verband stond. Het was niets bijzonders. In gezelschap, waar Eg en ik bij hadden moeten zijn, had mijn moeder de anecdote van die twee paar Engelschen, die naar het Loo moesten, eerst met haar ijdel gillerige uitbundigheid opgedischt en toen aangevuld door het niets ter zake doende: ,Als wij hier ooit vandaan gaan, wil ik alleen maar naar the Loo, ook two en two of jets dergelijks. Het is natuurlijk mogelijk, dat Egbert zich niets van die aanvulling herinnerde en maar zei wat hem voor deImond kwam, doch toen ik, dadelijk daarop, in die holle, donkere kamer waar mijn vader under een plaid den zieken man uithing, naar zijn verhaal stond te luisteren van de catastrophe en de groote verandering voor ons alien, begon ik dat vieze opgeschoten gedrocht toch met heel andere oogen te beschouwen: als een soort auguur of vogelwichelaar, wiens brabbelpraat men zoo maar niet in de wind mag slaan. De onverwacht diepere zin van dat „two to the Loo", het besef, dat ik er voortaan goed aan zou doen op de uitlatingen van een verwarden puber te letten, was als het ware het eerste beslag, dat de familie op mij legde. En mijn vader beschreef de boedel door mij met vage, witte, apologetische, in het donker nauwelijks te onderscheiden gebaren tot spoorstudent te degradeeren, en na afloop van het gesprek verzegelde mijn moeder mij in een innige omhelzing aan haar breede boezem, beneden aan de trap. Die nacht sliep ik als ge emballeerd, to,egesnoerd, student of. . De hel kon beginnen. Wvij verhuisden in Januari, ik vanuit Leiden, d,erde klas, met drie koffers, waarvan ik er een zelf moest sjouwen. In de stad waar we gingen woven verdwaalde ik op de aanwij zingen van een agent, die de opgegeven straat niet eens in zijn zakboekje vinden kon. Hij lag in een van die , nieuwe buurten, Welke men maar meteen, met een zekere onbeschaamdheid, aan een bepaalde tak van wetenschap heeft gewijd, hier dan de astronomie: Argusstraat en GrooteBeer- hof wedijverden met een Kometenlaan, een Betelgeuzesingel en een Poolplein, en Tangs het heele geval heen trok, plotseling aardscher, de Waalweg, schuin staande op de duinenrij,-die zich tot aan het dichtbijgelegen badplaatsje voortzette, waar ook deweg weer naar toe boog, na een groote kring beschreven to hebben rondom stadskweekerijen en een bosch. Op dat badplaatsje en op d;e duinen, voorzoover ze niet door gestadig voortkruipende nieuwe buurten, zich vormende nevelvlekken en melkwegstelsels, aan het oog onttrokken werden, had ik uitzicht vanuit de voorste dakkamer waar ik sliep; de achterste was mijn studeervertrek. Er werd mij aan het verstand gebracht, dat ik die achterste kamer eer moest aando-en. Door openslaande deuren betrad men een platje met kiezel, klom over een hek, kwam op een grooter platje, dwaalde tot aan de rand van een manshoog muurtje, en kon dan het oog laten weiden over vijf of zes tuintjes, waaronder -ons eigen, en een heele rij van de Andromedastraat (leidend naar het Perseusplein), die voornamelijk bevolkt werden door katten en bleeke Indische meisjes. Tusschen ons huffs en de Andromedastraat lagen twee andere huizen, tot aan de meer naar links gelegen Orionstraat zeker zees, maar daar werd de situatie onoverzichtelijker, omdat men niet zoo ver om het muurtje heen kon buigen. Op het grootere platje kon men stampen, dan hoorde Eg het. Op het dak kon Eg stampen, dan hoorde ik het. Op Eg's slaapkamertje volgde de slaapkamer van mijn ouders, de kamer van mijn vader, en heelemaal beneden trof men de gewone suite-keukencombinatie aan, waarin onze vele meubels, tapijten, gotten, pannen geen raad wisten van de volte. De fietsen stonden in de gang; iedere ochtend fietste ik naar het station, stalde mijn fiets in een cafe, waar men mij nog van vroeger kende (het spaarde de helft staangeld uit) en spoorde naar Leiden om college te loopen. Maar van deze geheeleentourage, sindsdien onuitwischbaar in mijn ziel geprent, zag ik de eerste weken, die ik onder de vleugels van mijn ouders doorbracht, zoo goed als niets. Ik was wanhopig. Een doffe druk belastte mijn bewustzijn, dag en nacht, zonder verlichting. Studeeren kon ik niet eens. Bijna aan mijn doctoraal toe, had ik toch niet de kracht om die reddende sprong behoorlijk voor te bereiden, en hoe grondig systematisch ik vroeger ook voor examens gewerkt had, tusschen twee lange luierperioden, nu kwam ik niet veel verder dan landerig neergekrabbelde programma's op vodjes papier: morgen dit, overmorgen dat andere, en dat dikke dictaatcahier in een week, terwijl ik van te voren wilt, dat ik me er niet aan houden zou. Als een berg lag de leerstof voor mij, een berg, tot de be klimming waarvan ik vaste grond onder de voeten gehad zou moeten hebben, en deze ontbrak al evenzeer als de sportiviteit van het examen doen vergald werd door de gespannen verwachting van mijn ouders. Niet dat zij mij een stroobreed in de weg Iegden. Ik kon doen en laten wat ik wilde, uitgaan wanneer ik wilde, niemand drong zonder te kloppen mijn heiligdom binnen, en als mijn vader me mijn weekgeld gaf, keek hij ten andere kant uit. En toch voelde ik me als op drijfzand levend, als boven• een moeras, waarin ik steeds dieper wegzonk. Zat ik te werken, dan luisterde ik naar de zuigende geluiden van dat moeras: een slaande deur, de stem van mijn moeder die met het dienstmeisje kletste, het thuiskomen van Eg om vier uur, van mijn vader om zes. Voorloopig zocht ik onder het werk nog wel eens steun in trage, half verstrooide blikken door het glas van de openslaande deuren, de tuintjes overzwevend, of botsend tegen de vaalroode muur met kale wingerdtakken van het eerste huis in de Andromedastraat. Iets meer naar boven leken de veertien in elkaar overloopende daken van die straat, plat en grillig beschoorsteend, soms ineens op een plateau met Polynesische afgodsbeelden, waaruit blijken kan, dat ik reeds de heele wereld om moest om mij een beetje op mijn gemak te voelen. Maar Polynesia hielp niet langer dan een halve week, en-al spoedig merkte ik, dat dit aspect, met al het andere er omheen, de zwarte boomen, de schuttingen, de katten, zich gewillig liet inlijven bij het huiselijk interieur, dat ik vanaf mijn achttiende jaar ontvlucht was en tegelijkertijd veel te goed kende. Daarop volgde de sterrenbuurt zooals hij reilde en zeilde, de andere buurten langs de duinen, de heele stad, en na eenweek of drie was ik zoo ingesloten en gekortwiekt, dat ik mijn oude kamer in Leiden niet voorbij kon komen, zonder mij te verbeelden, dat Eg daar voor het raam stond, Eg, die mij voor was geweest en die nu thema's en opstellen zat te maken waar ik vroeger gedroomd had en gephilosof-eerd. Maar zoo was nu eenmaal de werking van het moeras. Er was geen ont komen aan, ik zat in het schuitje en moest mee, two to the Loo, two to the Loo too, en bij de tweede „two" was ik zelf. In deze onnatuurlijkste van alle posities: volwassen kind te zijn in een omgeving, die met die volwassenheid geen rekening houdt, kwam mij nog een nieuwe angst benarren, samenhangend met de tijdsomstandigheden. Maar al te duid.elijk, en met een ernst, die slechts getemperd werd door de schaamteover zijn eigen tegenslagen, had mijn vader mij aan het verstand gebracht, dat ik weinig meer van hem verwachten kon, f inancieel. Een dergelijk gesprek zal wel vaker gevoerd zijn tusschen vaders en zoons, in deze jaren. Over het ,intellectueele proletariaat" werd niet alleen veel geschreven en gesproken, maar het was er al, en vooral onder de oudere-jaars-studenten van mijn faculteit was het aantal verontrusten en bij voorbaat teleurgestelden zoo groot, dat zij zich bij tientallen fascist lieten maken, toen de omwenteling in het Germaansche broederland haar beslag gekregen had. Neiging tot politieke forceeringen heb ik nooit bezeten, maar ook ik moest mij nu toch afvragen: hoe ver zou mij de meestertitel brengen en een nog zoo loffelijk afgelegd d ,octoraalexamen? Met onbemiddelde ingenieurs, juristen, apothekers kon men de straten plaveien: dat was een wrang gezegde, dat mij langs allerlei omwegen door Eg overgebracht werd, en hij zei er bij, dat hij niet zoo stom zou zijn om niet in een handelsbranche te gaan, die het eerst van de opleving na de crisis zou profiteeren, en hij zei dit onder het eten, smakkend in mijn richting, en mijn vader, ook onder dat eten, deed een duit in het zakje door met zijn vermoeide, lijmerige stem de jonge snoeshanen te hekelen, die alleen omdat ze gestudeerd hadden wat over hem te zeggen hadden op waterstaat, en dan overstemde mijn moeder hem door maar meteen de vinger op de wonde plek te leggen: ,Kom kom kom, Johan zal zijn weg wel vinden", terwijl toch niemand Anders over „Johan" gesproken had, en mijn vader in zijn zelfbeklag waarschijnlijk niet eens aan hem gedacht ! .. . Nog steeds weet ik niet wat mij meer gehinderd heeft in die tijd : de gemeenschappelijke maaltijden, of de m,evrouwen, die mijn moeder even vlug uit de grond had gestampt als ik zelf ondergezonken was in het moeras. De mevrouwen... Ik weiger pertinent, meer over hen te schrijven dan bepaald noodzakelijk is; dat is een kwestie van geestelijke hygiene. Het woord „mevrouw" reeds heeft voor mij een slechte bijklank gekregen door deze vreeselijke steekneuzen. Maar aan het middagmaal, de tweede temptatie, en een die iedere dag terugkwam, wil ik mijn pen nog wel vuilmaken, of beter andersom: rang, een zwarte, puntige veeg over het damast! En daar zie ik me zelf al weer zitten, twij f elachtig hoekpunt in het parallelogram van krachten van twee maal toetoedeloe : overmeesterd, pijnlijk gespannen, gefolterd happend en bijtend als naar de zuivere lucht tusschen de toegevouwen bladeren der Brusselsche kooltjes. 0 wat een hel, wat een winter! De heele dag vergald door het vooruitzicht van Eg's trommelstokvingers met jus er aan, van mijn vaders gebit, dat hij opzettelijk verwaarloosde om te laten zien wat een stakker hij toch geworden was door die crisis. Ik zag het allemaal, ook als ik er niet naar keek, ik proefde het; al had ik mijn oogen dichtgehouden en mijn ooren toegestopt met antiphonen, het zou mij hebben gevonden. Ik hoorde mijn moeder door haar neus ademen, hijgen, kauwen, borrelen, praten, praten, alle oude verhalen en meeningen van vroe ger, alle stopwoorden en stembuigingen, die ik nu mee moest verzwelgen als opgewarmd eten van tien jaar oud. Eg was het, wiens aanwezigheid mij aan tafel het meest kwelde, hooewel hij het minste zei. Het besef dat hij mij bespionneerde hinderde mij voortdurend. Wanneer ik van mijn bord opkeek, waarop ik, zedig als een jonge non, mijn blik gericht had gehouden, ontmooette ik slechts zelden de oogen, die ik op mij gevoeld had, en waaromheen de wallen van fletse schaduwen reeds tot harde gebeeldhouwde schelpen waren geworden zooals men wel bij vijftig - jarige heeren ziet met ^een te hooge bloeddruk. Zwart, borstelig haar, laag ingeplant, accentueerde de meedoogenlooze rimpeling van zijn voorhoofd, alsof hij, door deze geijkte mimiek der misdeelden, op medelijden speculeerde door een vertoon van onverbiddelijkheid. De impertinente wipneus maakte er weer een heel ander gezicht van; de mond was week, gevoelig en valsch. Hoe ik vroeger tegenover hem geweest was, als kind, ik kon het me niet meer herinneren, want hij was nu mijn vijand geworden, een vijand die in mijn ziel wroette, een vuile, magere boetpr.ediker van achtticen jaar, die armoede demonstreerde te mijnen behoeve. Demonstreeren deden ze alle drie, maar Eg wel het schilderachtigst! Niet tevreden met het aanduiden van fatsoenlijke armoede, zooals mijn ouders, probeerde hij het maar ineens met de werkmansstand. Zijn ellebogen staken v000ruit aan weerskanten van de soep: zie je wel, we zijn kaal. De lapel van zijn jongensjasje werd virtuoos met oogjes vet besprenkeld: zie je wel, ik glim. Zijn gezicht waschte hij nog maar zelden. Hij liep voorovergebogen, sloffend, duidelijk werkeloos. Hoewel zijn kleeren nieuwer waren dan de mijne, in verband met zijn snelle groei, was de qualiteit ervan zooveel minder, dat er na een maand al kreukels in zaten, maar ik ben er van overtuigd, dat hij zich op zijn kamertje in diepe kniebuigingen oefende alleen om de uitbochtingen aan de knie nog wat zakkiger te krijgen.. . Zoodra het dagmeisje, dat haast had om weg te komen, met een vaartje de schotels had binnengebracht, monsterde mijn moeder de voorradige hoeveelheid door cordaat de deksels op te tillen onder een berustend snuiven, terwiji mijn vader, die toch nooit veel voor eten had gevoeld, door een smartelijke oogopslag in zijn onbeduidend Christusgezicht het aureoolachtige van zijn dun grijsblond haar trachtte te ondersteunen. En beiden, hoe verschillend geaard ook, schenen door gebaar en blik hetzelfde te willen zeggen: ja j Henk, ja j Paula, we zullen vannacht de riem maar weer eens wat vaster om de maag snoeren, 't is voor de kinderen, zie je, 't is voor de kinderen... (Er was altij d meer dan genoeg!) En dan aten we, smak, glap, slop, slok, slurp, sjiet (een kies) . Maar dat was nog niets vergeleken bij het ritue,el dat de mmaaltijd-en besloot ! , Meestal zat mijn vader tegenover me, schuin links van me Eg, en vlak naast me mijn moeder, die vleesch sneed, de bo-el verdeelde, en laatste kleine beetjes toestopte aan wie nog de knagendste honger op het gelaat te lezen stond. Mijn vader nam ze de woorden uit de mond over waterstaat en crisis, terwijl ze mij van opzij fixeerde met een aanmoedigend-e blik uit Naar groote zwarte ijdele kraaloogen : spreek dan toch, jongen, spreek toch, en gun me het genot je het zwijgen op te leggen met mijn conversatietalent! Maar dan begon het, mijn god, dan begon het. De schalen waren leeg, de kat kloof op een been, Eg mediteerde somber over zijn bord. Mijn vader had zijn vingers tegen elkaar aan gelegd, met zijn hoofd wat schuin, 33 Else Bohler, Duitsch Dienstmeisje 3 alsof het aan de migrainekant het zwaarst was. Allen wachtten wij af; nu ging het gebeuren. Zelfingenomen op alles en iedereen afgevend, praatte mijn moeder nog door, wanneer de stilte reeds haar oogen was binnengevallen, die zich aan de lepels gingen hechten: vij f of zes lepels, schuin omhoog in de schotels, met etensresten beklodderd die niet meer warm konden zijn. Haar wenkbrauwen f ronsten zich boven bedenkelijk loerende oogen, Eg's oogen ineens; haar vulgair zinnelijke -mond plooide zich tot de tragische spleet van de heldin uit het sociale drama; ze boog zich stiff naar voren, als Kniertje met haar genadekliekje even voor het zakken van het doek, in een plastisch afgerond gebaar greep ze een van de lepels, bracht hem naar haar mond, en likte hem af. Deze apotheose van sobere levensernst, die ik met de dood in h-et hart en al mijn zenuwen in opstand naast mij voelde gebeuren, werd dan evenveel malen herhaald als er lepels waren, en de kat kreeg geen kans. De lepel nam zij zoo geheel in bezit, ver, diep en solide, als om hem nooit meer los to laten; zes of zeven seconden lang zag ik daar, voelde ik daar mijn moeder zitten, de mond tot de huig toegesnoerd door metaal en spinazie of hutspot, en dan, terwijl de steek in mijn hart zijn weg reeds vervolgde door mijn ingewanden, trok ze er hem traagen uitermate blinkend weer uit, tusschen dichtgeperste, rimpelig geworden lippen, schurend bijna, als een afneembare roof diertong ; haar hand beschreef een boog in de lucht, nauwkeurig, zooals een accoucheur dat doer met een verlostang, een laatste kus aan het metaal, enkele slikbewegingen, en het was volbracht. Maar dan de tweede lepel. Maar dan de derde. De vierde, vijfde, zesde: iedere lepel met het ijl speeksel ieslag erover als een on uitgesproken verwijt aan den „eeuwigen candidaat", die er zooveel geld had doorgelapt in zijn rijke dagen. En eindelijk, tot slot, het opgeruimde, gezellige kruiswoord, waarmee ik verlost werd en de zitting opgeheven: ,,Ziezoo!" Zoodra de lepels brandschoon in hun schalen lagen, stonden de familieleden op om zich naar hun onderscheiden werkzaamheden te begeven. Mijn mo-eder drong mijn doezeligen vader naar boven, naar zijn studeerkamer, waar hij rusten moest, meestal na de zorgzame vraag: „Heb je nog hoof dpijn?" waarbij haar oogen zoo vol verwachting rolden, alsof ze bedoelde: ,Heb je al hoof dpijn?"... Daarop verrichtte zij in de keuken de gedeeltelijk wellicht reeds overbodig geworden wassching van het tafelgerei, waarbij zij vooral haast maakte, als het dameskransje verwacht werd, en ik klom naar mijn kamertje. Men zou nu verwachten, dat ik na al mijn beproevingen tevreden en opgelucht moest zijn in dat eenzaam vertrekje, -maar dat was het juist: ik was niet eenzaam, ik zat nog in het moeras, het moeras van hutspot, spinazie en de rouwranden onder Eg's nagels, dat aan mij zoog en kliste en mij niet vrijgaf. Ik moest weer naar beneden, ik moest er bij zijn! De stille eenzelvigheid, heilzaam rustgevend, van mijn Leidsche kamers ontbrak volkomen in het nieuwe verblijf. Het interieur doet hier weinig ter zake. Trouwens, mag men van ,interieur" spreken bij iets dat zooveel weg had van een dependance ? De tegenover de openslaande deuren gelegen muur was niet mijn muur, maar een groote hand, uitgestoken door de steenen afscheiding, die, tusschen mijn vaders studeerkamer en de slaapkamer, bovenop de suitedeuren stond als op twee spreidbare beenen. Dat ik tegen zoo'n geweldigen kerel van steen en hout, die het heele huis doortrok om bij me te zijn, weinig in te brengen had, hoeft nog niet op zwakheid van karakter te duiden. Zelf weet ik het daar dan ook niet aan: ik meende alleen een onbedwingbare trek te hebben in thee. Zonder die thee zou ik niet kunnen werken, niet kunnen denken. Hoewel ik wist wat me boven het hoofd hing, moest ik die spiraal van trappen weer afdal en, die zijn , dubbele boog naast den muurman beschreef tot onder aan toe. Half acht waagde ik het er op; als de mevrouwen kwamen, gewoonlijk jets eerder. De thee zou wel klaar zijn. Maar ook als ik zeker geweten had, dat ,de thee niet klaar was, zou ik naar beneden zijn gegaan. Het was spelen met vuur, maar ik moest, ik werd gedwongen. Nu ik aan deze eigenaardige dwang terugdenk, geloof ik, hoe zonderling het ook klinkt, een heilzame werking dezer zelfopgelegde marteling niet te mogen ontkennen. De mevrouwen en de kamers, die op hen stonden te wachten, waren zij niet een soort weerstand, die ik te overwinnen had om onder het dak van mijn ouders niet volslagen menschenschuw te worden? Eerder dan spelen met vuur was het een vuurproef die ik moest doorstaan, de vuurproef met de stroeve trapleuning, de donkere leege gangen, de thee, waarvan ik mij een kop vol wilde veroveren, en tenslotte, als dat allemaal goed was gegaan, met de schimmen van de dames Steketee, Vreugdenhil (namen als uit een boos sprookje, b.v. dat eene met het rijmpje : ,Vischje, vischje uit de zee! Wat is er, mannetje Tinteletee? Mijn vrouw Ilsebil doet niet wat ik wil," enz.), Brons, Velleman en Lunsman. Ik gleed dus naar beneden. Niet zelden hoorde ik in de studeerkamer de opgejaagde voetstappen van mijn vader; onder de slaapkamerdeur scheen licht door. Na de deur van de huiskamer geopend te hebben, stond ik met knip perende oogen tegenover Eg, die juist landerig zijn schoolschriften bij elkaar zocht om naar boven te gaan. Schalen met koekjes, een eenzame wijnflesch, blonken in de nog duistere voorkamer. Snel schonk ik mijn theekop vol en dronk, gulzig, triomf antelijk en te heet. Misschien zou ik nog ontsnappen, misschien... Ik slurpte mijn thee met barbaarsche geluiden, alsof ik alleen in de kamer was. Dan hoorde ik achter mij: ,,Zou mevrouw Vunsman komen, Johnnie." ,,Of mevrouw Bronst, Eg?" Het was het eenige genoegen dat we nog gemeenschap pelijk zochten, dit kwaadaardig verhaspelen van eigennamen. Ik meende een gewapende vrede te kunnen bewa ren door zoo nu en dan maar eens of te dallen tot zijn niveau. Ondanks het bewustzijn van mijn haat, en daardoor van mijn machteloosheid, meende ik dat toen nog wel in handen te hebben; ik zag nog niet in, dat men onherstelbaar gelijk wordt aan wat men haat... Keek ik ond-er het drinken tersluiks naar hem om, dan begon hij dadelijk op de drempel een reeks scenes uit te voeren, meer macaber dan koddig ; hij mimeerde een bespottelijke... ) groet in de lucht, balde zijn vuist naar de eerste verdieping, ging met een smalende grijns tegen de deur staan als de gekruisigde Heiland. Van walging morste ik dan nogal wat thee op het schoteltje. Maar dan was hij ook al weer weg, en dan kon ik een verlangende blik op de piano werpen, en me even thuis voelen in die twee kamers zonder menschen, en in een vage angstige verwachting de kat over zijn zachte kop krauwen, naast hem neergehurkt voor de kachel. En niet voordat ik een van de planken boven mij 1) De twee H's die van de doorgestreepte letters nog leesbaar zijn schijnen op de uitdrukking „Heil Hitler" te duiden (uitgever). had hooren kraken onder mijn moeders voetstappen, maakte ik aanstalten om de kamer te verlaten. Als een schuldige, het hoofd gebogen, beklom ik de trap. Mijn kamertje leek me nu weer een verheven en heerlijk eenzelvig cord, maar hoe onbereikbaar, want in de slaapkamerdeur zou mijn moeder staan. Ook als ze er niet stond, zou ze er staan. Ze zou er staan om mij de weg te versperren en dat vluchtig gedroomde heiligdom onbestaanbaar voor me te maken. Met elkaar is het misschien drie of vier maal gebeurd in werkelijkheid. De eerste keer zag ik haar half aangekleed in de verlichte opening, in haar onderlijfje onder een kimono. Ze fluisterde, zoo zach ,t alsof mijn vader het niet hooren mocht: ,,Psst, Johan..." Een scherp parfum sloeg van haar uit. Achter haar toonde een hooge psyche mij mijn eigen krijtwit gezicht, dat uit kwam steken boven haar kapsel, haar bebloemde rug, net zoo lang tot de schittering van een collier me weer tot de ongespiegelde werkelijkheid terugbracht, waarvoor mijn o-ogen tevergeefs trachtten uit te wijken. Angst? Vanwaar die angst, als het mijn moeder toch maar was? - Verbaasd, half verdoofd vroeg ik me dat af. ,,Zeg Johan," voorzichtig trok ze me aan mijn hand iets verder de slaapkamer in; het Licht lag ineens zwaar en opzichtig op haar breede, grijsgepoederde wangen, „zeg jongen, je komt vanavond nog wel een uurtje beneden, he? Mevrouw Steketee zou je zoo graag hooren spelen..." „Laat mevrouw Steketee... !" prevelde ik heesch en vulde aan: ,maar naar de grenadiers en japers..." „He boy, wat ben je weer onvriendelijk !" Nog steeds hield ze haar stem gedempt, maar haar heele gezicht lachte nu, glunderde opzettelijk en moeizaam, alsof ze iedere plooi eigenhandig optilde. Alleen de oogen, zwart en begeerig glimmend, deden het vanzelf. „He, ik kan ooknooit met mijn knappe zoon geuren! Maar je doet 't wel. Als je nou lets niet al te moeilijks van Beethoven speelt, dan hebben ze..." ,,Dan zeggen ze toch nog: meer vreemd dan mooi, of: niet zoo'n melodieus geheel. En ik moet ook werken, verd..." ,,He, John..." Smeekend, vanuit smalle, onderdanig langoureuze oogen, keek ze mij aan; opnieuw had ze mijn hand gegrepen. Mijn hart klopte me in de keel. Maar eensklaps liet ze die hand vallen, opende haar oogen on natuurlijk wijd, en zei met een hard, beslist stemgeluid, dat mijn vader heeft moeten hooren, want zijn schuifelende schreden vertraagden luisterend: ,,Iets anders, Johnnie. Egbert had 't gisteren over mevrouw Stekje Thee, en mevrouw Bronst -en zoo. Of Borst, ik weet niet precies. Ik zou wel heel graag willen, dat je hem zulke dingen niet meer leerde, her? Ja zeker, hij zei, dat hij 't van jou had. Je moet toch maar liever wat meer rekening houden met ons; die jongen weet niet beter; die denkt: die studentengrapjes... Dus we zien je straks, he? Negen uur graag. Mevrouw Steketee d'r man is aan 't R... orkest, die weet heusch wel wat mooi en wat leelijk is. En doe die andere broek dan even aan, John, he jongen... ?" Lief en zacht stierf haar stem uit; ik werd de gang opgeschoven, en meteen was de deur dicht. Uit het kamertje van Eg klonk een rhythmisch krakend, zoevend geluid, alsof daar iemand in toomelooze pret op zijn bed lag te dansen. Maar natuurlijk ging ik om negen uur. Na een uur nerveus ijsberen, zooals mijn vader had gedaan. In die andere broek. En ik speelde op de piano voor de dames Steketee en Vreugdenhil en Velleman, en ik wiegd;e me in de heupen bij gevoelige passages met loopjes, en van mijn moeder, die trotsch babbelend tuschen haar nieuwbakken vriendinnen troonde, kreeg ik een taartje, omdat ik geen Debussy gespeeld had. Het spreekt vanzelf, dat ik in een dergelijk milieu, waarvan het bovenstaande nog maar de buitenkant, de minst belangrijke helft, getoond he,eft, onherstelbaar te grond:e zou zijn gegaan zonder steun en tegenwicht van buiten. Die steun is me dan nog aangewaaid, vrijwel zonder mijn toedoen. Peter kende ik van vroeger, van een paar fuiven in Leiden, waar allerlei vrienden van vrienden geintroduceerd waren, maar nu, in mijn nieuw, armzalig bestaan, ontdekte ik hem voor de tweede maal, en nog wel in de sterrenbuurt zelf, op •een ochtend dat ik naar het station fietste. In een ruim huis aan een der hoofdwegen, waaraan die buurt grensde, had hij zijn kamers en een blauwachtig atelier, dicht bij de hemel. Na eenige tijd was ik er niet meer weg te slaan, eerst uit angst om weer naar de Waalweg terug te moeten, later vooral om onze gesprekken, waarop ik mij drijvende hield. Ik stel er prijs op hier te verklaren, dat deze Peter van Herwaarden niet alleen een talentvol schilder is, maar ook een goed en oprecht karakter, wat banaal klinkt, maar in een gevangenis komt men licht tot aartsvaderlijke formuleeringen. Hij gaf zich moeilijk, maar wat hij te geven had was duurzaam. De ongewone prijzen, die zijn spitse, neo-realistische doeken maakten, de uitbundige kritiek, de bewondering van parasiteerende navolgers, droeg hij gelaten en zonder zich aan een mode aan te passen, die hij oorspronkelijk zelf in het leven geroepen had. Ontwijken, in een krampachtige vlucht voor het vorige, a la Picasso, deed hij die mode evenmin; zonder moeite, zonder veel afwerende ironie, bleef hij zichzelf en volgde zijn intenties van binnen uit. Van goede familie, bemiddeld, drie jaar ouder dan ik,, wist hij toch zijn overwicht op mij door niets anders te be vestigen dan door de rijph-eid van zijn beheerscht scepticisme, dat het geluk, zonder het te ontkennen of te bestrijden, alleen wilde verwerven door geduld. Een klein bescheiden vrouwtjee met plat, zwart haar, iets te hoog in de schouders, model voor enkele van zijn navrantere schilderijen en hem blindelings toegedaan, schonk ons thee in, waarna ze zich onzichtbaar maakte. Maanden gingen er voorbij, dat hij haar niet aanraakte, en toch vriendelijk en zorgzaam bleef, zonder oververzadigdheid te toonen. Er moeten andere vrouwen dan deze Christien in zijn leven geweest zijn, van iedere soort, van iedere leeftijd ook, zooals later voldoende blijken zal, maar nooit praatte hij daar anders over dan als in een onpersoonlijke commentaar op wat derden over zijn particulier bestaan te vertellen zouden hebben. Tegenover deze uitgebalanceerde rust, die hem des te normaler en gezonder deed schijnen, omdat hij toch een „kunstenaar" was bij wien men uit Bien hoof de afwijkingen mocht verwachten, stak mijn nerveuze, muzikale bewegelijkheid of als zwakheid eerst, toen als een smartelijk gevoelde onechtheid, en tenslotte, op dat bijna tragisch moment van onze scheiding, toch nog als een surplus aan mijn kant, waarvan het gemis hem wel volmaakt deed zijn, doch geen volledig mensch. Maar ja, aanvankelijk, ik moet het toegeven, meende ik een soort wonderman in hem to zien, en als ik 's mididags aan taf;el Eg en mijn ouders en de lepels moest verdragen, dacht ik bij mij zelf : Peter is er nog. En nooit is op deze genegenheid voor zijn kalm, bruin, ho-ekig gezicht met de lichte, getemperde oogen een reactie ingetreden, ook later niet, toen ik mij innerlijk al van hem had losgemaakt. Bij mij thuis is hij nooit geweest. Mijn gesprekken met den schilder in die eerste wintermaanden zijn mij minder goed bijgebleven dan het gevoel van verlichting, geborgenheid, dat die lange middagen of avonden bij mij opwekten. Het best herinner ik me nog een avond en een stuk nacht, dat we, hoog boven de sneeuw die de straten bedekte, telkens weer opnieuw over. ,,de vrouw" begonnen, aarzelend of frivool eerst, later tastend naar een scherper klaarheid in onze f ormuleeringen. Dat gesprek bezit een bijna prophetische beteekenis voor me, nu ik er aan terugdenk. je bent me nu al ettelijke malen aan boord gekomen met die onthouding van je," zei Peter, toen het atelier grijs stond van de tabakswalm en alle straatgeluiden waren verstomd, „die askese van je. Als dat nu maar tijdelijk is." ,,Zooiets verleer je evenmin als zwemmen of schaatsenrijden," antwoordde ik, vluchtig geboeid door mijn eigen vergelijking, die ook Peter keurde door de opmerking: ,,Nu ja, de rhythmiek..." Maar hij vervolgde: ,,Een half jaar dat je niet met vrouwen in contact bent kan een onherstelbaar verlies voor je heele leven beteekenen, vooral wanneer het niet vrijwillig gebeurt." „Kom, kom..." Peter verschikte zich in zijn fauteuil en kliefde bliksemsnel de rook met een inleidend handgebaar op wat er komen gang. „Ik bedoel niet een frenetiek uitleven, coute que cote, geforceerd: dat is juist wat ik niet bedoel. Dat is eigenlijk ook een soort onthouding, hoe gek 't ook klinkt. Ik bedoel: een altijd weer opnieuw gezocht contact met vrouwen, gepaard gaande aan een gelijktijdige terughouding. Het heele verschil ligt in die twee woorden. Zoodra je, dat niet meer nastreeft, leef je niet meer, tenminste als man niet. We zijn nu eenmaal als man geboren, beroerd genoeg misschien, maar aan de verplichtingen die dat meebrengt mag je je niet onttrekken.” ,,Mag ! En als je het toch doet?" „Dan voel je 't aan den lijve. Dat je voor je examen werkt, vind ik ook maar een slap excuus." Nooit had ik Peter verteld, dat geldgebrek de oorzaak was van wat hij mijn askese noemde, de oorzaak althans, die ik mijzelf voorhield. Sinds ik uit mijn prinselijk bolwerk met zoo schamele apanage verjaagd was, was mijn zekerheid van optreden tegenover vrouwen totaal verdwenen. Ik lette meer op mijn eigen kleeren dan op het meisje dat voor me stond; bij de minste jufjes voelde ik me een smeekeling, iemand die goedkoope bioscopen op moet zoeken en aan de cassa het geld natelt, waarbij zijn vaders afgewende oogen mee worden geteld. En dat was het ergste nog niet. Het is niet te veel gezegd, dat ik met de winkelmeisjes Corrie, Lily of Aapie (de namen ben ik grootendeels vergeten) de stad of het bosch introk niet gezellig met zijn tweeen, maar onder de auspicien van mijn ouders, ook als ik wist dat ze thuis zaten. Waar ik stond of ging, zoende of greep, begeleidden hun schimmen mij, two to the Loo, two to the Loo too, en na eenige tij d, vooral toen ik merkte kinderachtig en onbenullig en zelfs plat mee te gaan spreken met die meisjes, iets dat mij in Leiden toch nooit overkomen was, had ik er ineens genoeg van, en meende, inderdaad, ,askeet" te moeteen blijven tot na mijn examen. Daar , Peter van mijn huiselijk leven weinig op de hoogte was, gaf ik er de voorkeur aan naar een minder p-ersoonlijk onderwerp uit te wijken : je zei zoo jets van: contact met vrouwen plus terug-houding. Hoe meen je dat? Is dat: de sterke man uithangen ? Of experimenteeren? Of inspiratie opdoen zonder zelf gevaar te loopen? Maar je bent kunstenaar, vergeet dat niet! Dat geldt misschien allemaal alleen voor iemand van jouw slag." „In geen geval! Als apotheker zou ik hetzelfde gezegd hebben. Het leven ;echt leven, niet vegeteeren bestaat daarin, zoo lang mogelijk dat contact te handhaven, tot de dood toe, en op je sterfbed nog. Denk eens aan Goethe: ,Gib mir dein liebes Pfotchen', zei hij tegen die schoondochter van 'm als ik me goed herinner, net toen hij bezig was de laatste adem uit te blazen, tachtig jaar oud of daaromtrent. De man moet gelukkig gestorven zijn." ,,Een aardige verpleegster doet inderdaad wel eens wonderen..." ,,Maak er maar geen grapjes over," Peter lachte stootend, maar zonder zich geergerd te toonen, „het is merkwaardig zoo slecht als de meesten van die Bingen op de hoogte zijn. Of ze verkwisten hun energie in een zoogenaamde lief de, die hen achteraf leeg en uitgebrand laat en met een kakschooltje vol kinderen om zich heen, of ze scharrelen er wanhopig op los, de geslachtsdaad verrichtend als een mitrailleuroefening op een denkbeeldig legercorps van aangekleede poppen uitgekleede poppen of ze doen wat jij doet: pruilen in een ho,ekje en dat askese noemen. Van de werkelijke askese in de zin van „gymnastiek", de geestelijke gymnastiek, het balancement tusschen de geslachten, de zelfbeheersching bij de intieme aanwezigheid van een vrouw, die immers de door haar opgewekte spanningen het liefst weer in zichzelf terugslorpt, het jezeif net niet geven, daar schijnt niemand eenig benul van te hebben. En toch is dat het eenige dat levenskunst mogelijk maakt, of je nu kunstenaar van beroep bent of niet." „'t Lijkt mij weer een soort verkrachting, of als je wil rechtzetting van de natuur. Een vervloekt pedante rechtzetting! Wat je zei van dat kakschooltje bijvoorbeeld.” „coed, dat was dan wat overdreven. Als ik geen schilderijen maakte, zou ik misschien ook wel kinderen willen hebben, maar een ding: mijn dochters zou ik nooit an ders kunnen zien dan als vrouwen." „Ik vraag me af, hoe de dochters daar zelf over zouden denken, ook bij afwezigheid van bloedschennige neigingen, wat ik maar van je hoop." Daar Peter niet antwoordde, ging ik onmiddellijk door met spreken, met een zekere ijver, verwonderd over de gedachten die nu in mij opkwamen en die mij tot op dat oogenblik altijd vreemd waren geweest. Want wat had ik, als luxe-student, anders gedaan dan Peter's theorieen bevestigen, zij het ook zonder het zelfbedwang, dat hij meende te bezitten? Van de eene vrouw op de andere overspringend had ik de ,,liefde" beoefend, zonder zelfovergave, zonder jets van mijn eigen persoonlijkheid op het spel te zetten.. Een dergelijke inzet maakte niet eens een punt van discussie voor mij uit. En nu? Jk zal je eens wat zeggen, Peter. Die heele terughouding van jou en die heele sexueele gymnastiek, hoe geeste lijk ook of misschien juist door die vergeestelijking ! -berust enkel op angst. Je denkt een heele piet to zijn, maar... Neen," riep ik luid, want de gedachte was mij nu geheel vertrouwd, ,maar dat denk je ook niet! Je weet heel goed, dat je bang bent!" ,,En wat dan nog?" ,,Wat dan nog?! Dan komt je raad toch alleen maar hierop neer, dat ik de eene angst vervangen moetdoor de andere, of beter, dat ik mijn angst, of verlangen, of hoe je 't noemen wil, verbergen meet achter het machtsgevoel, waar jij je zoo kiplekker bij voelt. Het is geen gymnastiek van je, het is een listige comedie, het is een erotisch dictatortje spelen met een hooge borst, net als... net als Nietzsche. Ja zeker, Nietzsche! Prachtig voorbeeld. Bij een meertje met die vervelende Lou Salome keuvelen over de eeuwige Wiederkunft, terwijl Lou waarschijnlijk liever wat over die eeuwige Niederkunftt had gehoord, godv... lach in je eigen tijd ! dat kon hij! Maar voor de rest? Als er vrouwen in de buurt waren, stond hij misschien wel te bibberen, wat weten we ervan? Nee, waarde heer, zoo'n levenshouding lokt me niet aan. Angst voor vrouwen was het bij hem, angst, haat, walging, en bij jou ook. Zeker, bij jou ook! Omdat je bang bent je aan koud water te branden, daarom houd je je op een afstand, al weet je 't aardig goed te praten!" J a, tegen zoo'n stemverheffing moest Peter het af leggen ! Wat waren dat ook voor dwaze stellingen, in een snedig theoretiseerende hersenpan uitgebroed, vreemd aan iedere werkelijkheid? 1k moest er nog maar een schepje op doen! Want, kon ik er hem dan al niet van overtuigen, dan toch mezelf: dat ik, die reeds weken lang krampachtig binnen mijn eigen grenzen opgesloten leefde, in een afweer, die al mijn krachten in beslag nam, niets liever wenschte dan een lans te breken voor liefde en over gave!... Al een heele tijd moet Peter met zijn hoofd berustend neen hebben zitten schudden; ik merkte het pas toen hlj zijn vinger aan zijn gespitste lippen bracht. Terwijl ik hem vragend aankeek, fluisterde hij, op vriendelijke toon, maar zoo duidelijk verstaanbaar, dat ik er onmidd,ellijk het zwijgen toe deed, rood van schaamte om iets dat ons beider verhouding tot vrouwen beter bepaalde dan een treffend en luidruchtig betoog: „Denk een beetje om Christien hiernaast. Die moet weer vroeg op..." 16 April Vanmorgen berichtte men mij, dat de keuze toch nog gevallen is op de bij1. Over de ontvangst van het gratieverzoek werd niet gerept, zoodat ik van het eind-e nu wei zeker kan zijn. Twaalf dagen nog. Ik stel vast, eens en voor al, dat ik niet bang ben. Niet banger dan ik mij opzettelijk heb in te beelden-om mij over tien dagen onder de handen van den gehandschoenden he^er volmaakt angstloos te toonen. Alleen zal ik er iets op moeten vinden om op tijd klaar te komen met dit geschrift, bijvoorbeeld door mijn handschrift wat geserreerder te maken, zooiets helpt nogal eens: de uiterlijke vorm die aan de innerlijke staat voorafgaat, net als in het Katholicisme. Van Else nog geen spoor. Maar ik maak mij niet ongerust: komen zal ze. Zij zal komen, ook al zou mijn moeder haar pogingen hebben opgegeven. Als ik denk aan die vernedering van het zoeken voor haar, moet ik glimlachen. En toch, is het iets antlers dan zij haar geheele leven lang heeft nagestreefd, zij het ook onbewust en met alle onredelijkheid van een plaatsvervangende handeling? Zoo lang ik mij herinneren kan is de verhouding van mijn moeder tot dienstboden een gecompliceerde geweest, gecompliceerder zelfs dan haar eigen karakter, als ik die weinigzeggende maatstaf hier opstellen mag. Men zou de paradox kunnen wagen, dat zij voor een menschenkenner pas interessant werd in de keuken. Niet alleen dat zij zich daar in haar werkelijke gedaante onthulde, zij vulde er zich zelf ook aan tot een figuur, grooter, tragischer haast, dan ze in werkelijkheid was. Het naIeve spel, waar ik nooit erg op gelet had voor we op de Waalweg woonden, voltrok zich onder het motto: crop of eronder. Mijn moeder, al moest ze ook zelf mee voor de aanrecht staan, begon natuurlijk met ,erop" to zijn: de dienstmeisjes, die zij op hun mak uiterlijk uitkoos, toonden zich aanvankelijk zoo schrikachtig, dat ze zelfs Eg's vervuild kamertje, waar alles in een onbeschrijf.elijke wanord, e op en in elkaar geschoven stond, als een sanctum beschouwden. Gedweee huisgeesten, slopen ze langs de trappen, onwennig en stuntelig, maar reeds vanaf de eerste dag achtervolgd door de lawaaiige blijken van mijn moed,ers neerbuigende vriendelijkheid, waarmee die spichtige wezens al evenmin raad wisten als met de geheimzinnige stempelingen voor arbeidskaarten, waarmee mijn vader werd belast, of met de gretige informaties naar broers, zusters en een aamborstigen achterneef. „Ik ben wel meer dan jullie, maar mijn aangeboren geestesadel stelt mij in staat tot het in het oog loopend nivelleeringsproces, waarvoor ik jullie gehuurd heb", scheen zij door dit alles te kennen te willen geven. Vaak was het dan niet eens meer noodig over de jongen" te beginnen, of over toiletzaken, om die gedienstigen in een paar weken rijp te krijgen voor het tweede stadium. Voorzichtig, aarzelend, begonnen ze ermee, een zekere lompheid aan den dag te leggen tegenover mijn vader, die het niet merkte. Ze gingen zingen, kwamen te laat, en braken eens wat. Mij lachten ze achter mijn rug uit, wanneer mij gezegd werd, mijn goeie broek toch op te trekken voor de knieen. Maar dan was het verwonderlijk, hoe prompt mijn moeders gedrag zich aanpaste aan deze verkapte dreiging, hoe zij, die zich verbeeldde ieder van ons onder de duim te hebben, een weg van vernedering insloeg, die haar in enkele weken tot het laagste punt bracht waar zij zich nog gelukkig prees door de kleine feeks van het oogenblik bewonderd te worden om bijouterieen of peen nieuw costuum. Natuurlijk stegen die meisjes, bange krielkipjes in ' de grond, nooit zeer hoog, maar het nieuwe contrast was toch onmiskenbaar: dat van hun schelle, brutale stemmen tegen mijn moeders rad gepraat, dat al zachter, overredender, smeekend,,er was geworden, zelfs tegenover ons, en het praalziek schetteren enkel nog maar terugvond, wanneer de mevrouwen er waren, die dan overstelpt werden met verhalen over dat buitengew000n geschikte meisje. Ze werd wat bleeker -en magerder, ze deed gepreoccupeerd; haar stem klonk als van een bleu kind, een beetje kirrend en klef. Bijna lag er iets beklemmends in die blinde pogingen om autoriteit en waardigheid op te geven bij remand, die zich nog nooit van haar leven in liefde gegeven had, aan haar man noch aan haar kinderen. En tot het bittere einde field ze vol. 0 ja, laat ik het mij maar bekennen, wat ook de verklaring er van moge zijn : soms heeft het weinig ge 49 Else Bohler, Duitsch Dlenatmeisje 4 scheeld of ik hield van haar op die momenten van zwakheid; ik kon dan vermoeden, dat dezelfde slapelooze nachten en bezorgde blikken, die nu het dienstmeisje haar kostte, vroeger aan mij waren besteed en aan Eg, maar dan, nog een paar weken later, als de drinkbeker geledigd was en het meisje weggestuurd, dan zag ik alleen nog maar de zinneloosheid waarmee alles weer van voren of aan begon, waarmee mijn moeder, tegenover de opvolgster, opnieuw van haar ,onmetelijke hoogte Juno-achtig neer kwam dalen, heerschzuchtig, bedisselend, minzaam omkoesterend, en zoo zeker van zichzelf, alsof ze nooit, en zoo kort geleden nog, heelemaal onder had gelegen... Over deze periodieke wisselingen in de machtsverhoudingen op Waalweg 27 heb ik langer uitgeweid dan vereenigbaar is met mijn voornemen tot beknoptheid, omdat die wisselingen het waren, die mij het platje opdreven. Als ik mijn moeder vroeg wat minder door het huis te schreeuwen, zei ze: ja Johan, maar je woont hier niet alleen," en ging om te praten naar de keuken, waar ik het ook hoorde of meende te hooren. Daar ik tenslotte niet meer behoorlijk werken kon dan het kwartier per dag dat de stof zuiger ging, trok ik op een ochtend mijn winterjas aan, sleepte een oude luierstoel naar buiten, het hekje over, en zette hem neer naast het muurtje, vlak bij de afgrond. Ikhaalde .een boek of dictaatcahier en dacht zoo, achteroverliggend bovenop Eg's latrine, nog wel genoeg van den vrijen student in mij te hebben om in mijn hoof d te kunnen stampen wat ik verkoos. De eerste keer, een winderige Maartdag, vatte ik kou, ik bleef een week binnen, probeerde het opnieuw, en zat er toen vrijwel iedere dag, rondom de middaguren. Als ik niesde, vlogen troepjes musschen op, of een brutale merel, die in ons tuintje neerstreek om verder te pikken tusschen het kiezel. Zoodra ik me maar op dat winderig buitenverblijf teruggetrokken had voelde ik me zoo vredig en beheerscht, dat zelfs de familieleden in een ander daglicht kwamen te staan. Stemgegons van beneden schakelde ik automatisch gelijk met werkeloozengezang of het geratel van melkkannen; het huis, waar ik nu in elk geval toch bovenop zat, was aan de oneindige ruimte teruggegeven, mijn familie aan de menschheid. Een keer, juist toen mijn moeder met het dienstmeisj,e op het beplankte balconnetje voor haar slaapkamer stond te redekavelen en kleedjes uit te slaan, gooide ik, niet uit nijdigheid, maar in een speelsche opwelling, een steentje naar omlaag; ze schrok, toen ze mij zag, met weerloos opengesperde oogen in haar breed, glimmend gezicht, en riep bezorgd naar boven: ,,Pas op de dakbedekking, John !" terwijl het dienstbodetje (dat in deze tijd om zich te doen gelden voornamelijk hard met deuren sloeg; ik gaf haar nog twee weken) minachtend haar magere schoudertjes ophaalde en de slaapkamer in glipte, even later gevolgd door mijn moeder. Na over de balconrand gesprongen te zijn, kwam het steentje in onze eigen tuin terecht, op een grasrand., en nu was het mijn vader die met een bleek herkenningslachje omh000g keek, zijn rechtervoet, die hij aanstonds op de spade zou zetten, omhooggetild. Het was op een Zaterdagmiddag, eind April; van overal uit de Sterrenbuurt kwam gejoel van schoolkinderen met de zoele wind mee, die de minuscule, teerbruine wingerdblaadjes deed flapperen aan' de groote, roode muur. Graag ping mijn vader in zijn oudste plunje den peinzenden tuinman uit, zooals vroeger reeds, maar nu met een aparte bedoeling : een tuinman met levenszorgen nu, en een krom 51. me rug, maar nog vol roerende liefde voor de bloemen, Flora's kinderen. Toen ik voor de tweede maal achterom keek, zag ik zijn naar boven gekeerd gezicht verstrakken; de richting van zijn oogen volgend, boog ik mij heelemaal over de afgrond been, waar halverwege, dicht langs de gevel, iets heen en weer schoof dat me eerst een reusachtige, opgerolde beerrups toescheen, maar dat zich aldra identificeeren liet als het steile, zwarte haar van Eg. Terstond draaide de jongen, die daar voor zijn vensterbank geknield moet hebben gezeten, zijn gezicht naar mij op, kraaide met een bibberend oude-damesstemmetje : „O, Johnnie, wat zit je daar l euk !" en toen, op hetzelfde moment -dat ik mijn lippen wilde spitsen om naar beneden te spuwen, had ik ineens scherp het gevoel ook nog bespied te worden van een heel andere kant. Ik veerde terug. Ik hield mijn oogen bij me, en dook onder in mijn dictaatcahier. Links van me, in de verte, maar niet zoo heel ver, moest iets geweest zijn, dat me bespied had. Nu was het weg. Voorzichtig draaide ik mijn hoof d naar die kant. Het tuintje naast het onze, dat bij het huis van meneer Steketee hoorde, den violist van het R... orkest, die wel eens bij mijn vader in de tuin kwam praten, als hij het bij mevrouw Steketee, een lang, mager mensch met heftige, imperatieve bewegingen, niet langer uithield, was leeg, evenals het tuintje van het ho;ekhuis ernaast. Meneer Steketee's platje, gelijkvormig aan het onze, was leeg. Daarop vo^lgde, ook leeg, het platje van het hoekhuis, dat ik mij altij d als de bekroning van een massi,ef bolwerk voorstelde, waarschijnlijk omdat het enkele meters verder achteruit sprong dan de twee andere en niet aan twee, maar aan drie kanten omgeven werd door het hekje, terwijl een afsluitend muurtje ontbrak. Vooral vanuit onze tuin leek dat smalle, hoog gerekte ho,ekhuis, gebouwd in een op de Waalweg niet gangbare stijl, als een vestingtoren alles om zich peen te domineeren, en, wellicht ond;er de nawerking van dat uiterst suggestief gezichtsbedrog, bleef ook nu , mijn oog op dat punt rusten, hoewel ik er heelemaal niet zoo zeker van was van daaruit gadegeslagen te zijn. Wie in het hoekhuis woonde wist ik slecht. Mevrouw Steketee had gesproken van een paar ongetrouwde zusters of nichten, met wie zij niet omging en van wie zij blijkbaar niet voldolende af wist om hen over de hekel te halen. De huisdeur beyond zich niet aan de Waalweg, maar in de Andromedastraat, waar ik iedere dag doorheenfietste en wel eens gedachteloos het naambordje opgen ,omen had: Erkelens. De regels met de vinger volgend las ik anderhalve bladzij over de pandecten, toen hetzelfde gevoel me opnieuw bekroop. Snel keek ik opzij. Achter het hekje van Erkelens stond nu inderdaad een zeer klein figuurtje, onbewegelijk en bijna tot niets ineengekrompen op dat enorme bastion dat zijn bestaan alleen aan mijn fantasie dankte, maar toen, met een ruk, herstelden de proporties zich en kon ik zonder moeite vaststellen, dat het dienstmeisje van Erkelens in mijn richting stond te kijken met een stofdoek in haar hand. Ze scheen breedgeschouderd, niet eens zoo erg klein, en lachte met een kalme nieuwsgierigheid. Verward vroeg ik me af, of ik daar in die luierstoel niet aan een longlijder deed denken, die ozon moet slurpen in zijn winterjas, en de tuin als sputumpotje gebruikt; mijn lippen waren nog vochtig van het voor Eg bestemd speeksel. Om die indruk althans te verijdelen, trok ik zoo vlug als ik kon een monter gezicht, maar het was al niet meer noodig. Het meisje had zich omgedraaid en ging door met stof en ge droogde vogeluitwerpselen van het hekje of te vegen; ik zag haar van achteren, in haar licht-blauw kato-enen rok, ze sloeg heele stukken van het hekje over, deed een groote, onhandige pas opzij en verdween. De wijk genomen voor het eene dienstmeisje, opgewacht door het andere, dacht ik spottend, en trachtte me toen voor de geest te halen hoe die kleine buurvrouw er uit had gezien in de lentezon. Blond? Blozend? Dat was enkel een schema dat me niet veel verder bracht. In mijnf verbeelding bleef nog het langst en het duidelijkst dat lachje van haar over het balcon van Erkelens zweven, zichtbaar zoodra ik mijn hoofd opnieuw in die richting bewoog. Door dat lachje was ik bespied, eerder dan door het meisje zeif. Reeds, zonder er mij rekenschap van te geven, had ik het geIsoleerd van al het andere, en als een met moeite bemachtigd sieraad, waarmee men voor het eerst alleen gelaten wordt, draaide ik het om en om in mezelf en bekeek het van alle kanten. Een geboeid, bijna dierlijk aandachtig lachje was het geweest, behagelijk, maar volstrekt niet behaagziek. Onbekommerd om wat de wereld ermee zou kunnen aanvangen zond het zichzelf uit, onbewust, bijna in vervoering, en toch zakelijk; het was als een zien zonder zelf gezien te worden, en dat moest mijn ijdelheid wel streelen. Op dat moment evenwel, terwijl ik die rood:e mond reeds gescheiden had van de lachend dichtgeknepen oogen erboven, dacht ik minder aan mezelf, en aan wat ik alzoo bij anderen zou kunnen bereiken, dan aan een zondoorschenen of stand, waarachter een nieuwsgierig lachje was opgedoemd en weer verdwenen, zooals ik kan het niet anders zeggen, al klinkt het dwaas -- een dichterlijke metaphoor waarvan men de bijbehoorende vrouw toch nooit ontmoeten zal. Maar ik zag wel in, dat deze vluch tige indruk weinig te maken kon hebben met het werkelijke meisje, dat daar woonde; even spottend als eerst zei ik dus bij mezelf : een dienstmeisje! en plonsde weer in de geleerdheid. Kort daarop werd ik opgeschrikt door het energieke geluid van een mattenklopper. Het dienstmeisje van Erkelens ontdekte ik nu, perspectivisch verkort, in actie vlak voor de lat, die aan het eind,e van het 'tuintje ingeklemd was tusschen d-e schutting en het hek aan de kant van de Andromedastraat. In twee groote kronkels hing daar een donkerbruine l-ooper over heen. Stofwolk-en trokken over drie tuintjes tegelijk. Zonder op of om te kijken sloeg zij er ferm op los, regelmatig en machinaal, maar met een zekere geestdriftige overgave. Van tijd tot tijd bleef de klopper in de lucht dralen en hi-eld ze haar hoofd wat schuin, als een schilder, die nagaat of er nog iets aan het kunsstwerk ontbreekt. Het lachje, half zichtbaar voor mij, scheen dan zegevierend te zullen worden. Duidelijk zag ik haar rose prof iel, met de iets vooruitspringende neus boven een weinig geprononceerd ,e kin. Om haar aandacht te trekken rekte ik mij zoo hoog mogelijk uit, scheef gedraaid op de punt van mijn stoel, toen ik eensklaps een tweede figuur achter de schutting ontwaarde, die halverwege het huis en de roode muur aan kwam waggelen, precies op de maat van de holle paukmuziek. Dat moest dan die juffrouw Erkelens zijn, een van de twee. De meesteres van het meisje met het lachje! Een laag voorhoofd, bonkige bokserskaak, loerende, diepliggende oogjes schommelden vlak boven de schutting, alsof men daar het wassen hoofd van een holenmensch, ontvreemd uit een gruwelkabinet, aan peen draad voorttrok: de ijzerdraad, inderdaad, die ik er vlak achter ontdekte, bestemd om wasch over heen te hangen. Ik herinnerde me deze persoon al eens eerder op straat gezien te hebben: een kwaadaardige, bleeke, benepen burgerjuf met een boodschapp,entasch, die van niemand notitie nam. Aanstonds, zal ze zich wel met de vuist op de borst slaan als !een gorilla, dacht ik, of zich met haar heele lichaamsgewicht op het meisje werpen! Daarna vermaakte ik me nog even met het kortdurend vizioen van een bende Neanderthalers, die elkaar tijdens een trage, pre-historische dans met getrappel en knotsgezwaai en rhythmisch rumoer voor een overval zouden trachten op te winden; maar toen had de vrouw het meisje ook al bereikt, en sprak tegen haar, met een gemelijk gezicht, bijna zonder haar lippen te bewegen. Ik was op iedere vertooning voorbereid. De mattenklopper was in rust. Scherp beschenen door -de zon trad de blonde gedaante te voorschijn uit de -melee der denkbeeldige wilden, lachend omkijkend naar ee-n plotseling opduikende derde figurant: een snort van vrouwelijke dwerg, die zich tot op dat oogenblik achter de schutting aan het oog had onttrokken. Trotsch rechtop, de mattenklopper in de hand, wandelde zij naar het huis terug, waarbij de aapmensch en de dwerg haar op de voet volgden, beiden waggelden, in verschillend tempo. De dwerg de tweede juffrouw Erkelens? zeulde met de looper, die over haar schouder lag vlak naast een wit, verschrompeld gezicht, sterk misvormd, maar niet zoo afstootend van uitdrukking als dat van de andere. Alles ging zeer snel in zijn werk; ik zag een kalm, hooghartig halfprofiel met zware, 'neergeslagen oogled-en; ik zag hoe een kleurig tafereel van rose en lichtblauw zich voortbewoog over het betegelde voetpad. Maar dan, juist op het moment dat de heele stoet achter het huis zou verdwijnen, elkaar zonder woorden ophitsend, als in een resolute vlucht voor een naderende regenbui waar men al dagen lang op voorbereid is kwam het meisje, haar lichaam zoo ver mmogelijk achteroverbuigend, snel met haar gezicht om de hock van de muur, trok twee komisch gepenseelde wenkbrauwen in de h000gte, en zond, even voordat ze zich terugtrok, een knipoogje naar mij op, zoo vlijmend en nauwkeurig gemikt, dat het nauwelijks voorbij die muur scheen te kunnen komen zonder een fijn gruis af te slaan van de steenen rand. Maar natuurlijk had ik het al gezien. Ik had ook gezien, dat ze mooi was, daar beneden in de schaduw. In de grootste verwarring bleef ik op het platje achter, met een vinger in mijn dictaatcahier. Ik zat dus met een raadsel, een probleem voor gelaatskundigen, schijnbaar even moeilijk op te lossen als wanneer ik i,emand ontmoet had met de oogen van Eg in het gezicht van Peter. Dat dat meisje misschien de heele dag niets anders deed dan lachen, tegen bruine loopers en boodschappenjongens en de dames Erkelens zelfs, stelde mij hoogstens in staat af te rekenen met een van de beide tegenstrijdige mimieken. Want het knipoogje, dat was voor mij alleen bestemd geweest; daar was moeite voor gedaan condom een muurrand, even geraffineerd als het lachje onbewust en onopzettelijk was, en toch ook weer alsof er gevaren getrotseerd werden om mijnentwil. De heele verdere dag en een gedeelte van de nacht vervulde mij een onbestemde tweesstrijd. Verliefd wilde ik mij niet noemen, of hoogstens verliefd, en dan nog zonder eenige sentimentaliteit, op een situatie, of beter: op een uit het geheel dier situatie losgeslagen en waarschijnlijk reeds sterk verbogen beeld, dat ik bovendien op de zonderlingste wijze bezig was tot literatuur te verwerken, toen ik de ochtend daarop in de voorkamer achter mijn krant zat. 's Zondags voor tienen had ik beneden het rijk alleen; ik buitte dit altijd uit door vroeg op te staan, zelf thee te zetten en in mijn eentje te ontbijten. Uitvloeisel wellicht van een droom van die nacht, hanteerde mij voortdurend, hardnekkig als een dwanggedachte, de sage van Andro' meda en Perseus, die ik zonder veel omslag aan de Sterrenbuurt ontleende -om ze te betrekken op het dienstmeisje van Erkelens. Andromeda op haar door een h!ekje o^mgeven rots, bewaakt door twee voorwereldlijke monsters, die eerder achter een horretje thuis hoorden, Perseus met een winterjas aan in plaats van de onzichtbaar makendc schubbenzak der Nymphen: was dat niet het doeltreffendst middel om het geheele voorval met dat meisje tot zijn juiste proporties terug te brengen en dan te vergeten? Soezend over mijn krant, met mijn rechterhand op het warme vet van de kat op mijn schoot, amuseerd,,e ik rriij met nieuwe ironische analogieen tusschen mijn eigen levensomstandigheden en wat ik mij van den Griekschen held herinnerde uit mijn gymnasiumtijd. Perseus was de zoon van Zeus en Danae, maar daar weigerde ik gebruik van te maken! Meer lokte het mij aan om juffrouw Erkelens toch maar niet tot het monster te vervormen, doch tot Medusa, wier hoof.d, tot dat Joel in een spiegel weerkaatst, door Perseus afgeslagen werd... Plotseling, beklemmende onderbreking in deze speelsch verwarde gedachtenverstrengelingen, doemde het beeld van mijn moeder voor mij op, weerkaatst in de psyche op haarslaapkarmer, met mijn eigen hoofd boven het hare; om dit onwelkome beeld te verjagen, keek ik vlug over mijn krant naar buiten, naar de rij boomen, die met hun puntige gele knopjes tegen een teer-blauwe hemel of staken ; er reden wat Zondagsch gekleede fietsers voorbij ; een klein, wit meisje hinkelde schuin de Waalweg over, en schuifelde verder langs de groene haag, die voor mij, in de lage fauteuil, het vergezicht onderschepte tot de duintoppen toe. Zoo, laaggezeten, lui en slaperig, verbaasde ik er mij niet eens over, dat het meisje van Erkelens, dat daar plotseling aankwam, onwezenlijk groot leek en statig als een koningin. In het eerst was het alsof ze mij recht in de armen zou loopen, zoo dicht zat ik bij het raam, schuin ervoor. Ik sprong op en volgde haar zoo ver ik kon met de oogen; mij kon ze niet zien door de vitrage. Het lachje? Het knipoogje? Niets daarvan, mijn ontgoocheling was na dat allereerste oogenblik volkomen. Was dat het meisje waar ik van gedroomd had? Was ik drie duizend jaar in de geschiedenis der meenschheid teruggegaan om een passende inkleeding te vinden voor zooiets? Hoofdzakelijk herkende ik haar aan de buiten.sporig zware, als schelpen rondgewelfde oogleden, die twee kieren openlieten voor een eenigszins laatdunkende blik, recht vooruit, waterig en onbestemd. In een weer dan bespottelijk kleinburgerlijke staatsie was ze voorbijgel000pen ; ze had iets in haar hand gedragen, duidelijk vooruit, een nadrukkelijke opschik, wat was het geweest? Ze leek me linksch, zelfvoldaan en onbeschaamd. Nooit heb ik me vollediger bekocht gevoeld dan door dat gezicht van dichtbij, dat vormelijk geplooide rnondje ! Opvallend was de verschijning overigens wel in die jammerlijk te kijk gestelde praal van een knap gezicht en een Zondagsche dos, opvallend voor iedereen die de moeite nemen wou om haar te ontraadselen als het aangekleede dienstmeisje dat ze was, het dienstmeisje, dat er op haar „vrije dag" op uittrok, in een voor deze modieuze stad werkelijk schilderachtig slecht zittende mantel, on sierlijk van loop, neus in de wind, breed en zwierig, maar d-om, lomp, rood, rasphanden, eeltvingers, en op de hoek de jongen met de pet die het geval staat op te wachten.. . Vloekend sprong ik overeind, kat en krant met veel rumoer en geritsel aan de grond toevertrouwend. Ik dacht nergens aan. Ik wou alleen de werkelijkheid te lijf, die mij zoo hemeltergend bedrogen had! In drie stappen was ik bij de suitedeuren, wrong me ter doorheen. Ik stormde twee trappen op. In mijn slaapkamer schopte ik mijn pantoffels uit en slipte in zwarte, nauwsluitende gymnastiekpantoffels. Terwijl ik mijn colbert aansch000t over mijn pyamajasje, stuitte ik in de Spiegel op een woedend ongescho ren , gezicht; veerkrachtig zwevend op het gummi stoof ik naar beneden. Daar stond Eg in de deur van zijn slaapkamertje ; gapend vroeg hij of hij mijn fiets leenen mocht voor een paar uur. ,Waar ga jij zoo gauw naar toe?" riep hij me nieuwsgierig na en volgde me op de overl000p, zijn vraag herhalend. Ikgund-e me niet eens de tijd om hem of te snauwen. In de vestibule zette ik in allerijl mijn hoed op en trok mijn regenjas aan, met de kraag op om mijn pyama te verbergen. Het lachje, het knipoogje: dat was heteenige dat me beheerschte! Vragen waar het gebleven was, waar ik het nog terug zou kunnen vinden, top het dak, of ergens in de lucht rondzwevend als mythologisch-e arabesk, en waarom ze zich dan toch zoo toegetakeld had... Achter mij knalde de deur in het slot. Schuw ontweek ik de blikken van voorbijgangers, die niet weg waren te slaan van mijn voeten en mijn kraag. Met een grimmig plezier herinnerde ik me de vleugelschoenen van Perseus; hoe zou ik deze burgers verbazen, als ik ze had! Tot aan de Orionstraat deed ik tien passen, en ontdekte haar ter hoogte van het Poolplein, dat door een korte straat verbonden is met het Perseusplein. Ik snelde de Orionstraat in. Aangehitst door ongeduld remde ik toch zooveel mogelijk mijn elastische pan-toffeisprongen om niet al te erg buiten adem geraakt te zijn tegen dat ik haar had ingehaald. Met haar armen als molenwieken langs zich been zwaaiend, repte ze zich verder, zonder om te kijken. Hoe het kwam weet ik niet, misschien door een oude prent die mij parten speelde, maar haar gestalte herinnerde mij aan een soldatenvrouw uit oude huurlegers, een mar etentster, zoo zwierig als ze daar voortliep, zoo zelfver-kzekerd stram in de pas, in die te wijd,e mantel, waarin men zich zoo'n vrouw kon voorstellen, een vuist uitdagend op de heup, met de andere zich door opdringende lansknechten heenslaand. Uitgeworpen door de ongewone breede schouders, Bogen de armen zich hoekig ver in de elleboog, zoodat de handen telkens ter hoogte van de borst kwamen. Halverwege de Kometenlaan, het verlengstuk van de Orionstraat, trok ik mijn jaskraag nog eens ter dege over mijn pyama dicht, en kuchte. Toen ze opkeek, stonden we ook al meteen tegenover elkaar. „Ik geloof, dat we elkaar kennen... al eens eerder gezien hebben... U heeft er zeker geen bezwaar tegen, als ik. .. „Bitte?" In plaats van de litanie te vertalen hoorde ik me, nu tot mijn eigen verwondering, op een bevelend toontje zeggen: ,,Sinds Sie Deutsche oder Oesterreicherin ?" Ik hijgde niet meer. Ik voelde me geheel op mijn gemak, zonder het onaangenaam besef tegenover een mindere te staan. Alle verschil in stand was opgeheven door dat plotselinge Duitsch, waar ik moeite voor moest doen en zij niet. Van het antwoord verstond ik alleen ,Koin". Langzaam waren we opgewandeld; ik merkte dat ze me argwanend opnam, ik keek haar aan, en daar sprongen me twee lichtblauwe, doch scherp en bijna zwart omcirkelde straatmeideno^ogen tegemoet, harde, spottend glanzende bikkels, onverwachter dan alles wat ik tot nog toe opgemerkt had aan dat gezicht, en in het bij zonder de waterig fletse blik logenstraffend van voor het raam. Haast deden die oogen pijn ; ik vond de uitdrukking ervan leeg, lichtzinnig, opdringerig, zelfstandige, ziellooze voorwerpen, die niet bij haar gezicht pasten, laat staan bij het beeld dat ik er mij van gevormd had en toch lette ik nergens anders op, of hoogstens nog, op de fijne, zijdeachtige wenkbrauwbogen erboven, en dan weer op de scherp afgeteekende blos, samengesteld uit een gekrioel van bloedvaatjes en enkele kleine, roode vlekjes, die haar grof en vulgair maakten op hun beurt. Het was duidelijk, dat ik hier met twee gezichten te doen had; welk van de twee was het voornaamste? Ik sprak een paar vloeiende Duitsche volzinnen, ik maakte gebaren, maar ononderbroken observeerde ik die impertinente, 'nieuwsgierige oogen van uitpuilend glas, die ik er misschien nog uit zou kunnen nemen om er andere voor in de plaats te zetten, meer in overeenstemming met de zware, blanke oogleden en het lachje van de vorige dag. In gebroken Hollandsch onderbrak ze mij: „Haar ik ken uw naam niet einmal, mieneer!" Ik begon te stotteren. Onzeker in welke taal verder te gaan, trachtte ik haar uit te leggen wie ik was; ik zei, dat we eigenlijk buren waren, dat ik op het platje gezeten had; het kostte me moeite geen beroep te doen op het knipoogje. Met een ruk stond ze stil en keerde zich opgetogen naar me toe: „o, bent u dat!" j a, ja... Sie haben mich vielleicht nicht wiedererkannt - wegen meines sonderbaren...," ik wees op mijn kraag, -- ,ich bin ziemlich mangelhaft angezogen, ich mochte nur gern Ihre Bekanntschaft machen; wenn man sozusagen Nachbarn... nur mit Frau Steketee dazwischen, oder kennen..." ,,u, diel» Het contact was tot stand gebracht. De gemeenschappelijke antipathie tegen mevrouw Steketee deed mij al mijn subtiele ontgoochelingen vergeten; een warm gevoel van veiligheid overstelpte me. Veelzeggend keken we elkaar aan, en lachten, waarbij haar mond zich los en genoegelijk rondom het vochtige wit van veel te groote, uiterst regelmatig gevormde tanden krulde, en al was dit het lachje nog niet, toch vond ik haar opeens weer mooi. ,,Wie heissen Sie denn?" „Ich heisse Else Bohler." ,,Aber wohin gehen Sie denn so fruh?" ,,Zur Kirche, da..." ze maakte een gebaar in de richting van de Aldebaranweg, „ich bin schon spat." Niettemin bleef ze rustig naast me voortwandelen, haar hoofd iets achterover, trotsch en laatdunkend van blik, de mond streng gevouwen, zoolang haar lange lippen niet open stroomden in het al te opzettelijke en te dichtbij aanschouwde conterfeitsel van het lachje, en steeds maar bedrijvig, kinderlijk ho,ekig, met haar molenwieken voor zich heen zwaaiend, waarbij de rechter hand die witte handschoenen vast omklemd hield, iets hooger kwam dan de linker. Nu en dan had ik de indruk, alsof ze „op tie plaats rust" marcheerbewegingen volvoerde; ook leek het wet op het parmantige stappen van een vurige schimmel, die niet vlug vooruit kan komen te midden van een menschenmenigte, de kop omhooggetrokken door inbind. ende teugels. Zonder er aan te denken naar haar godsdienst te informeeren—dat daar op de Aldebaranweg kon voor mij evengoed een synagoge zijn; het calvinisme van mijn vader had mij kerken altijd doen negeeren vroeg ik haar of ik haar kon treffen na de dienst. ,,Dann muss ich gleich wieder nach Hause," zei ze op besliste toon. ,,Also wenn dann... wann denn... ?" ik verwarde me in mijn bijwoorden en vo-egwoorden. Zorgeloos liet ze er op volgen: ,,Sie wartet jetzt schon auf mich." ,,Wer, die Frau...? Zoo vol en diep muzikaal kreunend Bleed de klank van dit joa" van de eene toonshoogte in de andere en weer terug, dat ik me bekoord en vol verwachting naar haar toewendde, zonder evenwel iets anders to betrappen dan ,een hangende, licht smalende onderlip, die nog maar amper deel uitmaakte van de mond waar het lachje bij hoorde. Het was alsof het lachje lek geworden was, uitdruppelde en niet meer onbelemmerd voort kon stroomen over de geheele breedte van haar gezicht. Maar we praa ,tten al verder. Moeilijkhed-en van zinsbouw en idioom nam ik als hindernissen. Ze scheen het als de natuurlijkste zaak van de wereld te beschouwen, dat ik goed Duitsch sprak. Ze zei me, dat ze weinig vrij had, alleen Woensdags, soms Zondags. Voor de eerstvolgende Woensdagavond duidde ik het Perseusplein aan als plaats van samenkomst: ,64 „Persoisplein platz Sie wissen, ganz in der Nahe,” maar van het Perseusplein bleek ze niet eens gehoord te hebben. Hoewel ze al acht maanden bij Erkelens in dienst was, kende ze zelfs in de Sterrenbuurt de weg heel slecht; alleen de twee of drie hoeken, die ze moest omslaan om bij de kerk te komen, waren haar ver'trouwd. Boodschappen deed ze nooit, mocht ze niet doen. Dit alles vertelde ze alsof het haar persoonlijk niet aanging, met een zakelijke achteloosh:eid, een beetje zorgeloos en jolig, schijnbaar zonder iets te m.erken van mijn verhazing. Na wat mislukte pogingen slaagde ik er in, de of spraak op het Perseusplein te consolideeren; in een vaag voorgevoel van verwikkelingen van de kant van de aapmensch en de dwerg, drukte ik haar op het hart mij vooral te schrijven wanneer ze verhind'erd zou zijn. Weer stuitte ik op diezelfde weerstand: ,,O nein, schreiben, das to ich niemals!" Het klonk, ondanks al het kleinzielig wantrouwen, dat uit een dergelijke stelregel sprak, naar een zekere wereldwijsheid, naar ervaring van avonturen ook, en daardoor voor mij op een of andere wijze geruststellender dan haar verzekeringen van op tijd aanwezig te zullen zijn. Op de hoek van de Aldebaranweg wou ze alleen verder, zonder te zeggen waarom. Ik bracht nog iets verwards te berde over een ,bosen Verf uhrer", waar ze - zeker niets van be grepen heeft; we lachten ijverig samen, en namen toen of Scheid, zij weer met ,mieneer". Snel verdween ze om de hoek, en met een zucht van verlichting kon ik eindelijk mijn jaskraag weer openslaan. Maar het is best mogelijk, dat die kraag vanzelf terug is geweken, want op weg naar huis liep ik rechter op en met breeder borst ademhalend dan ik in tijden gedaan had. Else Bohler, Duitsch Dienstmeisje In mijn herinnering is die verdere Zondag geladen met een prikkelende verwachting, die mij iedere huiselijke stoornis over het hoofd deed zien. Zelfs van de lepels had ik geen last. Tegen Waalweg 27, dat mij terug had doen lijd-en in de ondragelijke druk van een jeugd 9 sf eer, zonder eenige 'mogelijkheid van zelfbevrij ding, was nu een tegenwicht gevonden, en hoe dicht in de buurt! Verliefd gezwijmel vermeed ik, ik maakte geen andere plannen dan die, mijns ondanks, op de overtuigendste wijze pasten in het kader van Peter's theorieen over ,terughouding"; ik wist, dat het dienstmeisje Else Bohler onbelangrijk was en onintelligent en mij steeds opnieuw teleurstellen zou, eerst door haar gezicht, dat zich het lachje zoo weinig waardig had getoond (en bestond het lachje zelfs wel ?) , dan door alles wat zich achter dat gezicht verborg; ik wist de bezwaren te f ormuleeren tegen het Duitsche ras in het algemeen en Duitsche dienstboden in het bij zonder. Daarover schreven de kranten immers. Maar dank zij deze vertegenwoordigster van het soort kon ik nu tenminste de huiskamer van mijn ouders weer in de rug laten, onbevreesd voor een overval op mijn gevoeligheden, en mijn gedachten uitzenden, twee huizen ver, over mevrouw Steketee heen, wier buurschap voor zooiets altijd grouter belemmering was geweest dan muren en hekjes. Ik was niet meer aangewezen op het platje om mij bevrijd te weten. Hoezeer ik doorgaans ook aan tafel een ijzig stilzwijgen bewaarde, nu kon ik, onder het kof f iedrinken, beleefd met meneer Steketee over muziek keuvelen en er zelfs zonder ergernis getuige van zijn hoe mijn moeder flirtachtige onderonsjes met hem op touw zette, waar de zwaarbesnorde en weinig artistiek uitziende pantoffelheld gretig op inging. Dat Eg toch nog op mijn fi^ets weg was geweest, zonder mijn toestemming, had ik gemakkelijk kunnen opmaken uit de stand van de fiets, die ik zelf altijd omdraaide alvorens hem in de gang neer te zetten. Maar laat Eg maar van me nemen waar hij zin in heef t, dacht ik bij mezelf, en geef mij nog wat van die ham, want -die smaakt goed. ,,Strauss is toch veel meer spontaan artist dan Mahler!" gaf evenwel meneer Steketee te kennen na een opmerking van mij, en kneep discreet zijn snor uit boven het koff iekopje. Eigenlijk had ik moeten gillen van de lach om wat die onnoozele zeehond daar nu weer te berde had gebracht, maar ik hield mij in, zonder eenige moeite. Door mevrouw Steketee en haar vriendinnen was ik trouwens aan heel andere dingen gewend. Onomlijnde praat over muziek was wet het ergste waar ik thuis op onthaald werd. Bij al zijn gewone geestelijke hulpeloosheid was mijn vader nu toch de eenige van het gezelschap die jets definieerbaars zei. Was het vol de laatste keer?" vroeg hij. „Tja, er bedanken er veel door de tijdsomstandigheden..." Meneer Steketee had lang nagedacht over dit antwoord. ja, de crisis. . „Henk denkt natuurlijk weer aan de recette!" verontschuldigde mijn moeder hem tegenover den kunstenaar, die haar blik lodderig, maar eer vaderlijk dan frivool beantwoordde ; voor hem was mijn moeder, geloof ik, niet veel meer dan een middel om zijn onafhankelijkheid van mevrouw Steketee te bewijzen, „ik vind, dat hoe leeger de zaal is hoe mooier gespeeld zou moeten worden; dan kan een kunstenaar zich toch ook beter geven ; wie was ook weer die koning, die opera's liet opvoeren, als hij alleen in de loge zat... toe... ' Bevelend aanmoedigende rukjes, waarbij haar hoof d telkens iets meer achterover kwam, haar onderkin eerst bibberend, dan gladgetrokken door die verandering in stand, werden in de richting van meneer Steketee of gezond: en. Haar oogen waren half gesloten, alsof ze iets proefde, iets streelends en welgevalligs, van binnen uit. ,,Hemel, nu vraag je me...," zei de geraadpleegde, met zijn dikke vingers, waarin eerder een troffel paste dan een strijkstok, druk woelend en grijpend naar die nevelachtige historie waar hij van afweten moest, „Ludwig van Beieren, staat me zoo iets van voor. . 0" „Is die niet gek geworden?" vroeg mijn vader, terwijl hij met een bevende wijsvinger zijn slaap aanboorde; de toon waarop die vraag gesteld was verried onmiskenbaar een zekere opluchting. Meneer Steketee blies zich inf ormatief en een beetje vergoelijkend op. Van mijn moeders overwicht in dit huffs wilde hij wel partij trekken, maar zonder mijn vader te kwetsen, te meer waar deze met zijn opkomende migraine te kampen had. Zeer voorzichtig dus waif de hij die veronderstelling weg: „Gek, gek... Hij heeft in elk geval allemenschelijk veel voor de Kunst gedaan..." ,,Welnee Henk, hoe kom je daar nu bij," prevelde mijn moeder geirriteerd. „Kann das Midchen noch etwas Kase bringen?" Dat was Eg! Dui-delijk verstaanbaar had hij die woorden uitgesproken. Even meende ik zijn oogen over me heen te zien glijden, op de gewone gluiperige manier, toen, na een paar wezenlooze grimassen, trok hij zijn news in grillige lachrimpeltjes, en alles scheen voor een grap door te zullen gaan. Aan tafel bracht Eg wel peens meer vreemde talen te pas; Duitsch toch hoogst zelden. Voordat mijn moeder op bazige toon, maar met een schichtige blik naar de deur, gezegd had, dat hij zelf de kaas dan maar halen - moest, want dat het meisje vroeg weg mocht en ook al genoeggedaan had vandaag, was mijn achterdocht weer verdwenen. Ik voelde mij veilig en verreweg de meerdere. Even kritiekloos als ik vroeger de familie had geducht, was ik nu overtuigd van hun onschadelijkheid. Ik onderscheidde niet, ik hield mij niet op met restricties of nuances: zij waren vriend of vijand voor me, zooals ook een wilde de leden van een vreemde volksstam, waaronder hij Leven moet, gezamenlijk onder die eene totem rangschikt, die hij haat, of zoolang hij in vrede gelaten wordt tolereert. Misschien was Eg me wel op mijn eigen fiets achterna gereden en wist hij nu alles. Maar wat mij betreft mocht iedereen het weten, tot mijn moeder toe, wier tweeslachtig gezeul met ondergeschikten mij altijd nog iets vernederender voorkwam (angst voor een bleekzuchtige hit die met de deuren sloeg!!) dan mijn eigen ontmoeting van vier uur geleden, en de mevrouwen mochten het weten, en meneer Steketee ook, die zich juist, na N een sigaar opgestoken te hebben, met mijn vader terugtrok in de tuin, waar ze, achter die bescherming van hun rookgordijn naar vroege bloemen zouden wijzen en klagen over waterstaat en veeleischende orkestleiders, de een in de vaktermen van de ander (b**voorbeeld, zooals ik eens of luisterde op een zoomeravond : ,H** sloeg alla breve, he, zonder van te voren iets gezegd te hebben, en ineens boor ik die vreeselijke stem van 'm: ,Steketee, valt Steketee dan nog niet in?' god man, ik slaap er 's nachts beroerd van..." en toen mijn vader : „Van invallen gesproken, laatst was die referendaris met die tic ja, die met die mond, net of ie de hooge c zal gaan zingen, waar ik 't ai met je over had, de jonkheer was ie de stad uit, en moest ik, onvoorbereid...") . Vaak heb ik gedacht, dat zij nog eens samen weg zouden loopen, voorgoed van de Waalweg vandaan, arm in arm, met kleine koffertjes en angstig om zich heen speurende snorren, naar een nieuw eenvreedzamer , bestaan in een of andere muzikale waterstaat, waar men dan van hun bij elkaar gevoegde ervaring prof iteeren zou... Nog lang hoorde ik hun stemmen uit de tuin gedempt tot mij opklinken; mijn moed-er was die middag uitgegaan. Mijn kamertje leek mij even eentonig als altijd, maar minder hopeloos. Het kompas wees er niet meer naar beneden, met een zenuwachtig trillende naald, maar naar buiten, naar rechts. Die richting volgend, stond ik weldra over het h,ekje geleund, of en toe een steelsche blik naar het plat van Erkelens werpend, waar zich niemand vertoonde. Met de reeds afkoelende wind steeg de geur van de sigaren naar mij op. Alles was stil, alleen klokgelui drong van ver tot mij door. Mijn vader liep vooruit naar de witte bank, die daar pas was neergezet, draaide zich uitvoerig om en kwam met vier groote stappen bij meneer Steketee terug, die met bbeide handen de lengte van die stappen aangaf. Dan keken ze weer om zich heen, maten, rookten, plantten in gedachten, deden instructief, waren oud en gelukkig. Het rijtj,e populieren schuin achter hen prevelde berustend. Toen ik lang genoeg naar beneden gestaard had, en, telkens weer, naar rechts, ging ik naar binnen en schreef een dwaze, onnadenkende brief, waar humoristisch-e zinswendingen in vo-orkwamen en excuses -om mijn weinig verzorgd uiterlijk 's ochtends. Ik bevestigde plants en tijd van de afspraak, en verving, voor ik de envelop sloot, ,ungesc oren' door ,unrasiert". In de done kerblauwe avond flaneerde ik langs het huffs van Erkelens. Nergens zag ik licht, hoe vlijtig ik ook door gordijnreten naar binnen trachtte te gluren. De brief liet ik door een kolossale, in een vierkant stuk blauwe bazaltsteen uitgehakte gleuf glij den. Ik had hem nog terug kunnen trekken, als ik gewild had, zoo breed was die gleuf. Maar kwamen de korte, mollige vingers van mijn moeder dan overal ? Waarom zwaaide zij met de brief door de lucht alvorens hem omzichtig op de hoek van mijn schrij f taf el neer te vlijen ? En waarom ,deed zij zoo opgewekt, en liet ze zich zoo triomfantelijk zwaar op de divan vallen, zoo geechauffeerd en opgeblazen in haar gezicht? Ongeveer drie uur was het; ik was pas uit Leiden terug. ,,Dat is me ook een onaangename geschiedenis, Johan," begon mijn moeder, toen ze eenmaal zat; na elk opgeborreld zinnetje hijgd.e ze gretig als om geen seconde tijd verloren te doen gaan, ,jo,ngetj!e, jongetje, wat heb je uitgehaald ! Wat een vreeselijk mensch, wat een mensch, godwat-' n-mensch..." „Welk mensch?" vroeg ik, terwijl ik de brief, die opengebroken was, naar mij toehaalde. Ik had mezelf kunnen ranselen om mijn domheid. ,,Onze buurvrouw van het hoekje !" kondigde mijn moeder aan, alsof ze een hoofdstuk vo-or ging lezen uit de bijbel. Onafgebroken voelde ik haar zwarte oogen op mij gevestigd. Mijn hand speelde met de brief; mijn rug hield , ik zoo gestrekt mogelijk. Niet doorbuigen, dacht ik, niet doorbuigen voor die knappe matrone daar, die zich mijn moeder noemt.. . ,,'t Ergste was, dwaalde zij nog even gauw van haar onderwerp af, ,dat Eggie net van school kwam, toen ik met dat mensch in de gang stond te praten. Hij vroeg maar : wie was dat, wie was dat toch, moeder? 't Is een mooi voorbeeld, hoor, dat je die jongen geeft! En binnenlaten kon ik haar natuurlijk niet, want daar zat je vader; 't is te hopen, dat hij er tenminste niets van gemerkt beef t; die voortdurende h-o-of dpijnen bevallen me toch al niet de laatste tijd..." Maar al te goed wist ik, dat zij met de belangen van mijn vader, die die Maandag thuis was gebleven om zijn migraine, alleen rekening hield, wanneer haar eigen voordeel dat meebracht; aan het ontbijt nog had ik haar ontevreden blik opgevangen, toen hij ons dienstmeisje vroeg wat minder met de deuren te slaan... Daarop kwam dan het verslag van dat bezo;ek, in conversatietoon, met een half bedroefd, half schalksch verwijt in de stem, die voor het overige het bronstig gonzende moduleeren behield van wie zich zelf graag hooren spreken. Om half e,en had juffrouw Erkelens, een vischwijf van ongehoorde of metingen, bij ons aangebeld, blootshoof ds en met een blauwachtig schort voor. Daar ons meisje bij het bed opmaken minder goed gestoord koon worden, deed mijn moeder zelf open. Juffrouw Erkelens stelde zich niet voor, maar zei, dat ze daar en daar woonde, dat ze een brief had gevond-en en opengemaakt, en hier was de brief terug, en of het nu meteen uit mocha zijn. Er waren meisjes genoeg, zij had de verantwoordelijkheid maar. Anders zou ze de heele Waalweg oop stelten zetten! Ze had al genoeg meegemaakt met dat meisje, de heele winter, mevrouw, hadden ze in angst gezeten en slecht geslapen om dat kind. Het bleek, dat juffrouw Erkelens aan de moeder van Else Bohler de schrif telijke belofte had of gelegd haar ver te houd,en van de verleidingen der groote stad, een taak veel en veel te zwaar voor haar en haar zuster, die ook zoo jong niet meer waren. Het kwam allemaal door dat aardige gezichtje; toen juffrouw Erkelens en haar zuster jong waren, werd er nooit notitie van hen genomen. Opp dit moment kwam Eg binnen en werd na eenige stagnatie weggewerkt naar de huiskamer. Juffrouw Erkelens zei God te danken, dat ze de brief zelf uit de bus had ge-haald, daarmee was een groot onheil voorkomen, het leek haar wel een nette brief, maar of uw zoon voortaan dat meisje alsjeblieft met rust wil laten, anders z-ocht ze 't. verder. Ze lachte tegen iedereen, en ze had ook een vriendin, maar die zou 't slecht vergaan, als het zoo doorging .--- auto's, mevrouw! ze was katholiek, en had alles gebiecht wat er deze winter voorgevallen was, maar wat hielp dat, als er steeds meer bij kwam? Als Else Bohler niet zoo goed voor haar werk was, had ze haar al lang weggejaagd. Elerst was ze van plan geweest niets te zeggen en op de vastgestelde tijd zelf naar het Perseusplein te gaan om ,uw zoon eens goed het jak uit te vegen." En wat stond daar in de brief, daar in het midden? , S amen naar de bi,oscoop gaan," had mijn moeder vertaald. Ha ha ha, dat kende juffrouw Erkelens, naar de bioscoop gaan... ! Zij kende de studenten. En wat stond daar, heelemaal onderaan, eerst had ze gedacht, dat dat iets gemeens beteekenen moest, misschien wou mevrouw eens kijken?... Het was het woord ,hochachtungsvoll" geweest. „Hoe is het afgeloopen?" vroeg ik zoo kalm mogelijk, ondanks het nare smaakje in ,mijn mond. Mijn moeder mengde nu iets jammerends door haar stemgeluid. ,,Natuurlijk heb ik moeten beloven, dat 't uit zou zijn met dat meisje! 't Mensch was anders niet weg te krijgen, Johan! Wat een verschrikkelijke vrouw om daar bij me in de gang te komen schreeuwen! Doe zooiets toch nooit weer! Ze zei tegen me : wat is ie? Is ie student? Is is meester, of rechter? God god, en ik maar bang, dat je vader..." „Ik vind antlers, dat u de edele drijfveeren van die juffrouw... hoe zei u ook weer?... Er-kelens, wel wat licht telt. Jammer, dat ik haar niet op het Perseusplein zal zien." Ik wachtte even en zei toen: ,Overigens had u ook kunnen beloven, dat ik de Waalweg in brand zal steken." „Hoe bedoel je?" vroeg mijn moeder langzaam, terwijl ze me van het hoofd tot -de voeten opnam. Haar oogen, wijze, nederig bedroefde uilenoogen eerst, waren tweemaal zoo groot geworden, dreigend, zinneloos aanklagend, wijd omringd door de slap uitgestulpte oogleden die hun roode binnenkant toonden, totdat zij ze plotseling dichtklapte en weer gewoon ke:ek, op halve kracht. Ik herinnerde me die ontzinde blik van vroeger, van grootsch opgezette roofdierscenes uit mijn jeugd: alleen die blik en het andere zichtbare -er omheen, niet de geluiden. Ik herinnerde mij, dat ik dan altijd mijn vader verachtte en liefhad en mijn moeder haatte en bewonderde, en ^daaruit ontstond dan een soort wellustgevo!el, springend van de een op de ander, over mijn h,00fd heen, maar toch van binnen bespeurbaar, net alsof ik in een electrisch krachtveld stond. Eg, vier, vij f jaar oud, was toen al een kleine, grijnzende gnoam in een hoek. De l-eegte in mijn borst liet mij mijn zelfbeheersching nog. Off icieel, als een advocaat, die een fout in de instructie ontdekt beef t, sprak ik: „Het staat u vrij alles to beloven wat er door onze buren zoo al op het tapij-t wordt gebracht, of op de gangmat in dit geval. Ik vind het alleen wat zonderling, dat u mij in zoo'n belofte impliceert." Ik beet mij -op de lippen. Dat mijn moeder de woord speling evenmin zou apprecieeren als zij de term„ impliceeren" begreep, was minder erg dan dat ik mijn toevlucht moest nemen tot zulke middelen. Zij verrieden mijn zwakheid. Had ik gewone, simpele woorden gebezigd, misschien dat ik mijn kalmte dan reeds verloren had. Ik stond op en begon tegen het glas te trommelen van de openslaande deuren. ,,Ze zei ook nog," hoorde ik achter me op effen toon, ,,dat je, als er eerlijke bedoelingen bij je hadden voorgezeten, wel belet bij hen gevraagd had, nu ja, ze gebruikte natuurlijk een andere uitdrukking. Wat een onzin! Maar doe me nu het genoegen, John..." „Wat noemt u onzin: de eerlijke bedoelingen of het belet. .. ?" ,,Ze zei: bedoelingen om met dat meisje te trouwen heef t ie toch zeker niet? Stel je voor, wat een gesprek! Ik zei, dat daar natuurlijk geen sprake van..." „Verd,omme, wat gaat u dat aan ? ! Ben ik 26 of ben ik 16?!" Zoo onbesuisd had ik me op mijn hakken omgedraaid, dat ik even wankelde. Van mijn moeder ving ik een wel zeer onverwacht schelmsch en ingehouden plaagziek lachje op; maar toen ze mijn woedend gezicht gewaar werd, boog ze het hoofd omlaag en begon discreet naar de rood geborduurde pantof f eltjes te turen, die daar onder de rand van de divan al een heele tijd voor en langs elkaar heen gewipt moeten hebben. Ik begreep, dat ik het onderspit delven zou, als het zoo doorging. Wie zoo over zijn eigen l^eeftijd spreekt tegenover zijn moeder, is zeker nog geen 20; ik zag dit in op het moment zelf. Bovendien heb ik de eigenschap op niet meer dan een ding tegelijk het oog te kunnen hou den, en hier waren er al drie: mijn moeders offensief, mijn eigen ,bedoelingen" met een dienstmeisje dat ik niet kende, en tenslotte gegevensover datzelfde dienstmeisje, die die bedoelingen, zoo ze al bestonden, wel in een zeer ondubbelzinnige richting moesten stuwen. Om tijd te winnen zocht ik mijn stoel weer op. „floor eens, Johnnie," begon mijn moed,er, opkijkendd van de coquet spel:ende voeten, met haar hartelijk opgeboende visitelach ineens, „we zullen ',t maar niet te hoog opnemen, van die brief. 't Is te begrijpen, dat je op jouw leeftijd, als student, natuurlijk... enfin. Maar denk toch in Godsnaam een beetje om ons, vooral om je vader, die zich zoo uitslooft om die dure studie van je te kunnen bekostigen ! Ik hebheel erg sterkde indruk, dat je daar niet voldoende van doordrongen bent, we!? En dan, als j!e een meisje zoekt, waarom dan niet een kle'in beetje meer uit je eigen stand dan zoo'n..." Na even geslikt te hebben ging zij zachtjes voort: ,,Een meisje uit een goed,e familie, wat bemiddeld misschien, je weet, dat je vader..." Nog zachter, maar nu uiterst rad, alsof ze een lesje opprevelde :' „Je sluit je ook zoo in je zelf op, John, zoo was je altijd al, ik houd m'n hart vast, dat Eggie look zoo wordt. Je bent nooit 's vertrouwelijk met me. Heusch, jongen, ik weet meer van die Duitsche meiden of dan j... dan je wel denkt; laat je toch niet inpalmen door een aardig snuitje, die meiden dooen de •ongelooflijkste huwelijken hier in Holland; denk alleen maar eens aan de vieze ziekten die...'' Naast de opengebroken brief had zich zwaar en geleidelijk mijn rechter vuist gebald. Rustig lagen zij zoo naast elkaar, de vuist en de brief. Maar de woord,en waar ik naar zocht, die stoven voor mij uit, die werden ongrijpbaar, sloegen neer tegen de muren, als groote onzindelijke nachtvlin-ders, die ik er weer of pakken moest. En dan weer was het alsof ik die woorden alleen kon uitbrengen door ze overduidelijk uit een boek voor te lezen, dat scherp gesneden in mijn geest stond, streng omhooggehouden, doch bijna reeds neerzinkend door mijn ontoereikende krachten. Ik zei: „Ik heb me nog niet voldoende gegevens verschaft over de gezondheidstoestand van juffrouw Erkelens' protegee. Als het eenmaal zoover is, zal ik u zeker op de hoogte stellen. Inmiddels verzoek ik u u niet te bemo-eien met mijn persoonlijke a angelegenheden." Maar nu, eindelijk, brak de hel ook goed los. Als een panter was mijn moeder opgesprongen; haatdragend sproeiende oogen, waarvan het wit geel leek, draaiden om en ,om in een deegachtig vaal gezicht. Geen meter was er tusschen ons in; we stond'en daar in bokshoudingen, in spuwhoudingen; het was een jeugd die daar openstroomde, als een aangeprikte zweer, een huwelijksleven van haar. Wulpsche golven geluid kwamen diep uit haar borst vandaan; ik antwoordde met een heesche, overslaande, van walging trillende stem, het malste geluid dat ik ooit gehoord heb. Uitdagend, zinneloos en vulgair smeten we elkaar toe wat we maar kwijt wilden. Ja, dit was de afschuwelijke verandering in haar gezicht, in haar stem, die ik maanden j aren ? lang gevreesd had, onbewust. Om dit te ontloopen was ik student geweest, op eenzame kamers... Geen lepels, geen mevrouwen, geen studie- en zakgeld, waarvoor ik in dit huffs mijn geestelijke gezondheid opofferde, geen gedwarsboomde amourette met een Duitsch dienstmeisje, mijn moeder al leen! Er bestaat Been gezicht dat ik haat als het hare, dat hardgebakken mengsel van madame Hanau en koningin Luise van de schilderij van Goya, met een zoet sausje er-over uit de Hollandsche keuken... Maar, al voelde ik me ook ijskoud worden, inkrimpen, schrompelen als tot een zuigeling, met in zijn rimpelig snuit de weerzinwekkendste ervaringen van de ouderdom geschreven, ik stond daar nog, ik verdedigde mijn go-ed recht nog, want ik wist, dat ik op de plaats zelf sterven zou, als ik een duimbreed toegal. Dan was mijn leven verbeurd. Dan kon ik wandelingetjes gaan maken met mijn vader en meneer Steketee, arm in arm... je zult je f atsoenlijk gedragen hier in huis! Moet je weer voor je examen zakken?" ,,Ga liever hiernaast kl,essen! !" ,,Om onze goede naam hier te... te... te... met die snol!" ,,U bent zelf... u bent gek!" „Zwijg als je tegen me spreekt ! !..." Boem!! Door een zware, dreunend-e slag vlak onder ons werd deze dialoog onderbroken. Op mijn schrijftafel viel een waggelend vaasje om; de ramen trilden. In versteende ruziestanden waren we blijven staan, in afwachting of er nog meer komen zou. Nog een zoo'n slag, en h;et huis zou misschien van het aangezicht der aarde weggevaagd zijn... Alles bleef stil... Fluisterde mijn moeder daar?... ,,Fietje? ..." Fietje... Ontredderd liet ik me achterover in mijn stoel vallen, en tegelijkertijd onnoemlijk verlicht. Daar steeg de humor weer op, goddank... Ik zag, hoe mijn moeder een plakkerige lok van haar voorh,00fd streek, nog even bleef luisteren, en zorgvuldig luisterend naar de deur liep. Ze draaide de knop om, ze scheen de doodsche stilte in zich op te zuigen, ze zwol op. Ze zwol op van een nieuwe woede en verontwaardiging! Een beetje verfomfaaid kwam ze op het portaaltje aan, en daalde, zonder verder naar mij om te kijken, de trap af, ongenaakbaar en statig, een vaste klomp beweging schuin naar beneden; door mij ver naar links te buigen kon ik zien hoe als een gevelde, dikke houten speer de leuning door haar hand gleed. En al kon ik het ook niet formuleeren, zoo leeg was mijn hoofd, zoozeer werd alles reeds bedekt door de laffe nasmaak eener al te goedkoope overwinning, ik wist wat ze doen ging. Maar ook wist ik, dat die slag geen minuut later had moeten komen... Om halfzes trof ik aan de gedekte tafel mijn vader, ziekelijkbleek,watuitgeputvan het vele braken, maar niet bepaald ontevreden, en Eg, die mompelend uit de krant voorlas over de toestanden in Duitschland en daar geenszins mee ophield, toen ik binnenkwam. Mijn moeder droeg , met groote, verwilderd theatrale gebaren de schotels op tafel en bleef zeer zwijgzaam. Pas na het middagmaal maakte ik uit de gesprekken op, dat ons dienstmeisje, dat altijd zoo met de deuren sloeg, op staande voet door haar was weggejaagd, twee weken te vroeg. Ondanks de afzijdigheid, die mijn moeder verder tegenover mij in acht nam, en die ik desnoods op kon vatten als een stilzwijgende sanctie door overmacht, besloot ik haar in elk geval haar zin te geven. Wel bezielde me een bijgeloovig vertrouwen, dat ook een tweede keer juffrouw Erkelens weer aan de deur, mijn moeder weer bij me op het kamertje een of ander dienstmeisje gehoorzaam ingrijpen zou met deuren slaan, of een ruit breken, en mocht dat uitblijven, dan kon ik mij altijd toch nog zelf de krachten aanmatigen, die dienstmeisjes magisch schenken. In mijn verbeelding deed ik nog veel meer. Een verpletterende revanche ! Na mijn moeder het zwijgen opgelegd te hebben liep ik rustig de straat op, en belde aan in de Andromeda, straat om juffrouw Erkelens te vragen of dat haar gewoonte was: brieven openmaken die aan anderen waren .gericht. Onvriendelijk of sarcastisch zou ik niet tegen haar zijn, want was zij het tenslotte niet geweest die het met ,succes tegen mijn moeder had opgenomen?! Ik kwam daar dan niet alleen om rekenschap, maar vooral om inlichtingen : man van de wereld, die terloops komt info rmeeren of het met dat meisje van mevrouw niet over een andere boeg gegooid kan worden. Met dienstmeisjes had ik weinig ervaring, maar er moest een methode bestaan om zooiets op een volkomen correcte en onburgeriijke wijze of te wikkelen; ik dacht daar telkens over na, ik stelde mij .zelfs voor, dat ik juffrouw Erkelens stormenderhand vertoveren zou en haar zegen erbij, en toch deed ik het niet. Misschien uit lafheid. Misschien omdat ik door een nieuwe, zij het ook indirecte overwinning op mijn moeder al te tovermoedig vreesde te worden om mijn onvermijdelijke rol van ,zoon" tot een goed einde te kunnen brengen. Maar ook om iets anders nog. Het woord ,snol" was het, dat zich in mij had vastgehaakt, tegen mijn wil, buiten ieder redelijk overleg om, maar diep indringend. En aan dat woord hingen weer andere woorden van eenzelfde strek •king, „snol", ,Duitsche snol", ,Duitsche hoer", tot een giftig inetelig nnetwerk samengevlochten, met ,SO vizioenen er doorheeen geweven van gemeene brieven in die groote bus om het hoekje, ontoereikend biechten, en een vriendin die niet deugde. Kwaad te warden wanneer mijn moeder mij dat netwerk als een stinkende lap over het hoof d wierp was tenslotte lets geheel and-ers dan om de realiteit ervan te loochenen door een diplomatiek bezoek aan Else Böhler's bewaakster! En dan herinnerde ik mij die sluwe, lichtzinnige oogen weer, die mij dadelijk al hadden tegengestaan, niet om hun lichtzinnigheid zoozeer als -om hun hardheid en hun bijzondere glans. De molenwieken en de slecht zittende mantel voltooiden het vo^orwendsel. Woensdagavond iou ik niet naar het Perseusplein gaan. Maar ik had mij ook moeten voornemen's middags tusschen 4 en 6 op mijn voorkamer te gaan zitten werken.. . Door het glas van de gesloten deuren drong het rhythmisch hol blaf fend geluid van het mattenkloppen tot mij door. Een looper; pauze; weer een looper;'veel kleedjes ook. Ik zag het voor me, dat wil zeggen: mijn lichaam zag het, met duizenden fijne oogjes, en dan begon het van binnen genadeloos te kriebelen en te tintelen, en wilde mij meesleuren naar buiten. Hoezeer ik mijn gedachten trachtte te concentreeren of juist of te doen vloeien in leegheid, tegen die aandrang kon ik niet op. Waaraan nog te denken? Waalweg 27, het heele huis, tot het dak toe, scheen mij met kleine schokjes, als een koppige ezel, naar de rand te willen krijgen... Ik verlangde naar moreele steun en goede raad, ik verlangde naar Peter, maar Peter zat in Parijs, en talmde met terugkomeen. Een ander tegenwicht had ik niet meer over tegen bruine loopers, krullendeover een blauw-groen geschilderde lat, heftig geranseld door een lichtblauwe voorhamer... Ik stond op. Misschien was mijn kamertje reeds Else Bohler, Duitech Dlenstmeisje te zeer bezwangerd met de allures der willoosheid, doorspookt met de neertrekkende armen van vrouwen waar ik niet naar toe wilde... Voorbij de zachtjes opengestooten deuren deed ik een sluipende stap naar rechts, en liet heel langzaam het schouwspel van Zaterdag in mijn gezichtsveld glijden. Een pijnigende nieuwsgierigheid naar wat niets voor mij vertegenwoordigde en me toch zooveel te zeggen had hield mij op het plat gevangen. Natuurlijk zocht ik nu allereerst naar teekenen van verdorvenheid; ik stelde vast, dat het mooie blonde haar misschien wat grof was, en de uitdrukking van de mond, zoo en profiel preutsch en vroom, ineens sensueel kon schijnen. Zoo ver gevorderd was het proces van mijn verslaving reeds, dat ik rustig toegeven kon daar hoof dzakelijk te staan om mijn moeder te bruskeeren, geen reden overigens om het niet te doen, want bruskeeren wil men altijd, in zoo'n geval, en wie maakt uit of dat oorzaak of gevolg is van een verlief dheid ? Maar natuurlijk zou ik thuisblijven, Woensdagavond. Ze zou niet eens uit mogen. Al haar gangen werden nagegaan na die vreeselijk losbandige winter. Zonder gevaar to loopen kon ik kijken, kijken... Woensdagmiddag om half zes, de avondwind was al aan het opsteken, boog ik mij verder voorover dan ik eerst gedurfd had net te laat om haar nu eens goed aan het werk te zien, want daar kwam ze al terug gewandeld, losjes zwaaiend met de mattenklopper, de oogen onbeweeglijk op de achterkant van het huis gericht. Treuzelend zette ze het eene been voor het andere, alsof ze haar evenwicht verloor, ze keek naar boven, en zag mijn smeekend en verklarend gebaar over het hekje. Er ontspon zich nu een gebarentaal van twee slechte acteurs: boren met onze vingers, nerveuze diagonalen over de Sterrenbuurt, lachjes en schouderschokjes. Tot mijn verbazing zag ik die geestig opgetrokken markiezinnenwenkbrauwen weer terug, die ik heelemaal vergeten was, en die nu aan het gezicht een uitdrukking verleenden van koddige wanhoop. Keek ze dan weer naar het huis, tusschen de pantomime door, dan stonden haar oogen niet waakzaam, maar dom en lodderig (was dit een list?), en zoo gebboeid was ik door alles wat er aan dat veranderlijk gezicht op te merken vie!, dat ik, toen ze eerst vijf en toen nog eens drie vingers omhoogstak, acht uur! niet eens begreep wat ze bedoelde, en eveneens in het Wilde weg vingers ging opsteken, alleen om het genot van zoo te kunnen telegrafeeren met het verbodene... Pas toen ze weg was wilt ik, dat we elkaar 's avonds zouden zien. Zoolang ik met Else Bohler in de schemerige sterrenstraten wandelde, prettig vervolgd door de angst mijn m,o ,eder tegen het lijf to loop,en of juffrouw Erkelens, maakte ik haar tot mijn gelijke en sprak Duitsch met haar als met een philosoof. Ik overdreef niet alleen haar onbekendheid voor mij, het menschelijk raadsel dat ze mij opgaf, maar ook, willens en wetens, het peil waarop ze stond. Wanneer ze me niet begreep, knikte ze of zei zeer beslist joa", en deze zekerheid van Naar was, zoo meende ik, in beginsel toch geen andere dan waarvoor Kant duizend woorden noodig had gehad. In het avondlicht maakte ze trouwens een totaal andere indruk, die mij voorloopig gelijk scheen te geven. Het boersche rood viel weg, alleen het fijn:e der twee gezichten toonde zich. Zij was zonder hoed. Het achterover waaiende haar gaf de eerste groote verrassing van deze Woensdagavond vrij: een prachtig gewelfd, intelligent voorhoofd, fijn en breekbaar, en toch als gebeeldhouwd, zoodra het zelfstandig was begonnen te leven in een minimum van lantarenlicht. Ze vertelde me, dat haar moeder, een weduwe, in Keulen een fotografiezaak had, en dat ze eenig kind was. Juffrouw Erkelens' bezoek scheen ze als een grap te beschiouw'en ; wel had ze zich „erzurnt", was ,bretaal" genoemd, en had tenslotte gedreigd met weggaan, als ze Woensdagavond de deur niet uitmocht; maar het onderscheppen van de brief wekte pas haar verontwaardiging op, toen ik zei, dat dat toch „ziemlich stark" was. Mijn vaderlijk standje, omdat ze mij niet beter had ingelicht over de gevaren die ons bedreigden liet ze kalm langs zich heen glijden. Ik wilde meer van juffrouw Erkelens weten, ze bleef merkwaardig gesloten. De dwerg was volgens haar wel ,ein gutes M adchen" (ik schatte de dwerg achter in de dertig), met de aapmensch daarentegen kon ze niet overweg. Met dat al zat ik nog steeds in het onzekere over die winter, en die vriendin met de auto's. Vastbesloten, dat dit een avontuurtje moest worden, trachtte ik, in plaats van aan te sturen op een bevestiging of een bekentenis, haar op een eenzame, tochtige hoek railleerend een arm te geven, -die ze dadelijk wegstootte. Onder een licht sprongetje draaide ze zich een halve slag om, fel zag ik haar oogen glinsteren, en daar wandelde ze al weer naast me voort, zwaaiend met haar armen, kalm en vroom van profiel. was bedeutet das denn?" ,,Nich... tun." ,,Das ist doch ganz harmlos! Warum darf das denn nichit sein?" ,,Das darf man nur, wenn man verlobt ist." Het klonk categorischer dan Kant. Een katholieke Kant! De schrik sloeg me om het hart. Bovendien had ik nu haar oogen weer even gezien, de bolle en toch scherpe, ja ste kende bikkels. Behalve een strenge moeder en een geheele phalanx van pastoors, proefde ik achter dat opgedreunde lesje allerlei hinderlagen, zoo niet een banale huiche•larij. Verlobt! Ik verknoeide mijn tijd hier toch zeker? Want ineens wist ik het, stellig en onafwijsbaar : de aapmensch liegt of overdrijft, dit meisje is onbarmhartig fatsoenlijk, het preutsche mondje wint het van de oogen, de straatmeidenoogen bestaan niet, en als ze bestaan haat ik ze, en omdat ik ze haat wil ik er steeds weer naar kijken: Welk een gevaar ! ... Ik keek op mijn horloge. Loom probeerde ik het nog eens voor het laatst met de arm: hetzelfde resultaat. ,Nich... tun," en een snelle lichaamszwenking. Dus schraapte ik mijn keel en zei, dat* ik haar niet in ongelegenheid wilde brengen en of het niet beter was, als we e1 aar maar niet meer zagen. ,,Sorest gibt's noch einen Skandal, Else !" hield ik haar voor met alle goedgemutste vertrouwelijkheid van iemand die op , het punt taat de dans to ontspringen. Ze bleef een tijdje voor zich uitstaren en zei eind,elijk op mistroostige Loon: ,,Das u.berlasse ich Ihnen, das sollen Sie nur sagen." ,,O, mir ist es einerlei, nur fur..." ,,Sie hat gesagt, dass Ihre Mutter es night billigte, dass wir zusammen gingen." ,,Das ist aber wunderbar! Wer, die alteste?" ,,Und Bann hat sie gelacht." ,,Die hassliche ?" Joa" Niet spottend had ze me aangekeken, eerder meegaand, afwachtend, zonder bijgedachten. Ze taxeerde me niet, ze mat haar krachten niet met de mijne, dit was geen duel. Maar in mezelf woedde de geeseling van de spot, waartoe zij het recht zou hebben gehad... Ik lachte ruw. „Es geht meine Mutter nichts an was ich mache. Ich bin kein Knabe. Ich stehe auch nicht gut mit meiner Mutter.” ,,Das diirfen Sie nicht sagen!" ,,Gott im Himmel..." Besluiteloos stonden we weer op diezelfde winderige hoek. Wat moest er nu gebeuren? Ik wist het al, maar liet nog wat argumenten de revue passeeren. Om dat gezicht daar voor me, dat zuivere, vrije meisjesvoorhoof d, mocht ik in ieder geval geen lafheid begaan: een lafheid tegenover haar; tegenover mezelf bleef die even groot, welke weg ik ook zou inslaan. Daarbij kwam nog, dat haar berisping me niet alleen vrij vermakelijk voorkwam, maar ook verre te verkiezen boven een juister begrip van mijn positie op de Waalweg. Ongetwij f eld ligt er iets geruststellends in alleen maar op een der tien geboden onthaald te worden, wanneer men zich te veel blootgeeft. Wanneer zij gezegd had: ,Ach so...," met een listig en smalend lachje, zou ik onmiddellijk afstand hebben gedaan van Else Bohler. En zouden zelfs dan het platje en de mattenklopper mij met rust hebben gelaten? Mijn eer en mijn examen waren gelijkelijk in het spel. En die verloving? Och kom, verloving... Toen ik haar tegen half elf naar de ingang van haar straat bracht, was mijn lot beslist. Zelfs de aanduiding van een knix en het ,dag mieneer", waarmee ze afscheid nam, konden daarin geen verandering meer brengen. Daar het Perseusplein op den duur te gevaarlijk werd, ontmoetten we elkaar op de hoek van de Aldebaranweg, bij een publieke telefooncel, een luchtig, beglaasd getimmerte op bijna-vier pooten met grijze, vinnige klapdeurtjes. Even voordat Else Bohler zich verkleeden ging sloop ze vanuit haar slaapkamer op het platje om een steen op het hek te leggen ten teeken dat ik het huis verlaten kon; ik hoefde dan niet langer te wachten dan haar toebereidselen duurden. Uit vrees voor ontdekking koos zij doorgaans de kleinste steentjes, moeilijk -herkenbaar tusschen zooveel zwarte gedroogde vogeluitwerpselen, waarvan ik de wisselende landkaart tenslotte maar in de loop van de dag uit het hoofd leerde om uit te kunnen maken wat steen was en wat niet. Dat begon 's morgens vroeg al, voordat ik naar college ging, als er drie of vier matjes, vierkante, bruine martelaars, over de tat op Else Bohler's komst hingen te wachten. 's Middags stond ik er zoolang het kloppen duurde, en toch leed mijn werk er niet onder, zoo groot was de versche toevoer van levenslust en energie ook voor dingen -die mijn belangstelling niet eens opwekten. Vaak had ik bij de telefoon toch nog wel een half uur te wachten, waarbij het tergend lij zig gezang van opgeschoten meisjes achter de open ramen van een Kindertoevluchtsoord daar op de hoek mijn ongeduld markeerde. Aanvankelijk, zeker van mijn zaak, flaneerde ik een eind de Aldebaranweg op, een kwartier later schilderde ik al voor Kindertoevlucht, twintig pas heen, twintig pas terug, tegen half negen hield ik mijn blik onafgebroken op het Perseusplein gevestigd. Maar niet zoo onafgebroken of Else Bohler zag altijd kans te verschijnen, als ik weer met mijn rug naar het Perseusplein toe stond; nooit heb ik haar een hoek zien omslaan. Ze was bij me, ze zei ,, utntagg", zonder zich te verontschuldigen, en schudde genoegelijk mijn hand op en neer. Steeds verwonderde ik me weer opnieuw over haar eigenaardige postuur, en dat marcheeren op de plaats rust, als ze aan kwam loopen. Mogelijk waren haar beenen wat te kort, maar daar dacht ik eigenlijk nooit goed-over na, of ik accepteerde het als jets dat er heelemaal bij ho-orde... Dan spraken we ti,en minuten over juf f rouw Erkelens, die nog steeds niets wist, daarna over Duitschland en haar moeder, en in het bosch, waar we in een restaurant thee dronken, weer over juffr,ouw Erkelens. Wat boersch en onbeholpen zat ze op het witte stoeltje naast me, haar witte handschoenen in de rechterhand, de linker soms spelend met het kruis van gesneden ivoor, dat op haar Borst hing. Haar voeten zette ze graag op een houten voetenbankje neer. Wanneer ik te lang naar haar keek, schrok ze op, en begon, na een schichtige, guitige blik in mijn richting, dadelijk bedwongen door de overluifelende oogleden, die als blinden voor twee blinkende l'enzen de speelruimte van haar blik beheerschten, peinzend in haar thee te lepelen als een kind bij een verstrooid spelletje. Nooit wilde ze meer hebben dan een kop, die ze half opdronk (inderdaad net als kinderen, die ,visite" spelen en er niet aan denken, dat men die thee, die ze in hun kleine kopjes mogen doen, ook op kan drinken) en ze zei „dank u, mieneer" itegen den kellneer, maar zoodra ze Duitsch sprak, was ze weer uit het land der dichters en denkers ,, en al het verveeld aarzelende in mijn antwoorden kon door gebrek aan taalkennis verklaard wordlen, en iedere stelligheid werd on dersteund door het streelende van een goede beurt, en overdag zat ik wel een kwartier lang in de dictionnaire te snuff elen om maar niets te;kort to doen aan dat verraderlijk idioom. ,,Liebst du mich?. . ." neen: ,hast du mich gern" was beter. Toen ik ,hast du mich gern" te pakken had, hoefde er geen sprake meer te zijn van eenige weif eling. Het werd nu tijd voor de proef op de som. De onbevangenheid waarmee ze tot dusverre al mijn vragen beantwoord had, de ingetogenheid van haar optreden, de moralistische stelregels, die ze nu en dan ten beste gaf, daarnaast van mijn kant een begrijpelijke schroom om al te vaak het onderhoud tusschen juffrouw Erkelens en mijn moeder aan te roeren, hadden mij de eerste twee weken weerhouden van een directe vraag naar haar ,verleden' . Onze omgang leek nog het meest op een kameraadschappelijke conversatieles in het Duitsch; maar daar tusschendoor beloerde ik haar, bestudeerde haar gezicht, lette op al haar uitlatingen, en bedacht sluwe toespelingen, die ze zwijgend negeerde, met haar fijne eigenwijze wenkbrauwen wat hooger dan gewoonlijk en de neus lichtgebogen. Veel verder - bracht me dat niet. Toch wilde ik zekerheid. Daarom, bij wijze van experiment meende ik greep ik in het tweede donkere laantje achter het restaurant haar hand en stak mijn arm door de hare wat Naar op mijn desbetreff ende vraag de opmerking ontlokte, dat men zooiets alleen deed als men elkaar beter kende. Die criteria waren blijkbaar nogal aan verschuiving onderhevig. Hoewel de aanraking mij op de bekende manier duizelig maakte, hield ik scherp mijn doel voor oogen, en, minder zinnelijk opgetogen nog dan nieuwsgierig, vroeg ik, zooals ik mij voorgenomen had: , H ast du mich gern ?" joa," zei ze, zacht en beslist, en meteen lagen onze monden op elkaar, precies tusschen twee door stoofzieke paren bezette banken in, waar 't doodstil en donker was. Haar lippen waren buitengewoon week, wat te slap, vochtig, en volslagen on beweeglijk. Haar adem rook ouderwetsch naar iets dat op lavendel leek, ik herinnerde me die geur uit mijn jongensjaren, eens toen ik ziek lag en mijn moeder telkens door mijn slaapkamer kwam ruischen... Maar nu zou het boekje van haar instincten en emoties worden opengedaan! Terwijl haar lichaam in mijn armen weerbarstig bleef, sondeerde ik naar de losbandige winter met mijn tong; de groote, gladde tanden bleven stiff op elkaar gesloten, ik knabbelde een beetje, en ineens week ze achteruit, in een diep gewond gebaar, zoo instinctief als ik maar had kun- +nen wenschen, haar hand half in de hoogte als om haar mond of te vegen. Twee of drie seconden toen sloeg ze in zelfoverwinning haar armen om mijn pals. „Nast du mich wirklich gern?" „ Mijn programma versnelde zich onder de drang van mijn gevoel: ,Hast du vorher schon einen geliebt?" „Ich habe nie einen lieben konnen, das waren alles nur ugendstreiche." jugend- ft.0 streiche... hier in Holland?" „O nein, in Köln." In een lichtere laan liepen we nu, een beetje wankelend, .stiff in elkaar gestrengeld; het was half tien, om half elf moest ze thuis zijn. Ik zei: „Du willst doch nicht behaupten, dass du niemals gekusst worden bist ?" „O, kussen !" kwetterde ze opeens vroolijk, terwijl ze mijn arm van haar middel afschudde, ,das hat ja keine Bedeutung." ,Na, wie ich dich gekusst habe, 'damit verhalt es sich doch anders." „Das is wahr." „Ich meine," zei ik, diep ademhalend, weerloos tegen wat ik nog steeds voor mijn nieuwsgierigheid hield, „man hat... Frau... Fraulein Erkelens hat gesagt, dass du... ich meine mit dem Kussen.. . and die Freundin... verstehst du was ich meine?" Prompt maakte Else Bohler zich van mij los en begon, kordaat met haar armen zwaaiend, aan een verhaal. Ze begreep wel, dat ik haar verdacht; ze had er zich allang over verwonderd, dat ik ondanks deze verdenking, toch met haar ,,gaan"wou. Eigenlijk droeg haar moeder van alles de schuld, door- .dat zij aan juf f rouw Erkelens die brief geschreven had met het verzoek acht op haar te slaan; dat was heelemaal onnoodig geweest, dat had haar moeder ook wel kunnen weten. Daar de liefde en vereering voor haar moeder on- 90 begrensd waren (een week tevoren had ze mij het portret laten zien van een ietwat corpulente dame, geweldige boezem, rood, knap gezicht, dat met trouwhartige oogen heerschzuchtig de wereld in keek; meegesleept door een enthousiasme, dat toch even getemperd scheen door zelf spot, zei ze: „Meine Mamma", drukte er een haastige zoen op en borg het weer op), maakte ik al spoedig uit, dat zich achter de eentonige bedrijvigheid, waarmee ze in kinderlijk los van elkaar staande volzinnetjes verslag uitbracht van de winter met de vriendin met de auto's, hoofdzakelijk schaamte verborg van zich te moeten vrijpleiten: een gebrek aan vertrouwen van die kant kon haar best het gevoel schenken zelf gezondigd te hebben. Over auto's vernam ik overigens niets, en met de vriendin, een meisje eveneens uit Keulen, had zij nu al een heele tijd ruzie, nadat ze elkaar bij juffrouw Erkelens, waar de vriendin ook wel kwam, ,schwarz gemacht" hadden (dit „elkaar" won mij definitief voor Else Böhler), terwijl de losbandigheid had bestaan uit periodiek bioscoopbezoek en het rooken van sigaretten, waaruit juffrouw Erkelens, geautoriseerd door de brief van Frau Bohler, verder strekkende conclusies getrokken had. Mijn goedkoope sigaretten had Else steeds geweigerd, resultaat dan wellicht van het biechten. Verder kreeg ik niets van haar los. Op de grens van het Bosch en de eerste sterrenstraat, het gewetensonderzoek voor geeindigd verklarend, vraag ik middenin een zoen, of ze nu gelukkig was (gevaarlijke vraag, die ik niet bij tij ds inhield) , waarop ze knikte en peen poos scheen na te denken. Ik zag dat ze even slikte en diep adem haalde. ,Warum gehst du niemals mit zur Kirche?" -- ,Kirche ! ?..." „Oder gehst du immer zur Messe von elf Uhr?" „Ich bin doch nicht katholisch," stotterde ik in de grootste verbluftheid. Gedwee en wat sentimenteel had ze naar me opgekeken, maar nu, terwijl ze zich uit mijn omhelzing bevrijdde, gooide ze haar hoofd achterover: ,Komm, lass uns gehen," en, zeer beslist snaterend, op die toon van opgelepeld lesje weer, maar met een overtuigdheid, die heelemaal uit haar zelf kwam: ,,Das hatte ich mir nie denken konnen." „Aber Else, alle Leute rind doch nicht ka..." ,Ich darf mit keinem gehen, oder heiraten, der evangelisch ist, nie, niemals." „Aber ich bin nicht evangelisch !" „Also bist du doch..." ,,Nein, ich bin nichts, wenigstens in reli.. . konfessioneller Beziehung," ironiseerde ik, haar oogen vermijd.end, „sozusagen : nichts." Ze moest dit even verwerken, en begon weer, iets minder stellig: ,Darauf kann doch kein Segen ruhen..." ,Dass ich nichts bin?" „last du keine Lust katholisch zu werden ?" ,,O nein, Else," zei ik beschermend, ,das geht wirklich nicht." ,,Oder wenigstens in der Kirche heiraten... ich habe gehort, das sei moglich..." ,Gewiss, man kann auf die verschiedensten Weisen heiraten," doceerde ik met luchtige objectiviteit, en, mijn kennis van het kanonisch recht te hulp roepend: „Dann muss man aber versprechen, dass die Kinder katholisch werden..." ja, naturlich," viel ze in, alsof dat niet eens een punt van overweging uitmaakte. „Und ausserdem: bier in Holland sieht die hohere Geistreichkeit" (ik was al zoover heen, dat ik moedwillig mijn Duitsch begon te verhaspelen) „die gemischten Heiraten hochst ungern; Dispensation wird nur in Ausnah^mefallen verl,eiht, verliehen meinetwegen, weil die Leute schwindeln mit der Erziehung der Kinder, na selbstverstandlich... man darf ja annehmen, dass der liebe Herrgott diese Mischlinge auch ohnedies ein wenig schief ansehen wurde... ", en na een toelichtend gebaar naar de wolken, buitengewoon op mijn gemakdoor deze koele en verlichte spot op zooiets kleinburgerlijks als waar Else Bohler op aanstuurde: „Aber wenn du's besser findest, dass wir Schluss machen..." „Das hab ich nicht gesagt," hoorde ik haar toonlooze stem, als van heel ver. Toen pas keek ik haar aan. Else Bohler stond daar, zonder zich te verroeren, haar armen slap neer langs haar zwarte regenmantel waarin ze erg slank leek. Geknakt, onherstelbaar gebroken, alsof het naar een inwendig vonnis aan het luisteren was, hing haar hoofd naar de grond; heel ver kwam het schemerig be lichte, koppige voorhoofd van Engelsch kostschoolmeisje naar voren; voorhoofd en neus vormden een nobele hoek. Was dit !een van de onbekende gezichten, die zij steeds achtergehouden had, dit streng klassieke en toch als gemartelde schoon?... De snik, die bij die stom gebeeldhouwde wanhoop paste, welde op in mijn eigen keel. Al zou het nog zoo zelden te zien komen, dit prof iel althans mocht ik niet verliezen. In een sprong was ik bij haar en sloeg mijn arm om de koude, gladde mantel heen. ,,Nich.. . tun," het tweede woord bijna onverstaanbaar. ,,Aber. Else, dus sollst nicht so verzweifelt dreinschauen! Was willst du denn? Ich habe es doch gut mit dir vor! Es ist doch nicht meine Schuld!" Dit nu was het punt waarop ik haar, onuitgesproken doch lang niet onbewust, in de waan begon te brengen van huwelijksplannen mijnerzijds, die, tragisch genoeg, enkel en alleen of moesten stuiten op de pastoors: een ,vroom" bedrog, en zonder eenige risico. Dank zij diezelfde pastoors, die mij Else Bohler ontnamen als toekomstige echtgenoote en tienwerf teruggaven als straf f eloos te achter volgen stuk wild, werd ik verlost van alle waakzame zelf bezinning. Ik zou Else Bohler kunnen verleiden al had ik aan die mogelijkheid nog niet eens gedacht en dan nog met haar willen trouwen ook! Alleen zou ik iedere toespeling dienen te vermijden die mij in gevaar zou brengen te moeten toegeven, dat er van die huwelijksplannen geen sprake geweest was, voordat de pastoors ze ongevaarlijk hadden gemaakt. Nu, zoo moeilijk was dat niet. Reeds begonnen mijn woorden zich naar priestersluwheid te modelleeren. Met een bijna scholastisch welbehagen aan haarkloverijen somde ik op waarom ik erstens niet Katholiek kon worden, zweitens niet Katholiek kon trouwen, drittens geen Katholieke kinderen kon hebben. Het leek wel, of een negatieve pastoor mij dit alles dicteerde, diabolus est deus inversus... Geen enkele van die argumenten, die wel als druppels water op elkaar geleken zullen hebben, drong overigens tot haar door. „Ich werde es mir uberlegen," zei ze eindelijk, strak en , vertwijfeld voor zich uitstarend, „ich habe kein Gluck, alle Leute die mit mir gehen wollten waren evangelisch..." „Gib mir nur einen Kuss!" viel ik haar vastberaden in de rede, geen ijdele praat meer duldend, en reeds begeerig op zoek naar haar mond, dezelfde mond waarrond het lachje gespeeld had, dat begon ik me nu pas te realiseeren. Het lachje, dat van veraf zoo mythologisch ongrijpbaar was geweest, en nu zoo goed bleek te kunnen smaken en zelfs naar lavendel rook... ,,Nick... t... Ich muss nach Hause. Ich werde es 'mir ube'rlegen." Ze rukte zich uit mijn armen los, ze verzette zich, krachtig en onbehouwen. „Nick... t..." Toen ik na een vrij afmattend geschermutsel, waarbij ze mijn wijsvinger half ontwrichtte, alleen een zoen op een van haar ooren had kunnen drukken, maakte zich een dreinende woede van me meester, plotseling, god weet van waar. ,Duitsche snol", zei jets hardop in mezelf, zoo -hard dat ik ervan schrok, ,ik zal zeker alles gelooven over sigaretten rooken! Duitsche snol. Duitsche snol." Welke woede was het? , Vernedering, gekrenkte ijdelheid, gewekte en gedwarsboomde hartstocht, woede tegen pastoors, woede omdat ik. pastoors dankbaar moest zijn, schaamte om mijn dubbelzinnige houding... „Also auf niemals Wiedersehen!" snauwde ik haar toe. Dat rijke Duitsche idioom... Maar - hoe verlangde ik naar haar mond, hoe werd dit verlangen nog aangewakkerd door elk ,Duitsche snol", dat ik bij mezelf vol zinnelooze haat en verachting prevelde. ,Gruss Fraulein Erkelens von mir," zei ik bijtend, terwijl we ongearmd naast elkaar voortstapten, want ik kon haar toch niet alleen door de sterrenbuurt laten trekken waar ze de weg niet kende, „und das gute Madchen auch, bitte!" -„Vielleicht gibt's auf dem Waalweg ein katholischer Herr der mit dir gehen will," hoonde ik verder. „So musst du nicht sprechen. Ich werde es mir uberlegen.. 0" Na een ondraaglijke tien minuten kwamen we bij de telefoon terug, waar we ook altij d afscheid namen. ,Bis Sonntag," zei ze -mat, steeds met haar hoofd voorover, en zoo verliet ze me, net toen de klok tien uur sloeg. Er liepen nog meer menschen in de richting van het Perseusplein ; zij werden door Else Bohler ingehaald, die maar weinig met haar armen zwaaide. Langzaam volgde ik de stoet, steeds met dat ,Duitsche snol, Duitsche snol" in mijn o-oren, al geruststellender, al doeltreffender... Neen, dit was voor het laatst geweest... Het kon me niet schelen. Als ik die groote, weeke mond maar had kunnen uitsnij den en meenemen naar de Waalweg, dan had Else Bohler met haar domme loddero-ogen heel-emaal naar de he! mogen.. . ,,Goerenavond, meneer Roodenhuis!" Het kostte eenige moeite om in de magere dame, die op gelijke hoogte met mij voortwandelde, meer naar de rand van het trottoir, mevrouw Steketee te herkennen, die mij belangstellend opnam en dan weer voor zich uit tuurde, in de verte, waar de zwarte regenmantel juist om de hoek verdween, blinkend onder een lantaren. In haar smal, slechtgebouwd paardengezicht waren de -oogen dichtgeknepen. Nadat ik teruggegroet had, snoof ze en zei met een stem als een scheermes over leer: ,,Schiet u op voor uw examen?" ,,Neen, mevrouw." ,,Och kom... ik hoor u anders weinig pianospelen de laatste tijd. Moet u ook deze kant op?" ,,Neen mevrouw, de andere kant..." ,,Wat noemt u de andere kant?" ,,Excuseert u me, ik heb wat hoofdpijn," mompelde ik, mijn hoed even aanrakend. Ik had haar kunnen vermoorden. Ik had haar moeten vermoorden, eerder dan Steinmann. Met een gemelijk lachje riep ze me achterna: , ,,'t Beste met uw hoofdpijn, meneer Roodenhuis!" Die nacht, onrustig woelend, droomde ik voor het eerst, dat ik met kamertje en al van de Waalweg afvloog, een vage, verwarde droom, waarvan ik weinig zou kunn-en navertellen. De Donderdag en de Vrijdag doorstond ik door ijverig aan de lichtzinnige vriendin te denken: een souverein hulpmiddel dat zich in en uit liet schakelen naar believen. Werd mijn angst om Else Bohler te verliezen al te ondraag lijk, dan nam die vriendin niet minder dan kolossale afmetingen aan, een Duitsche snol in optima forma, een echte hoer van Babylon, om even later weer in te krimpen tot menschelijker proporties. Tot de onmogelijkste foef j es moest ik mijn toevlucht nemen om het geval Else Bohler maar philosofisch te kunnen blijven beschouwen en mijn emoties buiten spel te laten. Hielp niets meer, dan speelde ik wat met de gedachte aan een Katholiek huwelijk; ik zag me dan aan het hoofd van een degelijk gedekte tafel zitten Mr. J. L. Roodenhuis, advocaat-procureur, of een beetje flesschentrekker met zes blonde, boloogige kindertjes aan weerskanten, die allemaal kruisjes sloegen voor het eten en hun gebedjes opzeiden in gebroken Duitsch, en toen zich dat beeld maar aan me bleef opdringen, tergend eentonig, nam ik plotseling het besluit Else voor te zijn en Zondagavond niet naar haar toe te gaan. Wat ik Zaterdagmiddag op het platje te zien kreeg sterkte me in dit voornemen. Ik stond er hoof dzakelijk om haar nog eens te kunnen gadeslaan, zooals ik dat Donderdag en Vrijdag al gedaan had: met een witte stofmuts op, vermoeide kringen om haar oogen die, leeg en verwaand, als uitgebluscht, hoogstens twee of drie keer schichtig naar boven dwaalden, en om dan te kunnen zeggen: ,,Kijk, een dienstmeisje. En niet eens zoo aardig." Maar het was Else niet die zich vertoonde, doch de oudste juffrouw Erkelens. De laatste tijd had ik haar zeldlen meer gezien. Met haar rug naar mij toe was ze bezig een paar hemden aan de ijzerdraad op te hangen; maar ineens, alsof ze mijn spottende blik voelde, draaide ze zich met een ruk om, en iets wits en verbetens staarde naar boven uit donkere moordkuilen van oogen. Ik floot al naar de blauwe lentelucht, toch niet geheel op mijn gemak. In elk geval Else Bohler, Duitsch Dienstmeisje verdedigde ze haar kieken goed, juffrouw Erkelens: zoo wit van haat, zoo bruusk van beweging, met zulke strij dlustig achteruitgestoken schouders... Het zonderlinge was nu, dat ik als het ware partij voor haar begon te trekken en mij voortdurend voorhield, dat zij gelijk had en dat ik mij had gedragen als een kwajongen. Haar verschijning werd zoo bijna geruststellend. Om geheel zeker te zijn had ik nu alleen nog Else Bohler zelf noodig. Iedere zwakheid moest vo-orkomen worden door de ordinaire roode wangen, het flets of bikkelachtig oogenpaar, zoo mogelijk van dichtbij aanschouwd. Zondagochtend, kwart voor negen, zat ik dus in de voorkamer met de kat op mijn schoot opmerkzaam de linker vensterrand te observeeren. Zoo kon het niet missen; om negen uur kwam ze altijd voorbij, soms kauwend. Ik zat daar als voor een demonstratie. Zag ze er zoo uit als op die eerste Zondagmorgen, dan was alles afgeloopen. Ik zat daar als op een cursus in het harden tegen Duitsche dienstmeisjes. Vijf minuten voor negen, drie minuten, was dat Eg soms in de achterkamer, Eg, die anders nooit voor tienen opstond? Door het bruingele glas van de suitedeuren zag ik hem een kop inschenken van de thee, die ik voor mezelf gezet had. Ik werd onrustig. Ik moest nu twee dingen in het oog houden, minstens 120 graden van elkaar verwijderd, maar daar stak hij zijn ongekamd hoof d al door de spleet, hij lokte de kat met knippende vinger, alsof hij mij niet eens zag, en zei eindelijk, tusschen een paar krolsche bromgeluiden door om het beest op te hitsen: „Wat voer jij bier toch altijd uit 's Zondags?" Het raam loslatend met mijn blik, een hand kalmeerend op het woelende kattevel, snauwde ik: „bonder op." ,,Denk er niet aan!" „bonder op, of ik sla je je hersens in!” je heb al zoo vaak gezegd, dat ik geen hersens heb, Johnnie," zei hij verstrooid dedaigneus, en knipte tegen de al recalcitranter kat, die Eg trouwens niet mocht, en die nu, na zich onder mijn handen klein gemaakt te hebben, op de grond sprong. ,Poes... Poes... Vogeltjes ! ... Ksss ! ..." Plotseling vloog zijn uitgestrekte hand hooger de lucht in zijn zwarte oogen openden zich in verbazing, hij grin . ni to : ,,Kijk, verdomd, daar heb je die meid van 't hoekje weer !" ,,Ga je weg? Godv. . 0" ,,Die Duitsche meid! Heil Hitler!!" Woedend liep ik op hem af. Hij danste terug, hevig geschrokken, toen mijn rechter vuist op zijn neus afschampte, en zijn arm neersloeg, die voor een derde gebaar, de Duitsche groet, nog hooger Wilde komen. Doodsbleek sprong hij achteruit, iets mompelend over mijn moeder. Even had zijn onderlip gebeefd, zielig weerloos. Ik had hem nog nooit eerder geslagen. Toen ik omkeek zag ik Else Bohler langzaam achter de rechter rand van het raam verdwijnen; ze moest daar een paar tellen hebben stilgestaan, verlangend mij te zien.. . „Ploert," zei Eg toonloos, met zijn hand overdreven zijn neus afdekkend, „je kunt je pooten thuishouden, rotvent. Anders zeg ik 't aan moeder." ,,Wat, dat ik je geslagen heb?" ,,Nee, zoo laf ben ik niet." Onwillekeurig moest ik lachen. Ineens veranderde zijn houding. Hij begon opgetogen en onnoozel te grinniken, liep met o-beenen op de suitedeuren toe, als een rachitisch kindje (hij had werkelijk eenig acteurstalent), en draaide zich weer naar me om met een opgeheven wijsvingertje "Dan sakkanmoessie segge, dat johnnie hier afspraak maakies do-en met meissie en dan Johnnie over knie gaan en..." "Nou, duvel nou maar op," zei ik goedmoedig. "En dan Johnnie op zijn bilties krijg. Daq John!" Kort na deze triomfantelijke afscheidsgroet hoorde ik hem op de gang en op de trap. Wile zal bepalen hoe diep zijn woorden mij nog 'geraakt hebben, ondanks hun belachelijke inkleeding? 'Vie zal bepalen waarom ik 's avonds tach naar Else Bohler toe. ben gegaan? AIleen uit koppigheid? Aileen omdat ik haar eerst nog wilde zien aivorens alies te verbreken? .. Zoo pijnlijk scheen de herinnering aan die Woensdagavond voor haar te zijn, dat ze er niet aIleen niet rneer over wilde spreken, maarlookniet naar het bosch terug wilde waar alles zich had afgespeeid. Dat b-osch Ieed nu aan een kwade betoovering. Dus gingen we naar een verderaf gelegen park met vijvers, waar ik haar, na mijn belofteover al die onaangename beletselen verder te zwijgen, tevergeefs op een der bankjes trachtte te krijgen, die trouwens bijna allemaal bezet waren door paren in ingewikkelde houdingen. Ze wilde er niet eens naar kijken. "Nich,t. ..," zei ze, en darn liep ik maar weer door, half verbaasd over het gemak waarin ik me in deze tweeslachtige toestand schikte, die overigens in zijn voorloopigheid precies berekend scheen op mijn tijdelijke staat van examenvosser die afleiding en troost noodig heeft, Het werd nu een oppervlakkig spel; zelfs de neiging om Else Bohler lichamelijk re veroveren verdween in die algemeene ontspanning. Ik liet haar verteIlen, over haar moeder, over Keulen, en haar leven daar. Over "Jugendstreiche" kreeg ik weinig te hooren, weI over een jongen man, een student, die, gedwarsboommd door haar moeder of door haar voogd, van liefdespijn was gestorven toen ze 16 was. Misschien had die student ook we! wat aan zijn longen gehad, maar daar liep ze vlug overheen, hoewel ze h-et niet verzweeg. Later had ze een huishoudschool bezocht en was toen naar Holland gekomen om redenen, die mij verborgen bleven; v000r zoover ik kon nagaan niet uit f inancieele noodzaak; in de fotozaak kwamen Our feine Leute, Studenten"; haar moeder, vroeger in goeden doen, had in de inf latietij d veel geld verloren; nu ging het weer beter. Haar vader was in de oorlog gesneuveld. Eens in de twee weken schreef haar moeder haar, dat ze terug moest komen, en „Ich muss tun was meine Mutter sagt," zei ze, helder articuleerend, zonder evenwel in mijn richting to kijken, wat toch gepast zou hebben bij dit dreigement. Ik vroeg Naar, of ze dan in de zaak helpen moest. „Das nicht..." „Du bist doch majorenn," zei ik droog. Zwijgen. „Du bist doch 21!" „Das is wahr." We liepen verder, en ze begon opnieuw. Neen, ze zou zeker weggaan, plotseling, onverwachts, als ze maar eenmaal haar machteloosheid tegen juffrouw Erkelens overwinnen kon, ze wist alleen niet wanneer. Plannen maakte ze nooit. Ik vroeg haar, of de aapmensch Zaterdag niets gezegd had. ,Doch," kwetterde ze lustig, ,aber ich babe mir nichts anmerken lassen! Sie sagte: na wem kijkt u da immer na bof e ? Aber da sagte ich gleich: zu Herrn Roodenhaus, darf ich das denn nicht? Dat moet u doch niet tun, sagte sie denn, er schaut immer hinab, der Kerl, and Bann hat sie auch gesagt, ich sei bretaal, joa!" „Behr schlau von dir, Else," prees ik haar, „du musst immer denken, dass du kein Kind mehr bist! „Das is wahr." Else Bohler's armen zwaaiden ver opzij en begonnen toen met heftige, linksche gebaren een verhaal te illustreeren over een carnavalsbal in Keulen, waarop zij zooveel als het middelpunt was geweest. Tjilpend met hooge kanariegeluidjes boven haar muzikaal orgelend stemgegons uit, soms bijna rhythmisch scandeerend, beschreef ze haar costuum, de costuums van de mededingsters, de versierde zaal, de prijs die zij behaald had de kleuren van haar halsketting die in het gewoel verloren was geraakt „gestolen ? Nein, das glaub ich nick" -- in precieze, concrete bewoordingen, zakelijk bij alle uitgelatenheid waarmee ze in die herinneringen zwelgde. , Ein grunes Hutchen mit einer roten Feder meine Mutter sagte du bist noch viel zu jung um zu tanzen aber da kam ein Herr, ein alterer Herr schon, and als' ich sagte ich konnte nicht tanzen, da sagte er: aber Fraulein, so etwas, das gibt's doch nicht and dann hab ich getanzt, getanzt..." Opeens begon ze zachtjes te zingen, een of andere filmschlager, met een hoog, teeder kreunend stemmetje, voorzichtig, alsof ze niet goed durfde om mij. 'Ten ik haar wilde omarmen, aangestoken door die levenslust, deed ze haar gewone sprongetje opzij, een lantaren scheen in haar bolle, glanzige oogen, en daar snaterde ze al weer: „Bald bin ich uber alle Berge! Ich mochte so f urchtbar gern zuruckgehen. Herrlich! Man hat nur eine Heimat! Koln ist so schon, so schon..." Haar armen bewogen zich alsof ze aan het zaaien was twee velden tegelijk. ,,Wenn ich plotzlich fort bin, merk dir das: dann lege ich drei Steine hin auf den Balkon, dann weisst du Bescheid." ,,Dann kann man doch besser schreiben. .. 77 „O, ich mochte doch lieber nicht schreiben." „Wenn du..." Maar neen, mijn onverschilligheidsvertoon was niet langer houdbaar, ik merkte het aan mijn stem die niet mee wilde. Ik hield mijn pas in en haalde haar naar .mij toe. Ik tilde haar kin op. Met de has van een pere-noble zei ik haar, dat ze nog een echt kind was en geen dwaze dingen moest doen zonder mij te raadplegen, dat ze alleen doen moest wat ik goed vond en mij vooral geen verdri,etdoen, en zoo meer. En we moes,ten maar altijd bij elkaar blijven, en als ze bij Erkelens weg wou, dan kon ze toch beter een andere dienst zoeken, in Duitschland waren -de toestanden zoo -slecht.. . Het had verbazend veel weg van een catechismus. Volkomen gedwee zei ze op alles ja en neen, telkens op dat verlegen naar boven buigende toontje, alsof haar antwoorden tegelijkertijd vragen waren, waarmee ze mijn volgende vraag wilde uitlokken. ja?" „N ein ?" Het pleit was gewonnen. Deze nieuwe vaderlijke tactiek volstond om mezelf tot een kalm en evenwichtig bewoner van de Waalweg te maken, tot de dag van mijn examen. Waarschijnlijk zou ik het op den duur wel niet kunnen stellen zonder dat huwelijk op de achtergrond, maar dan listig en nauwkeurig gedoseerd, bijvoorbeeld zooals ik nu reeds deed, meer om me te oefenen in de vorm van een opmerking over mijn latere werkkring, die tot niets verplichtte. Ongeloovig vroeg ze, of ik dan „doctor juris" worden zou, en even had ik het misselijke gevoel een kind een blinkend stuk speelgoed voor te houden, dat weer opgeborgen wordt zoodra het er naar grij pit.. . Na een uitvoerig afscheid bij de telefoon marcheerde Else Bohler weg, in haar wit kleedje, de zwarte regenmantel over haar arm geslagen, voor het eerst, op deze warme avond. Herhaalde malen draaide ze zich om om te wuiven, en hoewel ik, beschamende constateering, duidelijker dan te voren zien kon hoe kort haar beenen waren, hoe zij haar f orsche heupen niet op de helf t van haar lichaam had zitten, maar zeker een decimeter lager, toch voelde ik me zoo tevreden als men zich maar voelen kan met iemand, die met ^ons de strategische punten beheerscht van een omgeving die wij haten... Voor mijn moeder werd Peter zooveel als „je Parijsche vriend," sinds hij weer terug was en de karig beschreven ansichten dus uitbleven, die mij gesterkt hadden in mijn afweerformule: minnarijtje of tijdpasseering met een dienstmeisje. Ik nam mij voor hem weinig op te zoeken en over Else Bohler te zwijgen, niet omdat ik hem wantrouwde, maar uit vrees voor de nawerking van dat wintergesprek over liefdesovergave. Daar ik mijn moeder nooit over Peter had gesproken, kon zij denken, dat hij in Parijs woonde, en er zich over verwonderen, dat hij niet meer schreef: „Waar zit je Parijsche vriend nu?" Het leek mij eerder een blijk van bemoeizucht dan van nieuwsgierigheid, zoodat ik de vraag onbeantwoord liet. In deze tijd stelde zij alles in het werk -om haar invloed op mij te heroveren, voorzoover dat ging zonder nieuwe schade, aan haar waardigheid toegebracht, het liefst dus zijdelings en onverwachts, profiteerend van verslappende waakzaamheid of een goed humeur. Bijna roerend onhandige toenaderingspogingen wisselden of met listige zwenkingen naar de tegenpartij Eg, die twee dagen nadat ik hem geslagen had een nieuwe fiets kre-eg en een week later zelfs dansles mocht hebben, met bijbehoorend galacostuum, jets dat mij behalve in onze omstandigheden verkwistend ook volkomen ongemotiveerd leek, want hij danste al genoeg door het huis en op het dak zelfs, waar hij bovenop klom om mij te hinderen bij mijn werk. Maar mijn moeder keurde alles goed wat hij deed. Zij verdedigde hem tegenover mijn zuinigen vader, aan Wien de grafische voorstelling eener groeiperiode in kleermakersrekeningen niet besteed was. Aan tafel streelde ze zijn hand, als ik het zien kon, wat hij: zich innig grijnzend liet welgevallen, zijn kin sentimenteel weggetrokken, zijn bleeke, vleezige mond voortbrabbelend aan een of ander betweterig verhaal, waarbij mijn vaderss blik koel of wij tend, maar weerloos op den jongen rusten bleef totdat hij ophield. Toen ik de langverwachte poeslieve vraag, of ik dat Duitsche meisje nog wel zag, waarop al dat andere gepreludeerd had, stuursch en monosyllabisch had beantwoord, schoot mij de gedachte door het hoofd, dat ik op , de Waalweg een leven zou kunnen hebben als een prins, als ik mijn moeder maar volledig in vertrouwen nam. Een gevaarlijke verleiding was het. Want dan zou ik haar ook alles, letterlijk alles moeten opbiechten, mijn plannen, en mijn intiemste gedachten, en hoe Else zoende en zich liet zoenen, en raadgevingen zou ik aan to hooren hebben en „il f aut que j-eunesse se passe," ik stelde me dit altijd zoo voor: mijn moeder draaiend voor de Spiegel in haar bontmantel, met de rug naar mij toe, doende alsof zij eigenlijk heelemaal geen belang stelde in wat ik aan de tafel als een in haar net verward insect gonzend verhaalde, tegen mijn wil leegblo,edend in schier schuldbewuste confidenties. En wat zou het einde zijn? Zou ze, wanneer ze mij geheel ingesponnen had, geheel leeggezogen, toch nog niet vanuit een onvoorziene hinderlaag toeslaan, een hinderlaag die ik zelf verbloemd en mogelijk gemaakt had door mijn kinderlijk vertrouwen? Na de mislukte vraag maakte zij een omtrekkende beweging, wat me ten duidelijkste bewees, dat ik nu genoeg ontzag inboezemde om geen rechtstreeksche aanval meer te vreezen te hebben, en zond handlangers op mij af. Ik kon vaststellen, dat Eg mij twee keer op zijn nieuwe fiets tot bij de telefoon achterop reed, snel onzichtbaar, als Else aan kwam stappen. Op het balconnetje hoorde ik mijn moeder lets aan ons dienstmeisje vragen over „die Duitsche meid op het hoekje," een vraag zonder eenig belang, dus voor mij bestemd. Van haar vriendinnen leende zij romans; behandelden die toevallig mesalliances met dienstmeisjes of winkeljuffrouwen, dan ratelde zij de inhoud af onder het middageten, haar -oogen bedenkelijk opengesperd over al die -onervaren jongelingen, rijke studenten en leeraren met een zinnenleven, die er aan ten offer waren gevallen. (Fens betrapte ik haar met het boek van een bekend damesauteur, dat door velen beschouwd werd als verkapte pornograf ie ; met een kleur sl,oeg zij het dicht.) Mijn trotsch werkstuk, de bezegeling van mijn innerlijke zelfstandigheid, leverde ik op het eerste damesavondje na mijn ontmoeting met mevrouw Steketee. Op mevrouw Brons na, die met onze Buren ,overhoop lag orndat zij, in de meening dat meneer Steketee te veel muziekboeken liet aanschaffen (daaraan verdiende hij ), haar vol. slagen onmuzikaal zoontje van vioolles had genomen, waren ze alien kakelend aanwezig. Reeds vormden mijn vader en meneer Steketee, die er bij mochten zijn, schuchtere rookwolkjes, toen ik om negen uur door de openstaande gangdeur binnentrad, en meteen stokstijf staan bleef in de donker gebleven achterkamer, omdat ik de naam ,Erkelens" opving. Ik bukte mij naar mijn schoenveter. ,,Ga jij er zelf maar heen !" hoorde ik mevrouw Steketee krassen, en ik ried het heftige, iedere tegenstand afsnij deed gebaar, dat mij altijd deed denken aan Bien dirigent waar haar man zoo bang voor was, ,,als meiden willen zingen, sta je toch machteloos." Het verwonderde mij allerminst, dat mijn moeder er overheen trachtte te praten. ,,De kunst om een goeie meid te houden, dat zie je nu aan onze Emmy, is... ,,Misschien kunnen we een briefje schrijven, of die meid niet d'r mond kan houden op de uren dat ik les Beef," opperde meneer Steketee, die aan de lichtelijk erotisch getinte verstandhouding, waarin hij, overigens meer bij wijze van afgesproken gezelschapsspel, tot mijn moeder stond, het recht ontleende om haar in de rede te vallen, „zoo on aangenaam zijn die menschen toch niet..." ,,Zoo onaangenaam niet?! Toen ik laatst over de schutting vroeg, of dat vervelende gekiop, met al dat ongezonde stof, niet vat minder kon om vijf uur, als we buiten theedrinken, tenminste met zuidenwind..." ,,Bied u in ruil aan om d'r zangles te geven, meneer Steketee, als ze werkelijk een aardig stemvolume beef t ; misschien helpt u de muziekwereld aan een ontdekking!" klonk de stem van mevrouw Velleman, een klein, waaksch, kronkelend jodinnetje, vrouw van een leeraar in de klas. sieke talen, maar zelf weinig klassiek van vocabulaire, en die graag verholen amendementen beproefde op mevrouw Steketee's pertinentste beweringen. Het gegichel nam eerst bij mevrouw Vreugdenhil de overhand en werd toen algemeen. ,,Dat gegalm ook nog in m'n -eigen huis ! ?" Zoo meesterlijk beheerscht maakte ik mijn entree, dat ik nog juist zag, hoe mevrouw Steketee's voet uitschoot in de richting van meneer Steketee's over ,elkaar geslagen beenen. Mijn laatste twijfel, of zij Else Bohler die avond herkend had, werd er door vernietigd. Na links en rechts handjes gedrukt te hebben ging ik naast mijn wader zitten, voor wien ik op dit moment een onverklaarbare sympathie bespeurde, wellicht omdat hij die middag onder het gewone gekibbel over de uitgaven voor het avondje voor het eerst zijn tanden had laten zien aan mijn moeder, of omdat hij de eenige was, die, onverschillig voor muziek, geen teleurgestelde kreten slaken zou, als ik na een half uur opstond om te gaan werken. Want dat had ik mij voorgenomen, met alle ,ernst die in mij was: ik zou niet pianospelen als men dit vroeg, ik zou niet, zooals an ders altijd, verzinken in de loome machteloosheid, waarin het mij onmogelijk was van mijn stoel te verrijzen voor het algemeene afscheid, verlamd nog bovendien door het besef van de futiliteit van zulk een tweestrijd, ik zou mijn wil toonen, ondanks het ,waar ga je heen, John?" -waarmee mijn moeder tot dusverre mijn pogingen steeds in de banen geleid had van een ongewilde tocht naar deW.C. Onder het rooken van een sigaar en het traditioneele twistgesprek met meneer Steketee over Mahler, Bien ik dit keer maar weer eens tegen Bruckner verdedigde, luisterde , ik met een half oor naar de anderen. Ik vroeg mij of hoeveel mevrouw Steketee er al in vertrouwen genomen had en wie; de sfeer van mogelijke speldeprikken was aan-genaam stimuleerend. Toch gaf het me een klein schokje, toen mevrouw Velleman in plaats van zich in mijn gesprek met den violist te m-engen (gewoonlijk viel zij mij op het stuk van Mahler bij, omdat mevrouw Steketee in haar afwezigheid van jodenmuziek" placht te spreken, wat niet wegnam, dat ze in ander gezelschap om haar liberaliteit te toonen Mahler met hetzelfde woord vernietigend bekritiseerde), in haar stoel naar voren schoot en iets verkon digde over Duitsche dienstmeisjes, waarbij de dames Vreugdenhil en Bronsman haar secondeerden. Uit de toon an hun stem kon ik opmaken, dat mevrouw Steketee wel de nationaliteit van het dienstmeisje op de hoek geopenbaard had, maar mij er buiten had gelaten. Zij en mijn moeder, die ieder voor zich op de hoogte waren zonder het van elkaar te weten, zaten met gezichten als doof - stommen, de eene rood, de andere geelbleek, de eene in vrees en beven, de andere zich verkneukelend. „Mijn groenteboer vertelde, dat in het Westland de helft, zeker de helft van de huwelijken aan Duitsche meiden aan de man gebracht worden," had mevrouw Velleman gezegd, „de meisjes daar hebben geen kans meer !" Jreurig," ,,Vreeselijke lellebellen," zuchtte mevrouw Lunsman met overtuiging. Van al die dames gebruikte zij de naarste woolyd-en. Zoo problematisch werd voor mij -opeens het verschil tussch-en dienstmeiden en dit soort mevrouwen, dat ik niet begreep hoe ik maanden lang piano voor hen had gespeeld, trouw iedere week... Rustig hield ik de , klok in het oog en om halftien stond ik op. ,,Aha!" ,,Onze jonge virtuoos..." „'t Pianolampje is kapot, John, steek de kaarsen maar ,even op.. ." Met haar linkerhand steunend op meneer Steketee's dij, boog mijn moeder zich voorover om naar de achterkamer te wijzen, zichtbaar opgeluch(t, dat er nu een Bind kwam aan dat gevaarlijke gesprek, maar ook zoo goed kende ik haar wel verlangend om die ondiergrondsche, moeilijk te pareeren aanvallen op haar oudsten noon door hem zelf te laten wreken met n,obele Kunstbeoefening. Ze scheen te denken: hij mag dan met een Duitsche meid loopen, en ik weet niet of jullie op de hoogte zijn of niet, maar in iieder geval speelt hij kranig piano... ,,Een andere keer iets van Mahler, meneer Steketee, en vierhandig als 't moet!" zei ik joviaal, terwijl ik de damesbegon of te werken met een spontanelteit van gebaar die mezelf verbaasde, ,maar u moet me nu excuseeren, mijn plicht roept me!" Mijn moeders woedende pruillip voorbij, de gebogen schouder van mijn zwijgenden vader met iets beschermends aangeraakt, en weg was ik. Ik had mij niet eens meer omgedraaid, toen mevrouw Steketee, achter mij, nog iets te berde bracht over ,toch wat of leiding bij uw examenwerk." Ik was vrij. De overwinning was volkomen. Maar op mijn kamertje, nadat ik eerst een kwartier lang, in een drenzerige nijdigheid die te laat kwam, naar de stoelen en de divan had getrapt, verbleekte de overwinning snel tot een vrij kinderachtig krachtsvertoon. Aan mijn positie van volwassen „kind" veranderde dit soort schermutselingen in de grond niets, en dan had ik alles nog aan Else Kohler te danken, aan de kracht die zij mij schonk. vat was het anders dan een strijd, ongeweten, tusschen haar en mijn moeder, wat was ik anders dan het wapen waarvan zij zich beurtelings bedienden, een tegen zichzelf gekeerd wapen, dat zich met zijn eigen weerhaken wondt? ... Bovendien : mevrouw Steketee door onbeleefdheid prikkelen was wet het domste wat ik doen kon. Tijdens het blijkbaar door haar man gewenschte bezoek bij Erkelens, naar aanleiding van het ,galmen", had zij maar iets los te laten over haar ontdekking om mij in de grootste ongelegenheid te brengen. In een nieuwe uitbarsting van de aapmensch, al of niet bij ons in de gang, zou Else maar al te gemakkelijk aanleiding kunnen vinden om haar dreigement ten uitvoer te brengen en naar Duitschland terug te gaan. Mij n examen was ermee gemoeid, mijn bestaansmogelijkheid op de Waalweg, een levensgeluk van twee of drie maanden... En weer had ik het beeld te verjagen van die zes blonde kinderen die me met uitpuilende oogjes wantrouwend opnamen en ,Vati" tegen me zeiden... Wat de aapmensch en de dwerg betreft: door losse uitlatingen samen te voegen had ik mij allengs een beeld gevormd van Else Bohler's leven daar op het hoekje. Daar de dames er voor berucht waren, dat ze geen dienstmeisjes konden houden, was zij indertijd als een reddende engel komen binnenvallen: zindelijk, vroolijk, met alles tevreden, en ploeterend als drie Hollandsche meisjes bij elkaar. Reeds de eerste dag luisterde zij of wat de dwerg tegen haar zuster zei: ,Heb u gezien welk sonderbare oogen dat maisje beef t?" en een week later kwam toen de brief van Frau Bohler, die haar ook moreel aan hen uitleverde, alle bemoeizucht van oude, onaantrekkelijke maagden in hen aanwakkerde. Else Bohler werd bewaakt, bespied, uitgehoord, afgesnauwd en omkoesterd. Was er een leverancier aan de deur, dan stond de aapmensch achter in de gang op post, de dwerg voor het raam. In haar poeziealbum kwamen gedichten voor van „fans Erkelens" en „Tine Erkelens", handelend over lijdensweg, Godsvertrouwen, en in uw album bladeren, die ik ,,Knittelverse" meende te mogen noemen, nadat ik zeif een halve avond tevergeefs had gezwoegd over een Duitsch sonnet. Voor het naar bed gaan kreeg zij van beiden een nachtzoen, wat haar ijdelheid streelde, meer nog dan het niettutoyeeren, dat ze taalkundig niet beoordeelen kon. Hun angst om Else te verliezen moet groot geweest zijn, vooral van de dwerg Tine, die de humeurige en vitterige Jans van tijd tot tij d toevoegde, dat ze maar voorzichtig most zijn, anders zou Else doen waar ook ik bang voor was.: wegloopen. Deze gemeenschappelijke angst versterkte mijn sympathie voor de cerberussen. Eens in de week werden zij dan ineens uitgelaten, bijna door het dolle heen. Zij waren de dochters van een turfhandelaar op een der Zeeuwsche eilanden, zagen niemand, leefden volkomen vereenzaamd, hun leelijkheid verbergend, maar op die schalksche momenten konden ze zich aan vulgaire -en zwakzinnige plagerijen -overgeven, door b.v. Else mede te deelen, dat ze haar schoonvader in de tuin hadden zien werken, en of ze wel wist, dat ik heelemaal geen geld had, en een ,Bummelstudent" was. E.en en ander culmineerde daarin, dat de dwerg Else, als ze op een trapje stond te boenen of te ragen, aan haar beenen kriebelde, waarop de aapmensch meestal z;ei, met een grof, boertig stemgeluid: ,,Passt u maar op, sonst wordt mevrouw Roodenhuis noch boos!" Hooger dan de kuitronding kwam de dwerg nooit, en Else Bohler zelf zag er geen ander kwaad in dan een vertraging van haar werkzaamheden. En hoewel een reactie op deze gemeenzaamheden niet uit kon blijven, ho-ewel Else, in wie het nooit scheen op te komen welk een machtspositie haar dit alles eigenlijk verschafte, soms uren achtereen door booze stemmen het huffs doorgejaagd werd, zweefstofj-es achterna, ijverig en onwetend molenwiekend, toch leefde zij voortdurend in een sfeer van groteske apenliefde, die er haar zelf aan deed twijfelen of zij ooit nog van de dames Erkelens af zou komen, en waarvan ik niet wist of het in mijn voordeel was of niet. Voorloopig vond ik het alleen maar zielig en een klein beetje ontroerend. Vooral Else's thuiskomst schilderde ik mij af: hoe de strenge aapmensch van achter haar leesbibliotheekboek tel kens een blik op de klok wierp en de dwerg naar de deur stuurde om uit te zien in de donkere Andromedastraat; hoe nachtelijk eenzaam en afwachtend dat groote, hooge huis dan geworden was, waarvan ik alleen de buitenkant kende, een brievenbus, wat bruine matjesover een lat, het vage beeld van een meisjeskamertje met Katholieke prenten aan de muren, en het drogende ond;ergoed van alle drie; en hoe Else Bohler dan eindelijk opgewekt aan kwam stappen, het leugentje voor de drie minuten Verspatung op de lippen, en mijn zoenen, die afgelost zouden worden door wat mijn armzalige vijandinnen zichzelf amper toestonden als uiting van hun genegenheid. Het erotisch park- en vijverbestaan, dat ik met Else Bohler nastreef de, draaide voornamelijk om de populaire, bij sommige primitieve volkeren nog onbekende liefdesbetuigingen die ik zooeven genoemd heb. Uit allerlei gronden, waarvan de belangrijkste was, -dat ik een te innige binding vre,esd,e, ondanks de vrijbrief van het geloofsverschil, maar tenslotte zou zij haar eischen altijd nog kunnen intrekken! bleef haar lichaam mij verboden. Ontgoocheld door vroegere, doeltreffender avonturen, meende ik volop genoeg te hebben aan die voedzame vermenging van mond en mond, waarin ik niet alleen het lachje tastbaar bezat zonder zelf bezeten te worden, maar ook mijn vlucht kon nemen naar hoogere regionen, bezworen door dichtregels van Novalis die ik kende en die op een onmiddellijke vergeestelijking schijnen te doelen van het zuiver zinnelijke. Natuurlijk kwam mij daarbij een 113 E19e Bohler, Duitsch Dienstneisje 8 zekere wanverhouding wel tot bewustzijn, maar het leek mij van geen belang: van Else had ik alleen de instincteen, het geduld en de onbedorvenheid noodig, en waar zou ik dat vinden bij meisjes van mijn eigen stand en ontwikkeling, de demi-vierges, de vrijgevochten, intellectualistisch verschrompelde studentjes, de meisjes, die mijn moeder mij aanprees?! Bovendien, indiien ik dan tot het ,,intellectueel proletariaat" mocht behooren, dan stond Else Bohler, die zelf haar zakgeld verdi,ende, altijd nog even boven mij ! Zelfs als ik alles bij haar had kunnen bereiken, maar ik ried een enorme weerstand, zou ik nauwelijks geld genoeg gehad hebben om het ten uitvoer te brengen. In de krant zocht ik advertenties van goedkoope ,,pieds a terre", ik zinspeelde crop tegen Else, ze zei vroolijk en onverschillig: „O nein, mein Junge, das kannst du dir aus dem Kopf schlagen!" Op andere, langvoorbereide ondeugendheidjes : dat ik over de balconnetjes klimmen zou voor een nachtzoen, dat ik zoo slecht sliep en van haar hetzelfde dacht, door de wallen onder Naar oogen, ging ze lachend in zonder bijgedachten. Raakte ik haar borst aan, dan gedoogde ze dat net zoo lang tot ik jets verteederds zei van ,kleine B ruste bast du," door welke bewustmaking het schaamtemechanisme onmiddellijk en in zijn voile omvang in werking werd gesteld: ze week dan snel achteruit en begon mijn jaslapellen zorgzaam recht te krullen. Ook toen we op moeizaam veroverde bankjes ons vijverbestaan reeds begonnen waren de eerste weken hadden we -elkaar staande gezoend, in lomp archaIsche standbeeldhoudingen moest ik Else Bohler, die in de meening verkeerde dat iedereen haar kende en op Naar lette, met geweld ervan weerhouden bij elke nadering op te springen. Een keer reed een agent tot vlak bij ons, een scherp licht op een boschje richtend, waarin, als konijnen onder een lichtbak, twee spartelende figuren elkaar aan de handen optrokken. Dadelijk stond zij op, en vijf minuten later waren we buiten het park. „Der verfluchte Schutzmann!" „Na, das war gut so!" „Gut? Wie meinst du?" „Man soil sich anstandig zu betragen wissen!" antwoordde ze toen, met haar hoofd hooghartig achterover, en het behoeft geen verder betoog, dat ik van geluk mocht spreken, wanneer ik iedere avond tien minuten achtereen wegdeinend in mijn lippen leven kon, waartegen de hare dan onbeweeglijk moeston blijven, week en glibberig als dikke stengels van waterplanten buigend over het kuische grondkiezel van haar steeds gesloten tandenrij. Een eindeloos glippend spel was dat, waarin lippen verteerd werden, opgelost in golvingen, en opnieuw gebaard. Haar omarmingen waren daarbij vast, hartelijk en onhandig. Met haar hoofd op mijn schoot geklemd boog ik mij diep voorover voor de zaligmakende bewerking, die ik pas verzuimen ging zoodra ik weer een van haar nieuwste gezichten ontdekte in het licht van maan of lantaren. Enkele ervan beschreef ik reeds. Op die avonden doken ze, sterk verfijnd, achter elkaar op, alsof men een schilderijengalerij doorschreed, een allemaal even mooi en boeiend, hooeveel de landkaart van Else Bohler's gezicht ook te wenschen overlaten mocht. Haar oogranden, rood en lets verdikt, in de zon soms licht tranend, werden op zoo'n bank geretoucheerd in het zinnelijk doorlicht schouwspel, narcotiseerend barok, van een Leda van Correggio, een zwijmelende Io, maar vooral dan van die „Madonna del Latte" uit de Hermitage, bij wie het geheele gezicht nog maar bestemd schijnt te zijn om de zware, teedere, aan kleine borsten herinnerende oogleden te dragen. Telkens ontdekte ik weer andere analogieen en gelijkenissen, of een vreemd, onvermoed profiel dat op niemand leek. Terwijl ik waakzaam voetstappen controleerde, trachtte ik door streelingen de uiterst bereikbare overgave te bewerkstelligen y waarin mij, na zooveel gezichten, die zich in elkaar omzetten minder door emotieweerspiegelende mimiek dan door eenvoudige standveranderingen van mijn knieen, het laatste geopenbaard werd, het zeldzaamste, datgene waarin men niet verder kon, en dat tegelijk rein was en wulpsch en in diepe slaap. Het is duidelijk, dat ik, in dergelijke spelen verstrikt, geen orgaan meer overhield voor de dingen die mij aanvankelijk geinteresseerd hadden in Else Bohler. Langzaam maar zeker werd mijn objectiviteit ondermijnd. De vriendin, de losbandige winter, waren van de baan, niet omdat ik Else Bohler vertrouwde, maar ik ze niet gebruiken kon, omdat ze de illusie stoorden. En zoo Bing het met al het andere. Dat ik het gelukkigst was, als ik naar haar toeging en vaak dof verveeld naar huis terugkeerde, vol verlangen naar andere vrouwen en grover zinnelijke geneugten, schreef ik toe aan de vermoeibaarheid van een overbelast brein. Haar domheid verbloemd-e ik met pasklaar gemaakte theorieen over de betrekkelijke waarde van een intellect, dat zich niet meer weet te verfrisschen en te vernieuwen aan het natuurlijke en elementaire, of ik zag het als een normale traagheid van denken, doorschoten van intuitieve flitsen, die mij beschaamden. En wat haar karakter aangaat: ongetwijfeld maakte zij misbruik van haar ondanks mijn vaderlijke bezweringsf ormules steeds weer doorschemerend plan om Holland en mij te verlaten, maar dit gebeurde onbewust, en waren het verlangen naar haar moeder en de tegenzin tegen de f ami lie Erkelens er minder echt om? Nog steeds speelde ik met huwelijksplannen ; dat die nooit in mij opgekomen zouden zijn zonder haar toedoen vergat ik soms; het bleven nauw bewuste fantasieen, waar ik me toch telkens op betrapte. Op de treeplank van de trein naar Keulen zou ik mij overgeven aan de moederkerk. Kinderen hoefden er niet te komen, Else kon opgevoed worden tot een modern huwelijk; een enkel heiligenbeeldje in de slaapkamer, maar geen pastoor over de vloer; trouwen konden we in Duitschland of Belgie, als Utrecht onwillig bleek. Maar zorgvuldig verzweeg ik mijzelf, dat een dergelijke huwelijksvoltrekking buiten Holland mij vooral aantrok, omdat ik mij dan niet over Else zou behoeven te schamen voor familie of vrienden, en, wat de kinderen betreft, dat het mij bepaald onaangenaam was mij een zwangere buik voor te stellen boven die korte, wankele beentjes, die ik toch reeds zoo vaak als iets aanvalligs, kinderlijk onuitgegroeids, hulpbehoevends had trachten te zien... Zoo bleef ik, door geven en nemen, in een evenwicht, dat hoogstens door lichte schommelingen verstoord werd, al naar gelang ik mij zeker voelde van Else Bohler, haar opgesloten kon wanen in mijn Waalwegsysteem, of vreezen moest dat zij er uit weg zou vliegen. Stond het signaal op veilig, dan drong zich wat mij in haar afstootte in verdubbelde mate aan mij op. Dan kreeg, om maar iets te noemen wat iederen minnaar bekend zal zijn, het trucje om zich tegen tegenslagen te wapenen door ze reeds voltrokken te wanen het karakter van een wensch: kwam ze maar eens niet op een avond! Had zij daarentegen weer eens uiitgeweid over Köln en de Heimat en schoone ouderwetsche Rijnsche dansen, dan werden Naar beenen die eener Diana en ik zelf driemaal zoo ver liefd en grif geneigd om mijn nakomelingschap tot in het vijfde geslacht aan Rome te verkoopen. Pastoors waxen beurtelings goedige, veel sigaren rookende mannen, begaan met mijn mesalliance en tot alles bereid om die te verhind,eren, of bemoeials die mijn levensgeluk in de weg stonden. In elk geval was ik zoo van mezelf vervuld en van mijn eigen problemen, dat ik het Vaticaan enkel nog beschouwde als een instelling voor Duitsche dienstmeisjes, in welke zin dan ook. Verruimd werd mijn blik niet be paald door deze verhouding... Op een warme Augustus-avond stroomde de halve stad leeg naar het badplaatsje dat vanuit mijn voorkamertje zichtbaar was. Een grandioos vuurwerk was aangekondigd, en daar Else een uur later thuis mocht komen, moest ik mee. Ik weigerde onmiddellijk. Met het park ontvolkt, ieder bankje onbezet, zou ik misschien wel een uur achter elkaar kunnen wegzinken in wat voor mij eten en drinken en paren tegelijk was, het was een ongehoorde gelegenheid. Maar voor Else bestond alleen het vuurwerk. „Dann geh ich allein!" zei ze zeer beslist en gooide haar hoofd achterover, „du kannst machen was du willst. Ich gehe." Tien minuten lang stonden we te marchandeeren voor het parkhek, waar ook de tram stopte, die de vuurwerkmenschen vervoerdie. Tevergeefs hield ik haar voor, hoe zalig het nu in het park zou zijn ; het maakte niet de minste indruk. Geduldig, zonder eenig gevlei of nukkig verwijt, zonder een poging zelf s om me over te halen, stond ze te wachten tot ze me eronder gekregen had, haar lippen dogmatisch over elkaar heen gevouwen, voor het eerst geen hoogere lekkernij sneer, maar werktuigen van een wil! het voorhoofd als gebeeldhouwd boven de laatdunkende, zwaar overhuif-de oogen. Toen we eindelijk in de tram zaten, was er niets aan haar te bespeuren van een triomf, die daardoor des to onherroepelijker werd... ,,Wir sind doch den ganzen Abend zusammen!" troostte ze, waarop ik bij mezelf iets van onbehaaglijkheid begon te bespeuren, iets van verslaafdheid aan een paar lippen, maar een lichte afkeer van het heele meisje. Twee bakvisschen in zomerkleeeren tegenover ons namen haar verbaasd en kritisch op; hun blikken gleden van de bengelende beenen naar de breede schouders, het slecht zittende kleedje, het kruis, en dan naar het ordinaire rood van de wangen, dat ook ik voor het eerst sinds weken weer van nabij te zien kre'eg in het scherpe licht. Bij wijze van revanche bekritiseerde ik nu de bakvisschen, waar ook het een en ander op aan te merken viel, , en zij lachte dan wel mee en beloonde me met haar grappig opgetrokken wenkbrauwen en een bruuske overgang van lodderoog naar dol, stekend blauw, maar er bij met haar gedachten was ze toch niet heelemaal; alleen het vuurwerk vervulde haar; die meisjes scheen ze zoo best te vinden, niet meer of minder dan zij, geen rivaaltjes. Voordat het vuurwerk begon zwierven we het donkere strand op, na een kort incident met den bewaker van een carre badkoetsjes, waar Else Bohler voor ik het kon verhinderen met een sprongetje in verdwenen was. Toen ik haar volgde, kwam ze juist weer uit een van de koetsjes te voorschijn, waarvoor de man als een dommelige stier stond te wachten. Ik gaf hem een dubbeltje, Else Bohler een arm, en zei tegen beiden: „Es war nicht so schlimm." ,,Wunderbar war es da drinnen!" „Dunkel," zei ik. ,,Nachsten Sommer schwimme ich alle Tage !" — Verlangend naar haar mond, dreef ik haar naar het water toe. ,,Schau, es ist Ebbe, Else." „Nein, Flut!" hield ze vol, moedwillig en al uitgelatener. „Aber vein, Ebbe !" „Ach du... Fl ut ! !" Ik voelde mij knorrig worden, ik verlangde naar een substantie-el gesprek met Peter... ,,Sei doch nicht so dumm..." ,,Dumme Menschen muss es auch geben," ontwapende ze me onmiddellijk, zonder eenig spoor van gekrenktheid te toonen. In een soort weee wanhoop citeerde ik, nadat ik haar onder veel verweer mijn zoen opgedrongen had, die regels van Novalis. ,,Kennst du die schonen Verse, Else," ze had Loch wel eens jets van Goethe gelezen, ze beweerde zelfs Hollandsch te kunnen lezen, „O, sauce, Geliebter, gewaltig mich an?" --- Ongrijpbaar, koddig als -een veulen sprong Else Bohler voor mijn voeten weg, draaide zich om, tikte haastig langs haar voorhoofd: „Du bistverruckt..." en barstte toen in opgetogen kreetjes uit over een vliegmachine, die, ronkend boven oon'ze hoof den, als voorproef van het vuurwerk met verlichte vleugelvlakken laagover ,het strand cirkelde. Else Bohler deed alsof ze nooit eerder een vliegmachine had gezi, en; blijkbaar had ze zich voorgenomen verrukt te zijn om het onbeduidendste. Zelfs hield ze stokstij f vol, dat op de vleugels ,,Köln" te lezen stond, het was een reclame voor een fabriek in Keulen, die zij misschien wel kende. Door mijn bijziend.heid was ik niet in staat haar tegen te spreken; trouwens, maar al te goed zag ik de nutteloosheid daarvan in en zelfs de onwenschelijkheid, want wile weet wat ze nog van zichzelf zou openbaren in Naar brooddronken - stemming, als ik haarhaarganglietgaan...,,Vielleichtvon definer Mutter," zei ik ernstig, iedere spot onderdrukkend. ,,Das glaub ich nich..." „Sie hat doch ein ganz grosses Geschaft?" ,,Das is wahr..." Op dit oogenblik steeg vlak vo-or ons de eerste vuurpijl op, schuin sissend over de zee. Else Bohler werd nu ontoegankelijk voor al mijn opmerkin gen; ze zong bijna: „O, wie herrlich! 0, wie schon ! Wunderbar! Donnerwetter, das war ein schoner! Das ist wie im Kriege! Seh mal hin! 0, schon, sc'han, sch0000n..." Haar stem galmde, kwetterde, kreunde. Kalme Hollandsche meisjes in de buurt keken om naar waar wij stonden. Even vreesde ik, dat ze luidruchtig naar voren zou rennen om zich in de vuurglo,ed te storten van wentelende en sproeiende zonnen, te midden waarvan de lichtende omtrek van een mannetje in een boot zichtbaar werd, dat houterige roeibewegingen volvoerde, maar toen was het gelukkig juist afgeloopen en hand in hand, arm in arm, liepen we al weer -tusschen de menschenmenigte. Daar ik met teruggaan wilde wachten tot de drukte wat geluwd was, loodste ik haar naar een klein, half vol cafe, waar een lauwe wind het zand dun over de tafeltjes woei. Haar enthousiasme verminderde niet; druk -babbelend sprong ze van het eene onderwerp op het andere; haar oogen, glinsterend van een tegelijk starre en grillige vroolijkheid, rolden er bijna uit. Nauwlettend observeerde ik Naar. „O, wie schon ist die Welt! Ich mochte reich sein, du auch nicht? Wenn man reich ist, kann man uberall hin. 0, guck mal hin: der Herr dort!" Een jeugdig persoon in smoking, -op afstand herkenbaar als een kellner, die een vrije avond had of zich was gaan vertreden, liep voorbij, in het gezelschap van een paa.r fladderende meisjes. ,,Das ist so einer wie von einem Bild!" ,Ein Bild...?" -- „Ja, aus der Zeitung!" Na een snelle blik over mijn eigen afgedragen kl-eeren zei ik haar, dat de elegante man mij het meest aan een etalagepop deed denken, maar het raakte haar niet, ze was al weer verder. Het leek me ineens ondenkbaar, dat haar moeder eigenares van een fotozaak in Keulen was; in dit half artistieke beroep ontmoet te men toch doorgaans een iets hooger beschavingspeil.. . ,,O, ich mochte in Köln sein! Wenn ich reich ware, mochte ich hies in einen grossen Hotel wohnen! Ich mochte alles kennen lernen, alles versuchen, du auch nicht? Hast du schon einmal Opium genommen?" ,,Was!!? „Opium..." Nu schrok ze toch even van mijn gezichtsuitdrukking. Schichtig en vroolijk keek ze mij aan, borg toen haar oogen weer op, en begon, als een zoeet, nauwelijks betrapt kind, met haar roode duimen te draaien, wat mij nog meer irriteerde dan Naar ongelooflijke vraag. Met een vrouw, die met haar duimen draaide, zou ik in geen geval kunnen trouwen... ,Wie kommst du darauf ?" vorschte ik nijdig. Met veel moeite kreeg ik van haar los, dat de vriendin met de auto's vroeger eens in Keulen opium had gekregen van een apotheker; de vriendin vond het herrlich; zelf wou ze het ook probeeren, riesig gern. Ik maakte haar duidelijk, dat, als ze ooit een druppel of een korrel of een snipper opium gebruikte, alles tusschen ons uit zou zijn. Daar ik uit ervaring wist, dat ze daar niet tegen kon, bleef ik boos voor me uitkijken; hoe onbeInvloedbaar en eigenzinnig ook, wanneer ik begon te boudeeren, vroeg ze gewoonlijk al na een minuut op een beteuterd toontje: warum bist du so still?" en deed dan al haar best om het weer goed te maken. Nu evenwel gebeurde er iets anders. Else Bohler stond op, zei onverstoorbaar: „Ich muss hinaus," en begaf zich, vrijpostig molenwiekend, in de richting van de toiletten. ,Hinaus mussen" was dan zeker •een uitdrukking als waarbij in Holland de kinderen hun vinger opsteken op school. Maar was Else Bohler wel veel anders dan een kind, open voor alle verderfelijke invloeeden die haar grappige avonturen beloofden? ... Waarschijnlijk was Hitler toch wel noodig geweest voor dat tuig daar, dacht ik bij mezelf ... Plotseling kreeg ik een inval. Naast mijn elleboog lag haar taschje, waarin ze haar portretten bewaarde. Behalve dat van haar moeder, de joviale, gezette dame, waren er van haar zelf drie, under andere een gef latteerd kopje, dat we , Kinostern" hadden gedoopt, met van boven invallend Licht, waardoor de neergeslagen, bolle oogen wit uitgespaard leken; verder een portret van den Fuhrer, door Naar, met een zekere ironie, die mij toen wel bevallen was, als ,unser Adolf" betiteld, en tenslotte een ansicht met een stadsgezicht. De eerste keer, dat we de foto's bekeken, had zij die ansicht uit mijn hand genomen en weer opgeborgen met haar gewone stopwoord: ,,_rich. , . tun." In de veronderstelling, dat de af zendster wel eens de vriendin kon zijn, had ik toen verder niet a angedrongen ; als Else Bohler merkte, dat ik nieuwsgierig was, werd ze gewoonlijk totaal onhandelbaar. Ik draaide mij zoo, dat ik de toiletten in het oog kon houden en opende het taschje. Onder een verfrommeld zakdoekje, een kammetje, een bidprentje met blauw en goud, stuitte ik tusschen de andere foto's op de ansicht, die de Siegesallee in Berlijn vertoonde; ik draaide hem om en Las naast het adres : „Rudolf Steinmann, snit seiner Liebe", in een krullig, karakterloos handschrift. Even zonk ik weg, in een misselijke duizeling, die ik snel beheerschte. De deur van de toiletten f litste open; ik duwde al het papier weer terug en sloot het taschje, waarmee ik begon te spelen om geen achterdocht te wekken. Een woedend plezier was mijn ontreddering komen vervangen; dit was beter dan een vriendin met opium, beter lom Else te kwellen, me te wreken over een bedorven avond! Jaloezie werd onmogelijk door deze wreede voorpret. Het was geen slag voor me; ik voelde me niet verrast; zoo iets had ik altijd wel verwacht immers... Duitsche snol, Duitsche snol.. Else Bohler molenwiekte nader en ging zedig op haar Witte stoeltje zitten, schijnbaar zonder acht to slaan op mijn spelende hand. Als bij een smartelijk afscheid zocht ik nog even al haar gezichten af, de mond van het lachje, het voorhoof d en de eigenwijze wenkbrauwen van het Engelsche kostschoolmeisje, de zinnelijke Germania, de straatmeidenoogen, de zware madonna-oogleden, de boerenwangen met de roode aartjes, alles tezamen in een menschengezicht... Toen stak ik van wal. ,,Deutsch ist doch eine fabelhafte Sprache," verkondigde ik, met haar taschje op mijn schoot, mijn wijsvinger aan de sluitingg als aan de trekker van een revolver, „besonders die Eigennamen, die Namen von Leuten, fabelhaft ! Johan ist nichts dagegen. Da hat man die charaktervollen kurzen, knappen Laute : Kurt, Heinz, Willi, Willi Fritsch zum Beispiel, schon, mannlich and ekelerregend," - -ik moist, dat Else met dezen held dweepte, zoo ook met den volgenden, --„da gibt es sogar Han nns, wenn auch nur Hans Albers, and Albert, Albert, Albert... wie heisst der auch wieder, du sollst es wissen, Else, ich meine den dicken Kerl, ich glaube er ist tot, aber er war beruhmt; so ein Kraftmensch mit ungebeugtem Rucken, weisst du, .. , Albert... ? ach, aber so heisst er ja auch: Albert Steinruck, Stein...?... ja, Steinruck, oder Steinmann, ich Weiss es wirklich nicht mehr, aber er war kolossal! Weisst du nicht wie der Name ist?” „Nein, ich Weiss nich," zei Else Bohler achteloos, haar handpalmen tegen elkaar aandrukkend. Op haar borst bewoog het kruis van gesneden ivoor traag op en veer. Levendig vervolgde ik: ,,Das ist doch komisch mit Namen! Dass ich nicht einmal weiss ob er Steinruck heisst 'oder Steinmann, allzu dumm, and das Schlimmste ist, jetzt fange ich an auch an den Taufnamen zu zweif eln : Albert, aber es konnte auch Rudolf rein, oder Emil, nein doch: Rudolf. Albert oder Rudolf. Albert Steinruck, oder Rudolf Steinmann.. ." Ik hield even op om haar van terzijde aan te kijken. Geen enkel teeken van verwarring. Ze vermeed mijn oogen, maar dat deed ze altijd al, bewijs van preutschheid eerder dan van veinzerij ; ook het uitspreken van mijn eigen voornaam ging noo^it zonder kleuren. Maar nu was de ontkn-ooping niet langer uit te stellen. Mijn stem klonk schor. ,,Kennst du vielleicht einen Rudolf Steinmann?" Eindelijk, ze begreep... Ze pakte haar tasch van mijn schoot, en haalde haar zakdoek eruit, die ze om haar vinger heen wond. De dramatische voorbereiding had ik mij kunnen besparen, hoe dom was ze toch! Uit domheid kon ze niet zondigen... Ik boog mij naar haar toe, nu bijna reeds zonder belangstelling. ,Wer ist Steinmann, Else?" „Nich.. 0" -- Zacht en toonloos klonk het, maar haar gezicht was onveranderd gebleven. ,,Kennst du ihn? Wer ist es?" --- Geen antwoord. Haar koppige geslotenheid, speleenderwijs gehandhaafd, kende ik voldoende -om me er bij neer te leggen, dat ik met Steinmann niet verder zou komen. Ik stond op, riep den kellner, en na betaald te hebben ging ik met Naar naar buiten. Ongearmd liepen we door de smalle zeestraat, met de schopjes en vlaggetjes aan weerskanten. Afkoelend, voelde ik mijn verlangen naar een tragische slotscene geheel wegvloeien. Met een vrij geringe m ,oeite beklom ik mijn vaderlijk ironische houding weer. Rudolf Steinmann kon een oom zijn of een medeminnaar, in geen geval mocht ik mij verder blootgeven. Bij voorbaat afstand doen van Else Bohler, onverschilligheid veinzen, haar korte beenen, haar draaiende duimen de revue laten passeeren: dat was mijn taak! Toen ik, opzijturend, haar smalend hanglipje gewaar werd, dat breede druppeltje aan haar groote, zinnelijke mond, was ik haar bijna dankbaar: net zooveel afkeer als ik nu voelde had ik noodig om mijn jaloezie te kunnen dragen. Maar dat dat de mond van het lachje was geweest, maakte alles weer schrijnend. 1k wilde niet weten, of er een ander was, ik wilde niets, over Steinmann hooren... Alleen met haar lippen had ik te maken. Haar lichaam, haar beenen, haar ziel, ik kon ze pas vergeten in het bezit van dat elastische opgevuld- e slijmvlies, dat ik nu, op een snel voorgestelde en door haar goedgekeurde wandeling door de duinen naar huis, weer benaderen ging. Dan bestond er geen gevaarlijk geheim meer, dan alleen was de medemensch geen raadsel.. . Al koortsachtiger, na de eerste bocht van het duinpad, zocht ik mijn heil, te vermoeid voor eenig overleg, te roekeloos ook om een reeds zoo lang onderdrukte zinnelijkheid te bedwingen, waarin alle tegenstrijdigheden op te lossen zouden zijn. Maar terwijl ik haar beenen en heupen van onderop met de hand tegen mij aanvlijde, kwam er nog een soort antwoord van haar, nauw verstaanbaar in het krekelachtige fluiten van de nachtwind door de helm: ,,Das war der Herr von dem ich dir hatte erzahlen..." - - Mijn andere hand lag op haar mond. Toen mijn lippen. Geen „Herr", in godsnaam... Dwars door mijn beginnende bedwelming heen sprak ze verder: „Der Herr der meine Ausbildung bezahlen will..." Ausbildung? Als Duitsch dienstmeisje, opiumeetster, stadshoer? ... ,Ausbildung, fur was denn?"— Bijna onhoorbaar: ,Meine Stimme dock..." Meteen lagen haar armen wanhopig vast om mijn hats, alsof ze haar diepste levensgeheim had prijsgegeven. 1k herinnerde me het galmen, het zachte, kreunende geluidje van vroeger, maar alles was tenslotte mogelijk met een stem. Ik was ineens diep gelukkig, ik had kunnen huilen als een kind. „Halt du denn eine schone Stimme?" „Ja..." „Hat man das gesagt?" „ J a..." ,Ist Steinmann kein junger Mann, ich meine, ist er ein Bekannter von deiner Mutter?" „Ja..." ,,Liebst du mich?" --- ja..." Pas om twaalf uur kwamen we thuis. De volgende morgen werd ik sterk ontnuchterd wakker, vermoeid en oververzadigd, met spierpijn in mijn schouders van de omhelzingen. Uit gewoonte liep ik half gekleed naar mijn achterkamertje, het platje op, en zag dadelijk, dat er geen matjes hingen. Hoewel dat wel vaker voorkwam, boog ik mij toch even om het Steketee-muurtje been om te zien of er niemand in het tuintje was. Op het hek van Erkelens, vlak bij het muurtje dat er de voortzetting van vormde, lagen drie groote, knobbelige kiezelsteenen, zwart en plomp in het witte tegenlicht van de ochtendzon. Zij waren beteekenisvol zooals drie gedachtenpuntjes achter een volzin beteekenisvol kunnen zijn. De volzin zelf was moeilijk te lezen. Wat had dit te beduiden? Wat was er gebeurd? De vorige avond had er maar een gelegen, en die moest na twaalven binnengehaald zip n.. . Met een weidsch gebaar wees mijn moeder, die al aan de ontbijttafel zat, naar een paar drukwerkjes naast mijn bord. Onder die drukwerkjes vond ik een smal, voddig envelopje met „Herr Johann Roodenhuys, Walweg" er op; het briefje was nog kleiner en smaller, licht verfrommeld, en haastig beschreven met schoolsche Duitsche letters. „Ich bin fort. Ich warte auf dich. Treffstelle: du weisst wo." 1k had eenige moeite mijn brood door te slikken. Dit was het einde; hier moest ik doorheen... De Duitsche woorden riepen de naam „Steinmann" weer bij me op: diepe afkeer, ongeloof en walging. Maar dat daar voor me, dat briefje, dat beteekende de verlossing... Zoo opgelucht voelde ik me opeens, dat ik mijn moeder uitvoeriger dan mien gewoonte was te woord stond, toen ze met commentaren begon. Else was weg, Bing weg, maar Else was een Duitsche snol, al had mijn moeder dat het eerst gezien, en het was ochtend, nuchtere ochtend, geen avond met kansen top sentimenteel gesmacht en angst voor een eenzame nacht die erop volgt... ,,Nogal sterk om dat briefje in de bus te doen." „Och kom, 't is toch een behoorlijk briefje. En vader is al de deur uit!" ,,Wat je behoorlijk noemt! Dat is toch geen correct Duitsch: Herr? Dat moet Hearn zijn...71 ,,Zeker, volgens het boekje: Dativ. Maar in Duitschland doen veel menschen, vooral de intellectueelen, aan nieuwe spelling..." Ik knikte haar opgeruimd toe, veegde mijn mond of en verliet de kamer. Buiten in de ion was alles in trage zomersche rust, en toch alsof er een nieuw leven kon be ginnen met deze bijna definitief droge hitte: een leven zonder Else Bohler. Eerst -toen ik haar op de hoek van de Orionstraat in haar blauw werkkleedje been ten weer zag drentelen, haar eene been wankel en besluiteloos scheef voor het and-ere, begreep ik dat dat nieuwe leven moeilijker zou zijn dan ik vermoedde. Reeds haar onberekenbaarheid gaf mij daarvan een v000rproef.: zij had geschreven bij de telefoon te zullen wachten, en was nu al hier. Else Bohler begroette mij koel en bleek, met een vluchtige zoen. Alles wat haar gezicht voor mij aan weerzinwekkends bezat vertoonde zich prompt en geruststellend in het zomerlicht. Terwijl we werktuiglijk in de richting van het bosch liepen, voorbij de telef000n waar ik zoo vaak op haar gewacht had, deed ze mij het verhaal. juffrouw Erkelens had haar onaangenaam bejegend, omdat ze een half uur te laat was thuisgekomen, en deze ochtend nog Bens, omdat ze vergeten had de schoenen van de dwerg te poetsen. Daarop had ze onmiddellijk van de gelegenheid gebruik gemaakt om haar dienst op te zeggen. De dames Erkelens waren begonnen met dreigementen, hadden zelfs de deur afgesloten, vijf minuten later waren ze op hun knieen gevallen, de dwerg in tranen; de aapmensch was haar een eind in de gang achterna gesch,oven, op haar knieen. Nadat ze naar haar kamertje was gegaan om de steenen neer te leggen en het briefje te schrijven, had zij het huffs verlaten, zonder haar bagage. Deze dag nog wilde ze naar Keulen terug. Haar moeder had haar al zoo lang daarover geschreven, ook dat ze „Hoch viel zu jung um zu verkehren was"; er was nu een mogelijkheid gevonden om haar voor zang te laten opleiden („Steinmann” werd niet genoemd) ; en tusschen ons kon het ook niet verder gaan zoo, enz. enz. In een superieur welbehagen liet ik alles langs me heen trekken. Ik gaf me niet eens de moeite wat meer te weten te komen over die mysterieuze opleiding voor zang. Het einde, waar ik zoo lang naar verlangd had al had ik soms gemeend, dat dit verlangen enkel de rol vervulde van een listige voorbereiding op het zoozeer gevreesde, het was er nu, en het werd me zoo gemakkelijk gemaakt als ik me maar wenschen kon. Achter een kopje koffie in Else Bohier, Duitsch Dienstmeisje het boschrestaurant kon er alleen ' nog sprake zijn van een vrij zinneloos uitstel van ons afscheid. Else had haar gezonde blos weer terug, haar bolle oogen vertoonden weinig uitdrukking, alleen het smalende onderlipje had lets droevigs, een droevig ironisch lachje waar ik maar zoo min mogelijk op lette. We zeiden bijna niets meer. Hoogstens werd mijn onverschilligheid aangetast door het telkens wederkeerend besef, dat ik weerloos geweest zou zijn tegen haar gezicht, wanneer dit afscheid zich 's avonds had afgespeeld. Na eenige oogenblikken ging ik haar met mijn spot te lijf, eerst uit verveling, toen uit korzeligheid omdat ik niets anders bereikte dan een verscherping van dat droevige lachje. Krenkend kaatste ik met Steinmann, en ,verkehren", en Kurt en Heinz, die 't zaakje wel van mij zouden overnemen, en hood luchthartig aan een andere dienst voor haar te zoeken, als ze soms niet naar d'r armoedige Heimat terugwilde. Nergens reageerde ze op. Terwijl we weer door de sterrenbuurt terugwandelden, besluiteloos en zwijgzaam, ze moest nu langzamerhand naar Erkelens toe om haar boeltje te halen waar ze erg tegen opzag, herinnerde ik me hoe ze de vorige avond mijn omhelzingen beantwoord had hoe ze altijd had gezegd, dat ik haar eerste liefde was. Mijn wrevel steeg. Werkelijk, ze kon wat meer spijt laten blijken, al was het maar om de leegte te vullen van een verloren uur. Alle tragiek ontbrak in dit verveelde slenteren. Dacht ze werkelijk niets op dit moment, voelde ze niets? Waarom moest ze zoo irriteerend gezond en rose zijn? Mijn duiveltje dook weer op, met een dikke tong van de warmte. ,,Imbeciel1" schold het duiveltje, „god, wat een imbeciel..." Opgelucht stemde ik er mee in. Om haar -op gang te helpen hervatte ik mijn spot; toen ik mijn mond open deed, merkte ik, dat mijn ergernis mij reeds de baas was. Ik verweet haar haar ongevoeligheid, de wijze waarop ze mij behandelde, niemand anders zou zooiets geduld hebben! , Sei nur vorsichtig!" grauwde ik, en meteen schoten haar bolle bikkels onbeschaamd glinsterend over mij been, een beetje verachtelijk, luchthartig spottend, en volmaakt angstloos. „Was wurdest du denn machen?" „I ch? Nichts," zei ik, in een laatste poging objectief te blijven, maar bijna stikkend van vertwijfelde woede omdat ik geen vat op haar kreeg, ,ich meine: sei nur vorsichtig in einem folgenden Fall, ein anderer wurde das nicht ertragen..." - „Ich furchte mich vor niemand !" „Ach, Quatsch," het Duitsche woord, dat mij het meest walging inboezemde, en dat zij ook wel eens gebruikte, braakte ik uit alsof mij dat van alles verlossen moest; toen herkende ik de plaats waar we liepen, „bier, wir sind am Persoisplatz, gute Reise, auf Nimmer Wiedersehen, da, du musst die A.ndromedastrasse nehmen, ich gehe rechts, also: gute Reise..." Ik lette niet op haar gezicht, toen ik vluchtig haar hand drukte. Ik dwong mij naar rechts te loopen en merkte, dat ze staan bleef. Ik liep vlugger, hoorde haar voetstappen achter mij, toen een geluid als een snik, het zacht, maar scherp afgebeten ,nein", dat iemand zichzelf toevoegt op het beslissend moment van een zware zielestrijd, en daar marcheerde Else Bohler al weer naast me voort, kalm molenwiekend, blozend, en zonder eenige verwarring te laten blijken, precies als op de Zondagochtenden dat ze naar de kerk ging met haar Witte handschoentjes vooruit. Alleen haar stem verried eenige ontroering. jetzt kann ich sehen wie du mich liebst. Du bist ganz damit einverstanden !" „Mochtest du darn, dass - ich auf meine Kniee fiel wie Fraulein Erkelens ? !" - Zwijgen. Warmte. Slenteren. Hetzelfde spelletje opnieuw. Maar met een klein verschil: Else was mij achternageloopen... ! Ik besloot, dadelijk na het afscheid Peter te gaan opzoeken en op een of andere wijze verslag of te leggen van deze zegepraal. Nooit had ik gedacht, dat Else Bohler, die de avond tevoren nog kans had gezien mij naar een vuurwerk mee te sleepen, zich zoo vernederen zou, maar ik was er haar dankbaar voor, omdat het mij kracht gaf, en met een vermoeid glimlachje, zonder haar verder te kwetsen, luisterde ik naar haar uiteenzettingen, die nu eindelijk kwamen en die haar een geweldige zelfoverwinfling schenen te kosten. Het bleek nu wel, dat ze zich de heele morgen ingehouden had om mij uit mijn tent te lokken. Het ging over „heiraten", „in der Kirche heiraten", ,,die Kinder katholisch erziehen", zakelijk, zonder eenige ondertoon van gefleem, en alsof wij de laatste weken over niets anders gesproken hadden. Wanneer wij niet in de kerk trouwden, zou haar moeder haar de deur wijzen, onterven en vervloeken, in het tegenovergestelde geval ontving ze mij graag abs aanstaanden schoonzoon... Ik vond die moeder, wier portret ik zoo goed kende, sympathiek, maar voorbarig. Op mijn opmerking, dat ik mijn eigen kinderen toch niet Katholiek ^opvoeden kon, beweerde ze in voile ernst, dat zij daar wel voor zou zorgen, dat deed de moeder toch gewoonlijk... Wat er verder nog besproken werd maakte geen indruk meer op me: deze enormiteit althans moest kersversch aan Peter overgebracht worden! Ik schudde nee en nog eens nee, ik keek op mijn horloge, ik zei, dat ik een of spraak had om half elf en dat zij nu haar koffer moest gaan halen, en nam weer op dezelfde manier afscheid, met een handdruk en zonder haar oogen te ontmoeten. Een oogenblik vreesde ik haar voor de tweede maal achter mij te zullen hooren, haar al haar eischen te hooren herroepen, en ik wist hoe zwak ik dan zijn zou, maar neen, ik voelde het, ze bleef achter, misschien niet eens zoo erg teleurgesteld of wanhopig: Else Bohler, Duitsch dienstmeisje, brutaal, verlegen, ingetogen, volhardend, en toch zoo merkwaardig weinig terugstootend in haar mannenjacht... Met behulp van Peter sloeg ik haastig de Orionstraat in. Niets was Peter aangenamer dan wanneer zijn hulp ingeroepen werd, maar vandaag had ik hem alleen noodig als toehoorder. Lang door mij verwaarloosd, had hij recht op mijn volledig vertrouwen. Terwijl ik hem met de noodige omzichtigheid duidelijk trachtte te maken op welk een overwinning ik bogen kon, bleef hij rustig doorschilderen aan een parkgezicht met violette boomen als rechtopgezette, lijkkleurige grafzerken. je kunt je niet voorstellen wat een rotzooi er voor mij vandaag afloopt," begon ik, „mijn hemel, wat een monotonie, een verveling, grauw, wanhopig..." ,,Een of ander tentamen gedaan?" ,,Beware... Neen, 't is met een vrouw uit." Dat klonk te pathetisch. Peter's strenge rug verwikte niet. Maakte ik mij soms aan de misselijke grootspraak schuldig van jonge studenten, die over een ,vrouw" spreken, en niet over een ,meisje", alleen om hun eigen volwassenheid te bewij zen ? Nu ik ze in woorden vertaalde die op het moment zelf weer ingetrokken moesten worden, om welke reden dan ook, leek de heele geschiedenis met Else Bohler mij onwezenlijk veraf... ,,Vrouw? Meisje, gewoon meisje. Drie maanden heeft 't geduurd, al de tijd, dat jij in Parijs zat; 't heeft me op een zonderlinge -manier in beslag genomen, maar 't is nu afgeloopen, plotseling... God, wat een opluchting." „brie maanden is lang, als je je op die manier kwellen wilt," zei Peter verstrooid, en nauwgezet strijkend ; was hij toch op zijn teentjes getrapt, omdat ik zoo lang niets van me had, laten hooren? „Een soort solidariteit van gevoelens misschien? Ik kan me voorstellen dat iemand die voor een examen werkt zichzelf ook nog de dampen wil aandoen op het stuk der liefde, om niet aan innerlijke tegenstrijdigheden to lijden, uit een surplus van zelfkwelling, koppigheid..." ,,Nauwelijks... Daar zou ik tenminste pas in de laatste plaats aan gedacht hebben. De tegenstrij digheden zaten meer in de liefde zelf..." Peter zweeg. „Ik herinner me ons gesprek van de winter, toen 't zoo laat is geworden, toen met die sneeuw... Ik moet je gelrjk geven, Peter. Het is onmogelijk jezelf aan een vrouw te. geven. Afge'zien nog van uiterlijke hinderpalen, die ook in mijn geval ruimschoots aanwezig waren, vindt iedere liefde zijn rem in een soort... ja hoe zal ik 't noemen, in gewone haat, dat is de eenvoudigste formuleering... ,,Maar niet de eenig juiste..." „ wekt automatisch haat op voor 't zelfde object, krachtens een wet van evenwicht misschien, en verjdelt de zelfovergave... Dat moet jij bedoeld hebben, toen je mij indertijd je houding tegenover vrouwen be schreef, die me toen zoo bar voorzichtig v000rkwam..." ,,Merkwaardig, dat je da.ar op terugkomt," zei de schilder, die zich glimlachend en nieuwsgierig naar me omgekeerd had en nu op de rand van zijn fauteuil ging zitten, in Parijs heb ik genoeg van het zoogenaamde werkelijke leven gezien om weer eens innig naar theoretische discussies te verlangen, hoe abstracter hoe beter; mijn pols is de laatste tij d wat stijf, wat erg tuk op rechthoeken en kubussen, waarschijnlijk omdat ik er te onsystematisch op los gezwamd heb, de verhoudingen moeten maar weer eens omgedraaid worden... Overigens heb je er niets van begrepen wat ik toen beweerde ! Het gaat voor mij niet om lief de en haat, maar om liefde en zelfbeheersching, om het evenwicht daartusschen. Liefde en haat geven tezamen een eindeloos, zinneloos geschommel, en aangezien een weegschaal geen seismograaf is, en een mensch geen mimosa pudica oftewel..." Ik viel hem in de rede. Ik was hier gekomen om over Else Bohler te spreken. Dit ging me te ver, zelfs als in leiding! „Ik zie niet in waarom jouw opvatting de mijne uitsluit. Laat zelfbeheersching een reactie zijn op haat, of een veredeling ervan. Voor mij is de hoofdzaak, dat ik met elementaire kracht en van 't begin af aan een vrouw gehaat heb en liefgehad, niet na elkaar, zooals je dat gewoonlijk ziet, niet als desillusie, maar tegelijkertijd; ik kan zelfs precies zeggen waarom dat alles zoo was, waarom ik haar mond liefhad, haar oogen haatte, en zoo tot in de kleinste bijzonderheden..." ,,En je denkt, dat dat je van die vrouw verwijdert?" „D at blij kt nu wel, zou ik zeggen !" „Ik weet niet wat er gebleken is, ik weet niets van dat meisje af, maar wel heeft de ervaring mij geleerd, dat niets zoozeer bindt als haat, wanneer die niet meer van liefde te scheiden is! In zoo'n geval worden de liefdespijlen niet naar binnen geschoten, maar naar binnen gewrikt, heen en weer, zoodat er geen terugtrekken meer mogelijk is. De haat blijf t een voortdurende prikkel om je liefde te overdrijven... Je reageert niet af... Nu, Gluck auf met zoo lets!" ,,Waarom zeg je: Gluck auf?" Peter trok zijn wenkbrauwen op. „',t Is tooevallig een Duitsche..." In Peter's oogen begonnen lichtjes te tintelen. ,,Een Duitsch dienstmeisje. En Katholiek ook." ,,Maar 't is uit, zei je. Gelukkig dan. Ik heb meer vrien den gehad met Duitsche dienstmeisjes. 't Loopt niet altijd goed af. 't Zijn jeugdcomplexen voor dienstmeisjes, of voor Duitschland, of voor alle twee..." ,,Heil Freud !" riep ik, een beetje geprikkeld. „O, vind je niet, dat we Freud weer wat meer aandacht schuldig zijn, nu hij verbrand is? En als je dan al zoo ver heen bent, dat je op Duitsche..." ,,En ik ben ook jalo-ersch," ging ik koppig voort, in een onredelijke behoef to om mezelf bloot te geven, „op iemand die ik niet eens ken, ik weet alleen, dat hij Steinmann heet." „Men is altijd jaloersch op wat men niet kent, en omdat men iets niet geheel kent, wat dan wel in de eerste plaats geldt voor de geliefde. jaloezie, net als zuinigheid, berust op gebrek aan voorstellingsvermogen. De rijke kanonnengieter is gierig, omdat hij zijn bezit niet meer overzien kan, en jij bent..." je vergelijkingen zijn martiaal, Peter, eerst pijlen, nu kanonnen! Laten we veronderstellen, dat mijn-nederige vertegenwoordigster eener militairistische natie je daartoe inspireert. Overigens is die geschiedenis zoo terre a terre en oninteressant, dat ik je er niet mee vervelen wil... 77 „Integendeel !" Hij stond op om weer te gaan strijken. -- „Een andere keer moet je 't natuurlijk vertellen. om nog even op dat samengaan van haat en liefde bij jou terug te komen: ik geloof, dat er in die gevallen altijd sprake is van een onvoldoende keus tusschen de ouders, waardoor je je heele leven op twee gedachten hinkt en tweeslachtig blijf t ook in je erotische voorkeur..." ,,Dat gaat me te hoog," zei ik bijna grof, pijnlijk geraakt door die toespeling op mijn huiselijke omstandigheden, ,,dat is Freud op z'n smalst ; je ziet over 't hoof d, dat de tweeslachtigheid al in het meisje zelf zat..." ,,Allicht! Maar waarom moest je juist haar kiezen, en niet een van de vele anderen zonder zoo'n gecompliceerde aanleg?" ,,Puzzle dat dan zelf maar eens uit! Ik zal je niet langer ophouden..." Ik wilde naar de deur loopen, 'toen Peter, onverstoorbaar, maar toch wat rooder in zijn gezicht dan gewoonlijk, mij met een kort gebaar tegenhield. „Je vertoont de typische geprikkeldheid van bejaarde professoren in de psychiatrie, waarvan je de complexen op Lien pas afstand ruiken kunt, en die Freud meenen door te hebben. Overigens is Freud geen panacee. Ga eens wat lezen over de toestanden in Rusland, waar ze bij honderdduizenden verrekken van de honger; of over de Pacificpolitick van Japan. Je horizon is sterk ingekrompen. Examenstudie, plus een Duitsch dienstmeisje..." Ik had lust om te vloeken. Zoo of f en mogelijk zei ik: ,,Als iedereen het probleem van de verhouding met een Duitsch dienstmeisje opvatte zooals ik dat gedaan heb, zou er misschien geen honger meer geleden worden op de wereld, zelfs niet aan de Wolga. Je wilt mij, als ik het goed begrijp, uit mijn individualistisch kringetje in het barnendste collectivisme stooten; 't mankeert er nog maar aan, dat je me een uitstapje aanraadt naar Parijs. Daar heb ik trouwens geen geld voor. Ik ben arm, jaloersch, overwerkt, en erotisch sterk ondervoed. Maar jij bent me wat te olympisch, Peter! En op je v000rstellen betreffende ontwikkelende lectuur heb ik maar een antwoord, de variant op een bekend gezegde: le collectivisme commence de soimeme..." „Par soi-meme !" ,, Ve r rek !" „Hier in Holland zijn de menschen juist veel te goed voor hun Duitsche dienstmeisjes, man! Dertig duizend zijn d'r nu al, een heele invasie! Als het allemaal maagden waren, zou er een fascistische Minotaurus moeten opstaan om ze te verzwelgen..." ,, oei-emorgen . ,,Sterkte ! !" Met een harde knal trok ik de deur achter mij dicht. GeIrriteerd, minder door Peter's ellendig getheoretiseer, zijn superieure spot, dan door zijn toespeling op die dertig duizend maagden, liep ik weer naar huis. Nog hield de warmte de ergernis in me gesmolten. Daarachter evenwel dreigde de stolling tot een scherp verdriet, waarin zich alles zou samentrekken, tot een bodemlooze leegte er omh-een achterbleef. Ik liep traag en met tegenzin. Daar ik Else had aangeraden een auto te nemen voor haar kof fer en niet de kans Wilde loopen haar naar het station te zien wegrijden, koos ik de Orionstraat om de Waalweg to bereiken in plaats van de Andromedastraat. Thuis leek alles uitgestorven. Zelfs mijn moeder, die anders altij d overal tegelijk was flitste niet tusschen achterkamer en keuken heen en weer. Alle deuren dicht. Ik wist niet hoe ik haar onder de oogen moest komen, na deze overwinning, die zij op Else Bohler behaald had en die pas definitief werd, nu ik terugkeerde onder haar hoede... Op de tweede verdieping was de kookhitte zoo drukkend, dat ik het bijna als een uitkomst begroette, toen ik voetstappen boven m'n hoofd hoorde. Er was dan toch nog iets boven me, boven dit warme helletje onder lood, teer en kiezel... Mijn woede steeg maar langzaam, toen ik begreep, dat het Eg moest zijn. Gew000nlijk k1om hij op het dak om er zich door mij weer af te laten jagen, maar hij kon niet weten, dat ik al thuis was. Het eerste wat ik, door de openslaande deuren naar buiten schuivend, gewaar werd, was een zonderlinge schrikachtige beweging in onze wingerd, alsof een klein dier zich daar heftig schudde of fladderde achter de bladeren. Even daarna klonk het scherp gekets van een Steen tegen de roode muur; de worp had ik niet gezien. Daar er nogal wat kinderen in de Andromedastraat speelden, liep ik, niets vermoedend van de werkelijke toedracht, verder naar voren, en keek, juist op het moment dat een derde Steen klikkend ons houten vogelhuisje raakte met de snoer apenoten voor meesjes eraan, mevrouw Steketee in de oogen, die dadelijk haar gezicht afwendde in de richting van het platje van Erkelens. Ze lag in een lange tuinstoel met Johan Fabricius op haar schoot, bijna tusschen de Oost-Indische kern; haar gezichtsuitdrukking was verbaasd en licht h ,00nend, haar hand hield ze half omhoog als om een slag af te weren. Van verschill,ende zijden klonken nu stemmen: van geheel rechts een onderdrukt gegrom met een enkele schrale jammerkreet er tusschen door, boven-achter mij het gejoel van Eg: ,Goed gemikt, verdomd, al onze bloemen naar de he!, off side! He daar heb je de eeuwige candidaat ook!" terwijl onder mij een opgewonden gesprek tusschen mijn m,oeder en ons dienstmeisje hervat werd, waaruit ik de woorden „naar de politic gaan" opving. Vrij dicht fangs ons huis vloog een kantelend bruin voorwerp, dat in het tuintj-e links van het onze terecht kwa-m. Eg juichte: ,,Een haarborstel! Een haarborstel van die meid! G. v. d. wat een lol !" Voor ik mij rekenschap gaf van wat ik deed had ik een groote Steen opgeraapt en smeet die met kracht naar zijn gezicht, dat woest grijnzend als een gargouille boven de zinken dakrand uitkwam. Meteen was hij on zichtbaar. Ik vloog naar voren en overzag nu het geheele schouwspel. In de tui.n van Erkel-ens liep Else Bohler in haar zwarte regenmantel of en aan, kalm van profiel, haar mond een beetje streng en bigot proevend geplooid, telkens vastberaden bukkend naar de voorwerpen, die nu niet meer in ons tuintje, maar rechtstandig naar beneden gesmeten werden vanaf het bastion van het hoekhuis: een paar schoenen, een tandenborstel, een stapel hemden, alles fladderend of springend uit de handen van de aapmensch, die met voile grepen het meidenkamertj,e leeghaalde, ais Sinterklaas over de daken naar het hekje schreed en dan de boel eenvoudig liet vallen, terwijl achter haar met een benauwd verwrongen gezicht telkens de dwerg te voorschijn kwam om haar zuster tegen te houden. In de Andromedastraat stonden zeker tien menschen, schooljongens meerendeels. Juist toen mevrouw Steketee op ongenaakbare wijze naar haar huis terugliep, geelbleek van zelfbeheersching en zondter naar boven te kijken, spatte op het steenen pad, waar Else bedrijvig heen en weer stapte om haar bezittingen bij elkaar te zoeken en in een groote koffer te stoppen, die open en bijna geheel gevuld op het gras lag, een odeurfleschje in diggelen. Dit scheen sevens het einde te zijn. Juffrouw Erkelens leunde uitgeput over het hekje: feen half blinde, zakkige kolos, doodsbleek, alle energie eruit geg000id ; de dwerg sloop voorzichtig naar haar toe en legde haar hand op haar schoudler ; in de An dromedastraat ging een zwak gejuich op. Was een paar minuten lang het geheele voorval niet veel meer voor me geweest dan een dol droomgedoe van half bekende potsenmakers onder een gloeiende zomerhemel, mogelijk doordat dat fleschje me aan de lavendelgeur herinnerde, waarnaar Else's adem rook, kwam ik weer tot mezelf. Dol van strijdlust, steeds met het baldadig gejuich uit de Andromnedastraat in mijn ooren, stormde ik mijn kamertje door, ik nam de trap met drie treden tegelijk, en stond op de eerste verdieping plotseling tegenover mijn moeder. Ik herinner me, dat ze een laag uitgesneden blouse droeg, wat gerafeld daar waar de bruinachtige dubbele - ronding van haar borst began. Zweetdruppels op haar voorho-ofd waren tot een vleksgewijs papje aangemaakt met het poeder. Boven me klonk het gestommel van Eg, die van het dak afkwam. je gaat daar toch niet been, he?" „Gaat u niet aan. Ik ben dadelijk terug..." „Je krijgt 't niet in je hoofd, verstaan? Ik heb daar al genoeg ellende mee gehad, hoe vaak heb ik je al gevraagd die snol met rust te laten, en mevrouw Steketee die nu natuurlijk alles weet! Je moest je schamen! Je sleurt onze goede naam door de mmodder! Eg, jl*j* gaat naar beneden! God, o god, wat een afschuwelijk Leven..." ,,Laat u me door, of niet?" ,,Dan moet je 't huis maar uit, Johan, gerust, we kunnen je niet houden, dan moet je maar vort, dan moet je maar..." Haar stem haperde; haar gehijg hoorde ik van dichtbij. Ik wilde langs haar been glijden, het was me er werkelijk om te doen haar zooveel mogelijk te ontzien, hoewel het door haar gebezigde woord ,houden", alsof ze van een huisdier sprak, tergend in mijn hoofd nagonsde, Coen zij eensklaps een klokkend geluid voortbracht, en met haar hand onmiskenbaar op haar hartstreek gedrukt half over me been zeeg, terwijl de andere de leuning te stevig vast had dan dat ze echt vallen kon. Scheef ineengezakt bleef ze zoo in het trapgat liggen. Eg schoot toe, eer nieuwsgierig dan behulpzaam; in de slaapkamerdeur draaide het dienstmeisje heen en weer, vuurrood, met kleine begeerig glinsterende oogjes. Mijn moeder steunde alsof hevige pijnen haar doorsneden. Een starre spleet leek haar mond, een gapend papier-mache. Het was wat te mooi allemaal. „Haal jij de dokter even," zei ik, en maakte aanstalten om over haar beenen to springen. Bijna dubbelgevouwen stond Eg over het lichaam gebogen, beleefd en officieel, alsof hij een meisje ten dans vroeg. „Ik heb geen tijd ; Emmy moet maar naar de dokter. Maar ik geloof er geen bal van, zeg, 't is aanstellerij, net als varier, zeg!" Bliksemsnel streek mijn moeder's hand mij door het haar, toen ik mijn sprong nam. Eg slaakte een snort krijgsgehuil. Reeds in de vestibule hoorde ik haar driftige hakketikjes op de trap, maar het was te laat. Hoewel rijn ridderlijke opwelling bijna geheel vervluchtigd was, liep ik toch nog naar de hoek, om poolshoogte te nemen en als het kon Else bij te springen. In de Andromedastraat stonden de jongens nog op dezelfde plaats, op eenige afstand rondom een huurauto, waarvan het deurtje juist door een breed geschouderd chauffeur dichtgesmakt werd; de man tikte in het wilde weg een beetje minachtend aan zijn pet, de jongens stoven achteruit, en daar reed Else Bohler heen, in een snorrend vaartje, een zakelijke benzinelucht verspreidend, en zoo, dat ik bijna niets anders van haar te zien kreeg dan het blonde haar, waarnaast de rechtopgezette koffer op en neer schokte. In de opening van de tuindeur stond een klein, mismaakt vrouwtje, rood behuild, in mijn richting te kijken, zonder mij te herkennen. Ze bracht haar hand naar haar oogen, en verdween. Ook voor mij zat er niets anders op dan terug te gaan. Om althans nog iets van mijn houding te redden, belde ik aan bij onze buren aan de Orion-kant en vroeg aan het niets begrijpende oude dametje, of ik de borstel hebben mocht, die per abuis in haar tuin was gevallen vanuit het raam van mijn broers kamertje. Even later, versuft op mijn divan gezeten, vlak onder de smoorhitte, trok ik uit het stoffige ding wat lange blonde Karen, en wond ze om mijn vinger totdat ze afknapten. Nog voor het koffiedrinken bood ik mijn moeder mijn excuses aan, die zij koel en vormelijk aanvaardde, maar met een onderdrukte haat, zooals ik nooit eerder bij haar opgemerkt had. Zooals ze daar een ondo-orgrondelijke, strenge en wat vies-preutsche houding trachtte aan te nemen, als tegenover een vreemde, met wien men onder een dak leven moet, noodgedwongen! Ik vergenoegde mij er mee te verzekeren, dat het ,Duitsche dienstmeisje" nu voorgoed weg was en dat het het beste zou zijn die steenen tegen de muur en het voogelhuisje maar over onze kant te laten gaan. Nauwelijks keurde ze me een antwoord waardig. Ik wist niet of ik er haar op voorbereiden moest, dat juffrouw Erkelens, die nu immers van alles op de hoogte was, wel weer eens aan de deur zou kunnen komen klagen. Erg waarschijnlijk leek me dat overigens niet, na die smijtpartij. Toch kreeg ik pas na vieren het gevoel, dat de geschiedenis Else Bohler met alles wat er aan vast zat voorgoed tot het verleden behoorde. Om kwart vo-or zes vond ik bij het avondblad, dat ik ,altijd zelf uit de bus haalde, een tweede envelop met mijn adres erop. Het ingesloten briefje luidde: Mein lieber Johann! Ich bin noch nicht fort. Gehe erst morgen fru'*h, mochte dick noch einmal sehen. Ich schlaf a im katholi. schen Madchenheim. Das war ein schoner Auftritt im Garten, sie haben mir auch mein Geld nicht gegeben, well ich nicht gekundigt hatte. Macht nichts. Ich denke nur an dich. Habe keine Angst, dass meine Liebe zu einem andern gehen konnte. Und wurde ich Dick auch nie heiraten konnen, die Liebe zu Dir f U**hrt in ein ferneres Jenseits. Also. .. Du, Du, nur Du allein sollst stehst der Traum...?! Habe heute Nacht einen seltsam schonen Traum gehabt. Einen Traum, wenn das einmal Wirk, lichkeit wi rde... Ich werde ihn mundlich erzahlen. Ach, warum darf ich nicht ganz gli cklich sein? Ich brauche mir nichts einzubilden, ich Weiss genau, wenn ich dick nicht kennen gelernt hatte, so ware ich Heute schon verrheirat. Reich, aber ohne Liebe. Jeden falls ist es besser ich gehe fort. Du bist kolossal heissblutig veranlagt, and ich nicht weniger, and zwei heisse Menschen zusammen das geht nicht gut aus. Zudem mochte ich noch eins vollbringen, and das ware, das ich ein ganzes Jahr fort bin, um mein gewisses Matrial in der Kehle ausbilden zu lassen. Und solltest Du mich dann irgendwo Koren, so denke, alles was sie singt ist fur mich. Und wenn ich Bann wieder kommen werde, nach 2-3 Jahren, dann werden wir uns vie! leicht in die /Irme schliessen, and fur immer, al/es zu vergessen. Es ware auch nicht schon, was man begeert, dire/it zu besitzen. Komme acht Uhr beim Fernsprecher, ich warte auf dich. Ich schliesse and kusse dich im Geiste and mochte immer bei Dir bleiben. Deine Else!" Behalve de spelfouten bevatte deze brief nog enkele verschrijvingen, die niet waren doorgeschrapt, maar tusschen haakjes gezet, alsof zij altijd nog iets te goed waren om geheel aan h-et o-og te worden onttrokken. Tot kwart voor acht doorstond ik een doffe, lafhartige tweestrijd, waarin de borstel met de blonde haren, die ik Else toch terug moest geven, de rol speelde van een onontkoombaar voorwendsel. Tegenover de motieven, die dit voorwendsel nog ,ondersteunden, stond alleen mijn angst voor de zomeravond, voor de wanhopig zinnelijke bekoringen, die deze brengen zou en waarop ze zelf in haar brief had gezinspeeld, het v000ruitzicht van mijn weerloosheid. Tenslotte was het rijke huwelijk, waarover zij schreef en dat ik weer met „Steinmann" in verband bracht, beslissend, maar evengoed, zoo grout was de overmacht, had een andere overweging beslissend kunnen zijn. Een oogenblik dacht ik erover mij te gaan bedrinken om de avond door te komen. Maar ik had geen geld om mij te gaan bedrinken. Op weg naar de telef000n stelde ik me haar voor zooals bij die smeekbrief behoorde: meegaand en gedwee, h:et uiterste beproevend om mij te vermurwen, een meisje dat niet van mij los kon. Maar in werkelijkheid kwam het heel anders uit. O-nmidd.ellijk overstelpte ze mij met een uitdagende vroolijkheid, die alleen gef orceerd leek door de hardnekkigheid waarmee ze het twee uur lang volhield. Niet zij was de smeekeling, maar ik. Een dasspeldje, dat ze voor me gekocht had, gleed in mijn jas t4l) Else Biihler, Duitsch Dienstmeisje zak. Als tegengeschenk reikte ik de haarborstel over, die ik in een kraut had gepakt... Gekwetter -en gesnater: over juffrouw Erkelens en haar aanvankelijke weigering de koffer af te geven, toen ze de drie steenen had zien liggen, bewijs van mijn medeplichtigheid, over den chauffeur, die zich ,ganz anstandig benommen" had, over de vermakelijkheid van al die hemden door de lucht, over de ,,Schwester Oberin" in het Madchenheim, die haar tien nieuwe diensten tegelijk had aangeboden (maar neen, ze ging beslist naar Duitschland terug!), over de film die ze 's middags was gaan zien, een ,ganz famoser" film met Anna Sten in een nachtcaf e, een , Kdnstlerleben", geweldige verleidingen, schitterende zang... Meteen zwenkte ze af naar haar eigen toekomst: in een jaar zou ze be roemd zijn, ik hoorde haar dan wel door de radio, Fransch en Engelsch moest ze ook leeren om filmster te worden, dat ging in een moeite door, allemaal in datzelfd-e jaar. . . Hoewel hier een ongebreideld zelfvertrouwen uit sprak, hoefde ik maar mijn twijfel aan zoo'n verbluf fende loopbaan te kennen te geven, of ze keek me onder hoog opgetrokken wenkbrauwen bol en grappig aan, alsof ze 't niet meende, en bond dadelijk in. Wel kwamen er dan nog mededeelingen over ein „Ballkleid", dat zij zou laten maken, en uitlatingen als „Ich komme durch !" en „Man ist der Schmied seines eigenen Gluckes!" maar zij scheen evenzeer bereid om zich do-or mijn waarschuwingen te laten ontmoedigen en zonder veel spijt terug te springen in een nederiger werkkring. De belachelijkheid van dit alles maakte het mij gemakkelijker mijn houding te bepalen. Toen ik, voldoende gedekt dolor mijn gewone superieure spot, naar de droom vroeg, waarover ze geschreven had, wilde ze mij eerst nieuwsgierig laten, op ,de manier die ik zoo goed van haar kende, de manier die zij zelf „aufziehen" noemde (op stang jagen), maar twee minuten boudeeren hielp feilloos en na een verlegen aarzeling deed ze mij dat verhaal onder linksche, energieke gebaren tegen de sterren en de boomkruinen, die allemaal van haar schenen te zijn, half -op het schoolsche, kinderlijk afgebeten toontje van vro-eger, half als een soort schaterend loflied op God. De droom hamerde ze me in, alsof ik hem zelf gedroomd had. Weinig dingen in mijn leven zie ik in zoo volkomen plastische scherpte voor mij als deze droom van Else Bohler. ,Wir waren auf einer grossen Reise, du and ich, and dein Freund and meine Freundin, wir waren in Italien, wir vier, and sahen die schonsten Blumen and Baume, prachtvoll! Der Himmel war wunderbar blau! Auf einmal sahen wir die Mutter Gottes zu ons hinabschweben, ganz in Weiss gekleidet, schon, o so sch©n.. . Ich schrie ! ! Ich rief : auf den Knieen!! Beten ! ! Beten ! ! Wir beteten alle vier, du auch. Die Mutter Gottes kam zu uns hin and lachelte zu dir, sie beruhrte deine Stirn..." Else Bahler zweeg, en stak haar neus in de wind. ,,Ein schoner Traum," zei ik verstrooid, en wachtte op wat er na deze poetische aanloop nog komen z,ou. Zij had zich van me losgemaakt en zwaaide met haar lange armen. Terwijl we een paar bankjes passeerden, kwetterde ze al weer verder, zonder op mij te letten, al sneller en opgewondener. ,Ach, wie schon and weft ist die Welt! Wenn man jung ist, kann man alles. Wenn ich beruhmt bin, spiele ich vielleicht zusammen mit Hans Albers, der wird mich kussen, ich werde mir das schonste dabei vorstellen," even hield ze in, toen ze een onwillige ruk van mijn schouder bespeurde; haar dwaze, dol glinsterende oogen draaiden in mijn richting, en ineens begon ze hoonend pa r,odistisch op de paartjes op de banken to wijzen, die haar doodstil nastaarden, als verraste dieren in hokken, die men in een dierentuin voorbijtrekt: „Ach, wie ist die Liebe doch schon! Ach, wie wunderbar, jedermann seine eigene Bank!... Das Leben birgt noch so viel fur mich ! ... Man soil immer lustig sein! ... Immer feste! ... Scliutzka f f eeee!! ..." Het kan ook een ander woord geweest zijn, nog steeds ben ik er niet zeker van. Een ordinair, heesch en tegelijk gonzend krijschen was het dat haar toespraak had besloten, eindigend in een lange, toonloos wegstervende uithaal, uiterste tegenstelling tot haar gewone stem ,geluid, dat beschaafd genoemd kon worden. Hoewel dat gekrijsch even onverwacht voor me was als ionbegrijpelijk in zijn beteekenis, wist ik toch meteen waaraan het -me deed denken. Op het woord zelf kwam het niet aan. Klank en opeenvolging der timbres daarentegen riepen onf eilbaar het beeld wakker van een jonge, blonde, half dronken prostituee, die ik in een van mijn eers:te studentenjaren in een cabaret tusschen kaalhoof dige, bebrilde nachtbrakers had zien zitten, haar armen om twee rimpelige nekken heengeslagen, wippend op de maat van de rmuziek, en telkens zonder eenige aanleiding uitbarstend in een geil, circusachti,g gejoel, waarbij men zich kletsende zweepen voorstellen moest, de perverse geur van paardenstallen, en rijen bejaarde aanbidders met hooge hoeden voor een half open kleedkamerdeur. Dit ongebonden tafereel, verwarrend tooentertij ,d voor mijn jeugd, door mijn verbeelding minder in na-oorlogsche dan in fin-desiecle- zin omgevormd, dook nu pl-otseling in mij op om al mijn twijfel aan Else Bohler's zedelijk verleden voelbaar en zichtbaar to maken, veel sterker dan Welke feiten of be wijzen, sterker zelfs -dan wanneer ik geweten zou heb ben wat het woord beteekende en waar het van afkomstig was. Een vriendin die opium gebruikte, een beschermer genaamd Steinmann? De paniek van dat woord , Schutzkaffee", dat uitgebrulde visitekaartje van een kermismeid van het minste allooi, overtrof iedere werkelijke toedracht, omdat het alleen op vage mogelijkheden betrekking scheen te hebben: op datgene wat Else Bohler had kunnen worden bij een andere samenloop dan die haar gemaakt had tot een meisje dat meent te zondigen als ze sigaretten rookt. De gedachte hieraan was ondraaglijk. Ze had met die stem, met dat levenslustige gebrul! een soldatenhoer kunnen zijn, verkracht en besmet door een regiment, en achteraf nog manmoedig en opgetogen brullen: ,Schutzkaff ee !" en weer geranseld en op ondenkbare wijze onteerd, en toch nog: ,Schutzkaff-ee !".. . Ik vroeg Naar wat ze daar riep. ,,Nichts!" Ik herhaalde mijn vraag driemaal. „Nich,ts! Das sag ich nick..." Mijn keel dichtgeschroefd door machtelooze jaloersehe woede, stelde ik andere vragen: naar die onduidelijke zangopleiding, weer naar Steinmann, Bien ik, indachtig aan haar bewering van de vorige avond dat hij geen junger Mann" was, ineens ver-eenzelvigde met den ,,alteren Herr" die vroeger met haar had gedanst; ik vroeg haar waarheen ze ging, ik vroeg naar haar adres, ik kreeg niets anders te hooren dan datzelf de ,Nich... nick.. nich..." „Ist der reiche Herr, der mit dir heiraten will, Steinmann? Ist er schon alt?" „Das sag ich nicht!" riep ze schaterend, met fluitachtige gilletjes er doorheen, ,ich sag nicht ja, and ich sag nicht neinl" Ik had nu de keus tusschen drie dingen: haar in het gezicht slaan, wegloopen, of woord stellen tegenover woord. Ik koos het laatste, maar binnensmonds. Uit een instinctief verlangen naar zelfbehoud koos ik volledig partij voor de scheldende stem, die mij al zoo vaak geholpen en gehinderd had. Ik hoef die scheldwoorden hier niet te herhalen, „Duitsche hoer" vormde wel het hoof drefrein, evenmin als ik in bijzonderheden hoef te beschrijven, hoe ik tegelijk met dat hatelijk en zelf kwellend geprevel lief desdaden nastreefde, die daartoe wel in de grootst mogelijke tegenstelling stonden. Mijn haat verbergen: dot had ik wel geleerd door mijn Leven op de Waalweg.. . Tot kalmte gebracht lag Else Bohler achterover op mijn schoot, het Correggio-gezicht vertoonend zonder dat veel aandachtige voorbereiding noodig was geweest. Terwijl ik bij mezelf werktuiglijk ,Duitsche hoer, Duitsche hoer", of ,imbeciel" fluisterde, 'of haar korte beenen bespotte in de walgelijkste termen (b**voorbeeld door stompzinnig een Maleisch scheldwoord te herhalen, dat een van mijn vrienden wel Bens gebruikte en dat woordelijk ,achterwerk van een kreeft" beteekent), streelde en zoende ik haar gezicht, beter, inniger dan ik het ooit te voren gedaan had, dwaas die ik was! Want ik zag niet in, dat ik mij on voorwaar,delijk aan haar uitleverde door deze krankzinnige gelijktijdigheid : dat ik nooit meer in staat zou zijn aan haar te denken in haat of onverschilligheid zonder in mijn vingertoppen streelingen te voelen, die, voortgezet tot in mijn ziel, iedere opwelling van haat op het moment zelf ongedaan zouden maken en doen verkeeren in zijn tegendeel, zooals ook toen reeds, toen ik onder mijn wrangstte scheldwoorden door pas wist hoe lief en weerloos zij eigenlijk was. Mijn laffe huichelarij moest zichzelf straffen, en heeft zichzelf gestraft, op de manier die ik toen had kunnen voorzien, indien niet tenslotte de wellust behalve de zucht tot schelden ook alle zelfbezinning had overstemd. Overigens duurde dit niet lang. Onverwacht kreunend, sloeg Else Bohler haar arm om mijn hals om mij naar zich toe te halen, waarop ik mij misrekende met een reeks vergaande handgrepen, die meer weg haddeen van een wraakoefening dan van de bevrediging van even hartstocht die niet bestond. Al te zeer was ik me het nuttelooze van dit alles bewust dan dat ik lang aangehouden zou hebben. Toen ze opsprong en naast me ging zitten met de constateering: „Mein ganzes Kleid ist verknautscht," voelde ik mij bijna opgelucht, maar met bittere ironic hield ik haar voor, dat ze niet alles voor Steinmann hoefde te bewaren en mij Loch ook wel wat had kunnen geven i ,,Das kommt nicht in Frage!" Gekwetst stond ze op; ik volgde luste - loos, en langzaam liepen we het park uit, in de richting van de tramhalte. Mijn verleidingspogingen scheen ze al weer vergeten te zijn. Zelfs gaf ze nu uit eigen beweging haar adres in Keulen op; ik kon haar daar schrijven, de brieven zouden doorgestuurd worden, maar , terugschrijven zou ze niet: ,Das wurde mir zuviel Weh tun!" „Weh tun?" zei ik langzaam, in deze eenzij dige schrijverij een nieuwe list vermoedend om mij murw te krijgen, ,das glaub ich nicht. Du wirst wohl bald einen andern finden." „O das! Ich brauche auf der Strasse nur um zu schauen..." ,,Und die alten Herren kommen schon hergelauf en !" Ernstig en bigot vouwde ze haar mond: „Die alteren Leute haben viel Erfahrung, da kann man viel lernen. Ich babe immer viel Chance gehabt bei alteren Lenten..." We liepen verder; de tijd versti eek langzaam en gestadig; over tien minuten zou ik haar kwijt zijn... Hoewel het woord „Chance" (een woord dat ik verfoei, al moot ik toegeven, dat het in haar mond nog iets had van even archaisch-Frankische uitdrukking, en geheel anders kionk dan het ,sjans" van een Hollandsch winkelmeisje) de rot scheen te willen overnemen van het ,imbeciel" en „achterwerk van een kreeft", tegen mijn herlevende jaloezie kon het toch niet op. Wat er ook van haar zangopleiding en den man Steinmann waar mocht zijn, ik verloor haar aan de heele wereld. Ik bleef alleen achter, met mijn examen in zicht, zonder steun van Peter zelfs, Bien ik gebruskeerd had... Even probeerde ik het nog met thaar oogen, de oogen zonder gevoel of begrip, de edelsteenen zonder menschelijkheid, maar hoe werd mijn bezitsinstinct niet gestoken door zulke prachtige voorwerpen ! „Meinst du, dass ich mich nicht ungl ucklich f uhle ?" vroeg ik met gesmoorde stem. „Du bist unglucklich, weil du keine Religion hast!" Een nieuw dogma! Alles bleef zooals het was. Ze was niet te treffen, niet te beleedigen, niet over te halen; en toch wist ik, dat ze van me hield en dat het haar een groote zelfoverwinning kostte heen te gaan. Al mijn beheersching verliezend, koppig en dreinerig, beu van dit belachelijk overbodige afscheid, dat onm,ogelijk zoo te aanvaarden was heb ik haar toen gesmeekt, niet met Steinmann te trouwen; ik heb mij vernederd en op haar gevoel gewerkt; ik heb haar alles toegegeven wat ze maar wou, behalve katholieke kinderen; dan maar heelemaal geen kinderen, wat immers ook beter strookte met haar loopbaann van beroermde zange res! alles, als ze maar niet wegging. „In der katholischen Kirche heiraten, and define Kinder nicht katholisch erziehen wollen, das ist auch paradox," zei Else Bohler, nu voor het eerst met iets gemelijks en brommerigs in haar stem, „Kinder ist das schonste im Leben, ich hate mich immer nach Kinder gesehnit." Dit is een van de laatste dingen die ik mij herinner van een gesprek, dat snel beeindigd moest worden, omdat ieder oogenblik haar tram komen kon: deze ridicule constateering van een tegenstrij digheid die geen tegenstrij digheid was, alsof het trouwen in de Katholieke kerk, zoodrra ik er in had toegestemd, meteen meer voor mij werd dan een zinledige formaliteit en mij van verlangen moest doen branden naar alle consequenties! Ik voelde me opeens doodelijk vermoeid. Om nog te redden wat er te redden viel liet ik haar beloven, voorzichtig te blijven en zich aan niemand te geven voordat ze getrouwd zou zijn. Ik herinner mij in welke bewoordingen ze die belofte aflegde: „O, das kann ich versprechen, du hast es ja auch nicht gekonnt! Ich weiss, das du immer schlecht von mir gedacht hast, wegen der Freundin. Es hat mich amusiert. Es gibt zwar viele Madchen, die so leben, aber ich wi rde lieber ins Wasser gehen als das weisse Kleid am Altar Gottes nicht mit Recht tragen zu durfen!" Ik herinner mij hoe ze mijn hand drukte en xnijn arm kinderlijk op en neer schudde, en haar kalm, onverstoorbaar profiel herinner ik mij met de bolle, glanzende oogen, toen de lichten van de tram om de hoek verschenen : transformatoren van lichtjes, nieuwsgierige spoelen waar al dat schijnsel zich omheen wond zonder de kern ervan te raken, en de toon waarop ze ,Lebewohl!" zei en waarin de ontroering klonk die er bij paste... Maar als er iets is, dat voor mij dat afscheid ontroerend maakt, dan is het dat zielige woord „paradox", dat meer dan iets anders de kloof openbaarde die er gaapte tusschen haar en mij, een kloof minder wat dat geloof betrof dan in denken en voelen. Een heel menschenleven zou niet lang genoeg zijn om die kloof te overbruggen ! Wat is ,,paradox", Else, en hoeveel jaren zal ik met je getrouwd moeten zijn en met hoeveel kinderen en kleinkinderen, om je aan te toonen aan welke denkfouten je je schuldig maakte bij het gebruik van een woord dat je een ander napraatte? Maar zoodra haar onbegrip ophoudt een logica te beleedigen die er nu niet meer op aankomt, staat het op een lijn met al het andere dat door de afstand mooier - words gemaakt: met het mytholo ,gisch,e lachje over de daken van de Waalweg, of het waaiende stof, van bruine matjes afko.mstig, waarop de middagzon scheen... Een nieuwe tijd brak nu aan. Na mezelf tot een snelle en d,oelmatige verachting voor alles wat naar Duitsche dienstmeisjes zweemd,e opgepompt te hebben rolde ik maar weer verder, zoo goed als het ging, en begreep niet waarom ik Else Bohler ooit noodig had gehad om acht uur per dag voor een examen te kunnen werken. Al school er ook jets teleurstellends in dat zij niets meer van zich hooren liet (,eigenl**k had ik verwacht dat we voortaan iedere dag opnieuw afscheid zouden nemen !) , ik kon nu tenminste een streep zetten onder deze heele geschiedenis. Wat was er ook al niet achter de rug, welke triviale vernederingen, welke onzekerheid, domheid en monotonie! Spoedig evenwel werd ik mij in mijn toestand van doff e schijntevredenheid van verschillende nieuwe stoornissen bewust. Wetsartikelen weigerden in mijn hoofd te blijven, of speelden stuivertj.e verwisselen. Onder het werk had ik voortdurend te kampen met de neiging naar buiten te gaan en naar de roode muur met de reeds bruin wordende wingerd te kijken, en dan naar de lat, waarover Else Bohler haar kleedjes had geklopt, terwijl ik me 's avonds trachtte voor te stellen, hoe zwart en kantig de steen, die zij altijd voor me neerlei, of had gestoken tegen het lichte hekje. Bedroefd en weemoedig voelde ik mij daarbij niet; het waren eenvoudig oude gewoonten, die ik niet zoo gemakkelijk afleggen kon, en die, zoo meende ik, wel spoedig zouden slijten. De venij nigste en meest ondergrondsche aanvallen evenwel kwamen van de kant van Waalweg 27. Reeds na een paar weken scheen het me toe of overal gewichten aan me hingen: aan mij alleen, zonder de heilzame verdeeling ervan, die het platje van Erkelens had bewerkstelligd als steunpunt van de hefboom. Al wat me vroeger gepijnigd had, het kwam in verdubbelde mate terug: de omgang met mijn ouders en hun coterie, mijn angst voor de toekomst, mijn geirriteerdheid vooral om Eg, die, na een paar weken uit de stad to zijn geweest voor zijn groote vacantie, zich opnieuw Sint-Vitus-achtig door het huis bewoog en op het dak klom (nog niet eens het ergste, want dan had ik tenminste hetvoorwendsel naar de lat te blijven kijken, nada^t ik hem naar beneden had gebruld) en aan tafel raadselachtige kernspreuken ten beste gaf over ,,deutsche Made!", en „die rotzooi in Duitschland", met een veelzeggende blik naar mij, die dan dadelijk afgleed op mijn kleeren, die volgens hem beter waren dan de zijne. De heele dag was hij nu om ons heen, weken achtereen. Hij verveelde zich. In mijn dictaatcahiers vond ik poppetjes geteekend met lang haar en een arm in de hoogte: de Hitler-groet. Andere dictaatcahiers, een heel leerboek zelfs, raakten zoek zonder dat ik hem op goede gronden betichten kon. Hij leek mij nerveus, geladen met ressentiment. Aan sport deed hij niet; wel sprak hij veel over kaarten, weddenschappen, gokspelletjes, en om de drie dagen werd dat dan in de practijk gebracht op luidruchtige avondjes, die mij nog meer van mijn werk afhielden dan de mevrouwen, die tenminste niet vloekten en met de vuist op tafel sloegen. lVlijn ouders gingers dan gewoonlijk uit; Eggie kreeg koekjes en sigaretten, en als ik mijn thee kwam halen, zat het heele gezelschap rondom de tafel met stalen gezichten te bridgen. Een half uur later was het alsof er onder mijn voeten een vulkaan borrelend en ploffend overkookte. Een keer waren drie jongens door het glas van de suitedeuren gevallen, dat er schoon uit lag zonder een van die gymnasten bezeerd to hebben. Er was een blonde, of fen jongen bij, die (toen ik eens op de gang stond te luisteren) niets anders zei dan „g. v. d., g. v. d.," ontelbare malen achter elkaar, terwijl de anderen muisstil bleven als om hem in de gelegenheid te stellen behoorlijk zijn gemoed te luchten. Een andere jongen, die boven een gestold babygezicht met raadselachtige donkere oogen een onwaarschijnlijk hoog voorhoofd droeg met twee knobbels, gelijkend op de rozenstok van een Jong hert, piepte op aanmatigende toon ,,zwalu, m'neer Roodenhuis", zoodra ik beneden kwam om de orde te stichten. En in dit milieu moest ik studeeren! Studeeren, zonder zelf s maar het gevoel, dat er eenige consideratie met mij werd gebruikt. Mijn moeder tenminste, al vertroetelde ze hem ook niet meer zoo, na die scene op de trap, waarbij hij zich in haar oogen zoo harteloos gedragen had, liet Eggie in alles zijn gang gaan, terwijl mijn vader, wanneer hij aan een standje toe moest zijn, met omhooggetrokken wenkbrauwe n naar de plaats keek waar , Eggie vijf seconden tevoren voorbij was gedanst... Na een vage droom, waaruit ik op een ochtend snikkend wakker werd, wijzigde zich het beeld van mijn innerlijke beslommeringen opnieuw. Ik droomde, dat ik met Else Bohler voorbij een bloeiende haag liep, waarbij ze zoo klein en witgekleed was als het rneisje, dat ik de Waalweg had zien oversteken, de eerste Zondagochtend, even voordat zij voor het voorkamerraam was verschenen. Maar onmiddellijk daarop, alsof de symmetrie van een zinnebeeldige prent betracht moest worden, was diezelfd,e haag in herfsttooi, met bladeren als hoopen ineenzakkend bruin vuur, of geheel ontbladerd, grauw, afgestorven. Het besef van een doodelijk verlies, opgewekt door dez^e simplistische regi,e van mijn onderbewustzijn, zette zich na het ontwaken voort in een knagend weemoedig verlangen, waarvoor ik al mijn kritische zin no,odig had om het te blijven zien als wat het in de grond was: niets antlers dan het terug verlangen naar een tijd van geluk en geestelijke gezondheid (al waren die dan ook rmaar schijnbaar) die zich in Else Bohler had belichaamd. Met smartelijk welbehagen liet ik mij verzinken in een bad van sen-timentaliteit. Uren lang zat ik voor me uit te staren met haar portret in mijn handen. In mijn verbeelding beleefde ik alles opnieuw, maar nu eenzij dig belicht, net alsof die tweevoudige droom mij niet meer toestond de schaduwzijde te zien, die hij zelf reeds op zoo aa,ngrij pende wij ze had geresumeerd. Nu begreep ik pas, hoe gelukkig ik geweest was die drie maanden lang, en hoe botweg ik Else Bohler on rech,,t had gedaan. Heftig verweet ik mezelf mijn wantrouwen en de minderwaardige middelen die ik gebruikt had om mij innerlijk van haar los te maken. Onze geheele omgang werd gepoetiseerd tot een verfijnd epos der domheid, domheid in de zin van „nicht von der Gedanken Blasse angekrankelt" (ik zocht in die dagen voornamelijk naar Duitsche citaten; ook geheele gesprekken hield ik bij mezelf in het Duitsch) . Onmogelijk kon ik mij voorstellen nooit meer die kwetterende stem te zullen hooren, die mij parmantig op mijn nummer zette, dat voorzichtig kreunende zingen; nooit meer het mooie, bedroefde voorhoofd, de grappige wenkbrauwen, het molenwieken van haar armen. Als naleve wijsheden ter overdenking zei ik al haar stopwoorden en opmerkingen bij mezelf op: ,,Das ist wahr".. . -„Ein krdnes Hutchen mit einer ro-ten Feder..." ,, Scho-naugen hat er" (toen ik haar op een Zondagochtend voor het raam de kat had laten zien) . ,Das sagt man nicht" (toen ik mij vermeten had mijn twijfel aan het bestaan van God uit te spreken!) ,,Nich... (tun..." deze versleten, in tweeen geknikte woordcombinatie, die ik op zonderlinge wijze met haar oogen in verband bracht: Nich als de harde, bolle bikkels, tun als de weeke marge van haar oogleden), en vooral de droom die ze me verteld had, met het kleurige vizioen van de moedermaagd, en dan dat naIef opgedreunde lesje, pedant, gelijkmatig van intonatie, als antwoord op mijn vraag wat ze bij zichzelf gedacht had op die Zaterdagmiddag ;toen ik buiten zat: „Da sitzt ein Herr. In einem Ueberzieher. Der liest..." En mocht dit alles met elkaar ook weinig te beteekenen hebben, het lachje, dat me op diezelfde Zaterdagmiddag voor het eerst verschenen was bleef dan altijd nog over om dubbel en dwars revanche te nemen op de gelatenheid waarmee ik gemeend had van Else Bohler afstand te kunnen doen. Vooral de gedachte, dat anderen nu dit lachje zouden kunnen aanschouwen en zelf s de definitieve vruchten plukken van onze zinnelijke omgang, maakte mij razend. De naam Steinmann, het volmaakt onbegrijpelijke woord ,Schutzkaffee", het eerste in de toekomst wijzend, het tweede naar Else's verleden, een soort Januskop-in-wo-orden, die mij eerst nog geh, olpen had Else zoo verachtelijk mogelijk voor te stellen, symboliseerden nu de tallooze mogelijkheden van een on herstelbaar verlies. Wie was Steinmann? Welke vreeselijke, oude, rijke mof was Steinmann? Bestonden er nog rijke moffen? Hoe zagen zij eruit? Ik zag Else getrouwd, vervolgd, verhandeld, verleid, verarmd, ongelukkig, rijk, ziek, beroemd. Een doodgewone kruideniersbediende, die opvallend voor het huis van Erkelens h-een en weer drentelde en nieuwsgierig door de ramen gluurde, terwijl ik zelf daar ter plaatse nauwelijks mijn oogen durf de op te slaan, uit schaamte omdat ik Else's toiletartikelen straf feloos naar beneden had laten smijten! reet alle wonden weer open. Opnieuw verdacht ik haar, en schreef toen meteen een brief naar dat adres in Keulen. Toen ik na twee weken nog geen antwoord had, schreef ik een brief aan haar moeder, wier sympathiek portret ik mij nog steeds herinnerde, waarin ik vroeg hoe zij het maakte. Nog twee weken, en mijn verlangen naar Else, naar haar moeder, naar Keulen, naar Duitschland, was zoo sterk geworden, dat ik voor Rome zou hebben gecapituleerd met een volledig huwelijksaanzoek zonder voorwaarden in een derde brief, indien er niet een kort en beleefd antwoord was gekomen, zonder opgave evenwel van Else's nieuwe adres, waarop ik half en half gehoopt had. Het ging haar goed, ze had mijn brief gekregen, „mit deutschem Gruss, Frau Therese Bohler." Dat was alles. Of eigenlijk niet alles. Op de envelop namelijk stond niet ,Roodenhuis", maar ,,Rotenhuys", boven de brief zelfs,,Rotenhaus", en deze futiliteithielp me waarachtig nog-een beetje om er in te berusten, dat Else Bohl- er me voorgoed vergeten was. Holland annexeert zichzelf, moet ik gedacht hebben, laat ik toch oppassen... In deze tijd vielen ook de groote twisten met mevrouw Steketee, die het kransje halveerden en een diep gaand-e wijziging teweegbrachten in nijn moeders gedrag. Wat de aanleiding was wil ik graag in het midden laten; het ging, geloof ik, over het lidmaatschap van een liefdadige vereeniging, waarvoor mijn moeder, door mijn vaders bezuinigingsmaatregelen gedwongen, op het allerlaatst had moeten bedanken; de diepere grond was in ieder geval een conflict tusschen ijdelheid en heers.chzucht, vleesch en beenderen. De opstandigen, en jaloerschen, Brons en VVelleman, sloten zich bij mijn moeder aan, die ^ w z •^ beter meenden te kunnen overtroeven met hu n cos , tuums, omdat ze geen geld had, Vreugdenhil en Lunsman daarentegen, die meegaand waren, maar ook van „betere" standing, steunden de tegenpartij en liepenop haar bevel in vossebbonten voorbij ons raam, terwijl meneer Steketee natuurlijk ook voor mijn moeder verloren was. Haar reactie hier -op was vrij gecompliceerd. Wat onze verhouding betreft: aan alles was ite merken, dat ze mij had opgegeven. Voor zichzelf moet ze hebben uitge-maakt, dat ik een ,sl,ec,hte zoon" was, die geen ,,egards" tegenover haar had. Keek ze mij aan, dan trachtte ze iets sombers en fataals in haar blik te leggen, en, hoewel ze me verder met rust liet, minder vitte dan vroeger, en mijn tegenwoordigheid niet meer -eischte op de avondjes, toch werd haar aanwezigheid voor mij dubbel beklemmend. Sams had ik ineens het gevoel dat ze achter me stond, ik draaide me om en hoorde haar dan in de gang een paar ijzige woorden aan het nieuwe dienstmeisje toevoegen, tegenover wie ze de koele aristocrate speelde en een totaal andere tactiek volgde dan vroeger. De voorgangster, getuige van de kof f erscene in de tuin van Erkelens, was ten val gebracht, nadat ze hatelijke opmerkingen had trachten te plaatsen over ,uw zoon en die Duitsche meld"; tegenover mij deed mijn moeder het voorkomen alsof ik zoo'n edelmoedige behandeling maar ternauwernood verdiende, en toen kreeg ik meteen een heel verhaal te hooren over mevrouw Steketee. De oorzaak van de verkoeling scheen ik tot op dat oogenblik niet juist beoordeeld te hebben, er zat heel wat anders achter. Na de kofferscene was mevrouw Steketee uit nieuwsgierigheid naar juffrouw Erkelens gegaan, die haar verteld had, dat Else Bohler een ,straatmadelief" was, die gestolen had en met „de jonge meneer Roodenhuis verl ,00fd was". Om te zien of ze niets mee had genomen, had juffr,ouw Erkelens de koffer onderzocht, een grondig onderzoek inderdaad. Dit alles werd mijn moeder door mevrouw Steketee onder de neus gewreven, wat ze niet over haar kant kon laten gaan in verband met de eer van Waalweg 27. In elk geval had ik haar oinmogelijk gemaakt, haar van haar beste vriendin beroofd, enz., enz. Maar niet alleen het dienstmeisje en ik, en Eg tot zekere hoogte, ook mijn vader kreeg zijn deel, sinds hij door zijn gezondheidstoestand genoodzaakt was halve dagen thuis te blijven, en op zijn eigen kamer sliep, op de divan. Onze huisdokter schreef de periodieke ho ofdpijnen toe aan een , sluipend nierlijden, waarmee hem meteen een houvast werd geschonken voor zijn vage, abstracte tobberij en een doel voor zijn peuterige stiptheid: iedere ochtend kookte hij nu een glazen buisje met urine troebel, met de bezorgde zucht: „eiwit..." (Eg begrijnsde achter zijn rug ,,vader's zacht gekookt eitje voor het ontbijt".) Verder gaf , hij tweemaal per dag in plaats van eenmaal uiting aan zijn vrees, dat ik voor mijn examen zakken zou, zonder dat dit overigens veel afbreuk deed aan onze verstandhouding. Doordat hij zoo beklagenswaardig was en zoo weerloos 161 Else Bohler, Duitsch Dienstmeisje 11 tegen mijn moeder's humeurige bazigheid, even weerloos als 1k vroeger gevreesd had te zullen worden, ontstond er zelfs nog een soort band tusschen ons, en de doodelijke vermoeidheid waarmee de kransavondjes hem sloegen, die, zij het ook slechts bebronst en bevellemand, een gekakel verwekten dat mevrouw Steketee door de steenen muren hooren moest, maakten hem maar des te sympathieker in mijn oo-gen. Verschrikt keek hij mij soms na, als om steun bij me te zoeken. Vat was er voorgevallen tusschen mijn ouders? Nadat even voor mijn ziekte de twisten over het huishoudgeld een h,00gtepunt hadden bereikt, dat alleen nog overtroffen werd door mijn moeder's stekelige commentaren op haar nieuwe schoenen, waarvan een hinderlijk kraakte, negeerden ze elkaar, leefden langs elkaar heen. Was hij in de tuin bezig, op late mooie herfstmiddagen, dan draaide mijn moeder voor de spiegel, in nieuwe kleeren, waarvan ongetwijfeld de rekening niet door zijn handen was gegaan, gereed om naar de stad te trekken, trotsch en statig paradeerend, te jeugdig opgemaakt, haar heupen beweeglijk en breed en meer naar achteren gescho - ven dan ik ooit eerder van haar gezien had. Eens bespiedde ik hen in het voorbijgaan door de openstaande slaapkamerdeur, een van de laatste dagen dat zij nog niet gescheiden sliepen. Bloedend als een rund, omdat het dienstmeisje zijn scheerwater weer niet heet genoeg had gemaakt, met zijn buik en adamsappel vooruit hulpeloos voor de spiegel opgesteld, werd -hij door mijn moeder met een bijtend steentje bewerkt, waarbij ze een gezicht trok alsof ze iets „redderen" moest van de kat. Ze spraken niet, en de geheele situatie maakte op mij de indruk alsof hij, na geheeld te zijn, de slaapkamer uitgesmeten zou worden. Maar naast dit alles werd ik steeds onafwijsbaarder ver volgd door het vermoeden, dat zij zich, na die Steketeevernedering, nog op een ander,e wijze schadeloos stelde dan door de smalende hooghartigheid waarop haar omgeving onthaald werd. De laatste weken voor mijn examen brachten een opeenhooping van gegevens, die ik werktuiglijk en als -door een waas registreerde : haar uithuizigheid, de loszinnige Fransche romannetjes die ze verslond, (Dekobra ineens!), de mondaine zwier waarmee ze het huishouden verwaarloosde en alles op zijn beloop liet, soms ineens een hatelijk, schuldbewust lachje, dat zich guitig verwrong wanneer men op haar lette, en dan vooral de wij ze waarop zij met haar oogen uitweek: steeds lets te ver en te snel, hoewel zij, zoolang zij maar -durf de, haar vis a vis dringender fixe-erde dan menschen die hun oogen op onbevangen wij ze bewegen en iemand „recht in het gezicht zien". Ik rekende haar leeftijd uit: 44, ze was jong getrouwd, mij-n varier moest al naar de 60 loopen.. . Het aflikken van de lepels, dat ik, als een soort anthropologische curiositeit, glimlachend verdragen had zoolang - Else er was leerde mij opnieuw onder kwellingen, dat primitieve volkeren gelijk hebben uitsluitend te willen eten met vie men liefheeft en hoogacht, en dat gezamenlijk eten onder sommige omstandighed-en schadelijker voor de ziel kan zijn dan gezamenlijk naar het toilet gaan, wat men on - der geen enkele omstandigheid doet, en waarschijnlijk terecht. Als ze met dat aflikken niet ophield, zou ik voor mijn examen zakken, daar was ik zeker van, en daar tenslotte ook haar eigen belang daar me-e gemoeid was, vroeg ik haar beleefd om de lepels verder -met rust te laten. Het was duidelijk, dat er geen zuinigheid bij haar voor kon zitten; eerder leek het me een worm van snoeplust bij ge brek aan taartjes, een proeven van het verbodene, meer willen hebben dan een ander. „wat zeg j,e?! Le p elsi!" Ik zweeg en knikte. Het was even na het middageten, we waren alleen in de huiskamer. Duidelijk ontwaarde ik een geel stukje aardappel aan haar linker mondhoek; ik had ineens de dwaze neiging om het er tusschen duim en wijsvinger of te nemen en in haar mond te stoppen. Wat zoud(en onafgelikte lepels mij helpen, als er nog zulke Bingen konden gebeuren? ,,Wat een zeldzame hartelooshseid ! Wie denk je wel, dat je voor je hebt? Let liever op jezelf ! Jij smakt under 't..." Ik weet zeker, dat ik dat nooit doe. Het was de dwaze tegenbeschuldiging van een kind. Overtuigd van de nutteloosheid van i-edere uiteenzetting, bromde ik wat en wilde de kamer uitgaan. Ineens zag ik, dat mijn moeder in tranen was. „Hoe is 't mogelijk... Dat zooiets jou nerveus maakt... Denk liever eens aan mij, denk je dat 1k niet nerveus ben?... Met die akelige brieven uit Duitschland... Je moest je.. . Aemoeit u zich daar toch niet mee," trachtte ik haar te kalmeeren, bang dat mijn vader of Eg binnen zou komen. Ze stampvoette, maakte een machtige beweging met haar geheele lichaam, alsof ze zich op me wou werpen, maar bedwong zich. ,,Ga maar liever naar je Duitsch,e snol !" siste ze, door haar tranen heen. Ik verloor mijn geduld. ,,Als ik niet door m'n examen kom, is 't uw schuld! Scenes maken !" ,,En als ik 't huis uitloop, is 't jo'uw schuld !" Stomverbaasd keek ik haar na, terwijl ze naar de deur stevende, als om haar bedreiging ten uitvoer te brengen. Even later hoorde ik haar boven me, op de slaapkamer; een demo,nstratief gekraak bewees dat ze haar bed had opgezocht. Natuurlijk had ik nu weer allerlei zelfverwijt te verwerken, en toen ze me 's avonds wat druppels valeriaan op een glas water bracht, met een stille triomf in haar oogen, gunde ik haar dit bewijs van meerderheid en dronk de medicijn op met een bedankje. De spor-en van haar tranen waren door een dun laagje poeder bedekt, niet wit zooals anders, maar duidelijk vleeschkleurig. Met hangen en wurgen kwam ik door dat examen. Ik buitte mijn nervositei-t uit door gezichtsvertrekkin'gen en schijnbare acute geheugenzwakten, als ik er werkelijk nooit van gehoord had ik keek geleerd en ondoorgrondelijk, zoodat mijn voorhoofdspieren meer werk verzetten dan mijn brein, en keerde als erbarmenswaardig meester in de schoot der fa.milie terug, opgewacht door Eg, die „cum laude" brulde en voortdurend vroeg : ,Nou krijg ik z'n slaapkamertje, he, als ie weg is?" Mijn moeder had taartjes besteld, en mijn vader drukte mij de hand met een zuur (glimlachje, geknepen door toekomstangst, en was het toeval, dat de krant net voor hem openlag op de plaats waar tientallen werkloozen zich door het leven sloegen door middel van treffers en speurders? Op muj maakte deze overwinning met bittere bijsmaak minder indruk dan wat ik de nacht voor mijn examen gedroomd had, een even ingewikkelde als schrikaanjagende droom, waarover ik telkens na moest denken. Ik meen nog niet precies gezegd te hebben, dat ik aan de psychanalyse geen waarde hecht, maar deze reeks vizioenen bezat een direct enotieele beteekenis die i,ederen Freud gelijk scheen te geven. Dat ik met mijn achterkamertje gladweg van de Waalweg afvloog was al eens eerder in mijn slaap gebeurd, maar nu kreeg deze toer de definitieve beteekenis van een afscheid. Niettemin was ik gekleed in een pyama en dro ,eg zwarte gymnastiekpantoffels, die een weerbarstig snorrend geluid onder mij maakten, ongeveer als een stofzuiger. Na een reeks aeronautische verrichtingen boven de donkere Sterrenstraten ontlastte -mijn kamertj,e zich van boeken, cahiers, uittreksels en andere paperassen, die ik tezamen met wingerdbladeren van verschillende kleur met handenvol naar beneden smeet; ik deed mijn machine landen op een geweldig platform met een hekje eromheen, waarna 'het kamertj,e in een auto veranderde en fluks wegreed, terwijl ikzelf dat andere huis binnendrong, waar ik examen doen moest, len dat een getrouw duplicaat bleek te zijn van Waalweg 27. Het was er doodstil en zoo donker als de nacht. Voortdurend zocht ik in mijn borstzak naar een laatste papier, waar ik iets van moest oplezen, hoewel ik tegelijkertijd wilt, dat het al beneden was. Op de gang van de eerste verdieping stond een deur open, correspondeerend met de deur van de slaapkamer van mijn ouders. Links, boven de deur naar het achterkamertje, hing een naar voren hellende Spiegel, gelijkend op een geslachtswapen, met een helm erboven, die langzaam veranderde in het gezicht van Eg, woest verwrongen en voortdurend in alle richtingen slangen, wormen en rupsen uitspuwend, die nog vlak bij zijn lippen bleek werden, wit en dun afgeplat, om dan als papieren naar beneden te fladderen, dezelfde papieren, die ik, tevergeefs dus, over de sterrenbuurt had uitgestrooid. Een pedante, rechtschapen stem, die toch ook geladen scheen met mijn eigen toenemende angst, las de woorden op waarmee die papieren overdekt waren, vraag en antwoord, ik koon alleen meeknikken, blij met die enkele oogenblikken uitstel: „Ist die Merle da? Nein, Schutzkaffee ist da. Ist er denn oder dann oder wenn oder wann ein Schutze ? Nee, een f alikante kof.f ieteut ! Ist er denn ein teutonischer oder mesopotamischer Held? Er kennt die Paragraphen des hochzeitzweitklassigen and rechtsstreithaberisch-kanonischen Rechtes nicht einmal ! Will er nicht?... Ja?... Weiss er was, Das is wahr' im Dativ ist?... N.ein?..." Nog meer koeterwaalsch volgde, telkens onderbroken door ja" of ,Nein", dat op vragende toon uitgebrachtwerd. Ondanks mijn ondraaglijke angst wrong ik mij nu door de openstaande deur en voelde mij langzaam voortglijden in de slaapkamer, waar in het donker verschillende stemmen elkaar woed,end bestre , den totdat in da't verward dispuut een demonstrator- of repetitorachtig geluid de overhand behield: ,Aanziet de strafvordering van Novalis en Dekobra en professor... (onduidelijk) nopens half zachte urine. Alles verkeerd geInstrueerd en niet ontvankelijk verklaard. Een nieuw poed-er is nog geen vergift! Een slang is nog Been gifslang! Is dit een cobra? Neen..." (onderbroken door een naargeestig gegichel en een paar woorden die ik mij niet herinner) ,,.. alit is er eentje die Fietje heet! De deur dicht, en je komt er nooit meer uit! En je komt er ook niet in, zel.f s niet met je nieuwe broek en een melodieus geheel en een steentje op je smoel! Dit is een beest, dat je flog niet kept ! ..." In hevige drift aanzwellend gilde de stem, steeds h000ger en dreigender: ,Geen kinderen, Rotenhaus, maar eenvoudig iets voor een stomme vlegel als jl*j*: een inktvisch met het achterwerk van een kreeft! Aanziet!" Ik keerde mij om, en inderdaad: een vaag omlijnd monster met weeke, zwellende vormen, was tot vrij dicht bij mij vo-ortgegolf d en beloerde mij. Zes of acht kronkelarmen en een paar pikzwarte oogen, groat en rond als schotels, bewezen, dat men hier met niet minder dan een enorme inktvisch te doen had die zich overigens vrij lijd.elijk gedrooeg en of scheen te wachten wat er met mij gebeuren zou. En dat was vreeselijk genoeg. In een oogwenk was ik ineen gekrompen tot een hard en smal voorwerp, glinsterend en zeer vereenvoudigd van bouw. Als door een vuist uitgehold stond mijn hoofd op een lange steel. Met een complaisante zwaai, de richting voortzettend van mijn eigen flauwe lichaarmskromming, bewoog ik ,mij onderdanig naar de kop van het monster dat mij verzwelgen zou, ik klonk kletterend op de papegaaienbek die die beesten bezitten, en was binnen. De angst hoef ik niet te beschrijven. Wanhopig met mijn armen om mij heen maaiend, werd ik wakker en stond op om mij voor mijn examen te gaan kleeden in jacquet en streepjespantalon. Toen ik 's avonds Peter opzocht, voor het eerst na ons tamelijk heftig gesprek op die warme Augustusdag, had ik mij v000rgenomen hem geen de,elgenoot te maken van deze zond-erlinge droom. Met mijn diploma op zak kon ik mij de weelde veroorloven niemands superioriteit te erkennen, en een biechtvader was onmogelijk op een dag met zooveel scherpe prof essorengezichten. Door Peter's huisgenoot Christien evenwel werd ik niet alleen amicaal en hartelijk on-tvangen, maar met een paar moederlijke confidenties over zijn ,,ontrouw", die mij schenen te moeten bewijzen, dat ik hier per saldo toch met een gewoon man te doen had met zijn menschelijke zwakheden. Christien sprak over Peter als over een alleraardigsten kwajongen die niet beter weet, en terwijl ze mij stil en bijna Oostersch gedienstig thee inschonk en sigaretten toeschoof, veranderde ik van plan. De droom leek mij nu een heel geschikte inzet voor een dispuut over psychanalyse; zoodra het mij te persoonlijk zou worden kon ik mij altijd terugtrekken achter mijn anti-Freudisme. Nadat Peter, die even later thuiskwam, rustig mijn inleidende opmerkingen aangeho-ord had zei hij: ,,Psychanalyse is jets anders dan jij denkt. Het is geen leer of standpunt om te bestrijden of over te zwammen, omdat alleen de practische, intuitieve kant van belong is. Psychanalyse hoort niet in leerbo-eken of collegezaleen thuis, maar aan de waschtafel. Het is een hygiene, als tanden - poetsen. Hoewel ik zelf niet neurotisch ben, heb ik me Loch een tijdlang laten analyseeren, door een vriend van me, een psychiater, trouwens, ook mijn broer, die medicus is heeft er wel aan gedaan, maar ik ben bijna alles vergeten van die theorie, de sccholastiek ervan. 's Morgens poets ik mijn complexen weg en gorgel met anti-moederbinding. Nu iiie" • Ik moest lachen om deze speelsche apol,ogetiek. Bijna was ik op een ander onderwep overgestapt, maar Peter liet mij niet meer los, en ik was nu wel genoodzaakt hem, behalve de Broom, ook in bijzonderheden -de geschiedenis met Else Böhler en mijn moeder, die ik hem immers nog altijd schuldig was, te vertellen, de eerste weliswaar met enkele hiaten. Veel van de gesproken woorden, vooral de Duitsche (b.v. het woord ,,Sc^hutzkaffee" in dat dwaze verband) zijn mij pas hirer in de gevangenis te binnen geschoten. Hij vlijde zijn handpalmen daksgewijs tegen elkaar en liet de middelvingers vallen tot een dubbele loopplank, als om twee theoretische standpunten aan elkaar te toetsen. Zijn stem klonk ongewoon doceerend een niet weinig zel ingenomen : Jnderdaad, een droom om van te watertanden voor rechtgeaarde Freudianen! Te (meer waar het iemand be 00 treft als j, die afwijzend tegenover de psychanalyse staat. Anders zou men altijd nog kunnen beweren, dat je die prachtsymboliek geproduceerd hebt om Freud te gerieven. Die inktvisch met 't achterwerk van een kreeft, wat zit daar al niet in! Je angst voor 't examen, je angst voor een huwelijksvoltrekking vooral, die beide iets met inkt te - maken hebben! Maanden lang heb je kat en muffs gespeteld met het matrimoniaat, nu speelt het met jou en verzwelgt je als inktvisch! Verd,er: de inktvisch als symbool van de baarmoeder, dus van de moeder, 'terwijl die zwarte schoteloogen wel van je eigen moeder afkomstig zullen zijn, als jij tenminste op haar lijkt..." „Eg lijkt op m'n moeder, ik niet," zei ik weerbarstig. „Soit. En dan die lepel waar jij in verandert om bij wijze van omgekeerde geboorte het lichaam van de vrouw te spij zigen een man moet zijn vrouw immers vo ed en en dan de anatomie van dat beest, zeg! K.reeft onbetaalbaar! is een bekend symbool van het collectieve onderbewustzijn, dat niet alleen fixati,e aanduidt (de scharen ! ), maar ook regressie naar infantiele sexualiteit (het achteruit lo-open!!), terwijl achterwerk hier op -onverhulde , wij ze de anaal-sadistisch,e organisa..." Mijn ergernis had nu zijn toppunt bereikt. Kortaf zei ik: ,Onzin, dat beteekent heel wat anthers." ,,Dat zeg jij. " „Ik kan 't je bewijzen. Ik kan je precies vertell.een in welk verband dat achterwerk van een kreeft thuis hoort..." „Maakt niet 't minste verschil. De eene droomuitlegging hoeft nooit de andere buiten te sluiten.” „Dat strij dt al vast tegen de logica," riep ik strij dlustig uit, blij, dat Peter niet verder naar die kreeft doorvroeg, „je zou dus ter verklaring evengoed het tegenovergestelde van de vorige verklaring..." Ineens merkte ik, dat Pieter met dichtgeknep ,en oogen zat te schudden van het lachen. Toen hij eindelijk spreken kon, was de doceerende toon geheel verdwenen. Hetscheen wel, dat die heele droomuitlegging bedoeld was als grap: als zelfpersifflage, of als persifflage van Freud, dat was niet precies uit te maken. „Allemachtig, wat een weerstanden! Maar je begrijpt nu zeker wel, dat ik niets anders deed dan een of andere volijverige, met geleerdheid volgepompte zielsverlosser parodiëeren! Ik voor mij geloof, dat een droom alleen geanalyseerd kan worden door de persoon in kwestie, na een geweldige scholing, en dan nog maar tot zekere hoogte... lets anders is of een droom niet voor ieder waarnemer een aanwijzing .geeft voor emotioneele spanningen, die dan natuurlijk veel gemakkelijker in het werkelijke waakleven nader bepaald kunnen worden... In dit geval b.v. is het toch wel duidelijk, dat al je moeilijkheden om je moeder draaien..." Hij hield even op en ging, toen ik niet antwoordde, verder : „Ik bedoel niet je huiselijke moeilijkhe, den, die je overigens naar mijn meening sterk overdrijft en erg eenzijdig en subjectief voorstelt, je geeft all- een jo'uw visie op de zaak, en vrijwel nergens feiten, maar je moeilijkheden met dat Duitsche meisje waar je nog steeds verliefd op bent..." „wi,e heeft je dat verteld? Ik heb •haar heelemaal uit m'n hoofd gezet!" Of meent te zijn, of niet meent te zijn. En met wie je hebt willen trouwen en toch weer niet hebt willen t.rouwen, tot vervelens toe... Jij bent verliefd op dat meisje en nu ga ik nets zeggen om je te overrompelen omdat je verliefd op je eigen moeder bent." Wat ik nu ging doen verbaast mij, nu ik er aan terug denk, nog steeds. Om hem te toonen hoe bodemloos krankzinnig mij deze veronderstelling toescheen, stond ik zonder jets te zeggen op en volvoerde, parmantig fluitend, een serie danspassen door de kamer. Maar zoodra ik merkte daarbij hetzelfde strakke gezicht van filmeharmeurs te trekken waarmee mijn broer Eg in hoogst eigen persoon altijd door de gang rumba-de, staakte ik verschrikt dit zwijgen,d protest en bleef bij het raam naar buiten staren in de nevelige herfstavond. Toen ik mij weer naar Peter toekeerde, zag ik hoe hij de goedaardige spot in zijn gezicht bedwong. ,,Dansen helpt weinig, beste kerel," zei hij ernstig en wuifde me naar mijn stoel (terug. ,Na alles wat je me zoo juist verteld hebt, ligt het voor de hand! Verliefd op je moeder en zij waarschijnlijk op jou, en niet weinig jaloersch! of een sterke z.g. moederbinding, misschien voor 90 % in haat omgezet, wat dan meteen dat eigenaardige mengseel van haat en lief de verklaart, dat je een pons geleden beweerd hebt voor dat meisje te voelen: het komt toch allemaal op hetzelfde neer? Zoo'n vreemdeling in het zielkundig Jeruzalem ben je nu toch ook weer niet om niet te weten, dat woorden hierbij niets ter zake doen. Ik gebruikte het woord ,verliefd" hoofdzakelijk om te zien hoe je daarop zou reageeren. Het gaat er alleen om, dat je je tot die Else aangetrokken hebt gevoeld niet om haar zelf, want je weet maar al te goed, dat ze niets anders is dan een gewone domme intrigante, maar om de rol die zij 'daar bij je op -de Waalweg gespeeld heef t, de plaa-ts die zij innam binnen de groote bancirkel die je moeder's invloed om je heen heeft getrokken. Dat dienstmeisje is een creatuur van je moeder, dat dienstmeisje is je moeder..." Terwijl ik naar deze ongelooflijke beweringen zat te luisteren, vielen me opeens verschill,ende dingen in, die voor Peter's zieenswijze schenen te pleiten: beelden en gedachten en vluchtige overeenkomsten, als het ware ijl afgeteekend tegen de zoldering van het atelier met de cirkels en kubussen, die daar als abstracte plafond-engelen overheen geschilderd waren. De Zaterdagmiddag toen ik voor het dienstmeisje van mijn moeder gevlucht was en voor het eerst onder de bekoring was gekomen van Else Bohler (dit had ik Peter verzwegen !) ; de naam ,Fietje" uit mijn droom, die, op de inktvisch betrokken, een verband legde tusschen die drie person,en ; de lavendelgeur van Else's lippen, die mij vroeger eens aan mijn moeder had daen denken; oude ansichten uit Duitschland, afkomstig van een buitenlandsche reis van mijn ouders, toen ik nog een kind was... Maar hoeveel of hoe weinig dit alles ook bewij zen mocht, haastig schudde ik het van mij af, en reeds had ik een nieuwe tegenwerping gevonden: „Else Bohl,er lijkt geen spat op m'n moeder." „Het bewijs, dat zij je moeder is," ging Peter onverstoorbaar verder, „of, geleerd uitgedrukt, dat je haar met je moeder identificeert, is dat je haar niet hebt willen aanraken, dat haar lichaam taboe voor je gebleven is, h.oewel je haar toch, zooals je me zelf verteld hebt, onder de vrijbrief van dat geloofsverschil..." „Ik had geen geld voor een kamer of een hotel, man !" „Zoo, zoo. Hij-had-geen-geld-voor-een-kamer. Of-voor een-hotel. Een jonge, gezonde kerel, die avond aan avond zijn handen thuis houdt op bankjes onder dergelijke voorwendsels! The course of true love does never run smooth, of hoe zei Shakespeare dat ook weer zoo onsterfelijk? Die incest ligt er bij jou duimdik op, mijn waarde; koning Oedipus himself zou 't je niet verbeteren..." Tien andere redenen drogredenen? had ik hem kunnen noemen waarom ik Else Bohler lichamelijk ,gerespecteerd" had maar de wijze waarop hij opnieuw en nu blijkbaar zonder eenige zelfironie, want het is niet mogelijk tegelijk een ander te beironiseeren en zichzelf! psychanalytische vaktermen in het geding bracht, leidde mijn tegenaanval af. Ik vertelde Peter kort en goed, dat ik de psychanalyse een onbetamelijke oplichterij met machtspreuken vond, die i,edere normal-e omgang tusschen menschen bedierf, en dat ik voor mij dan nog verre het katholicisme prefereerde, dat al die ,complexen" netjes met een tang had beetgepakt om ze op te bergen in de hemel. De vereering van de maagd Maria verspreidde tenminste wierookgeur en geen stank van rottend vruchtwater, zooals het ,mo-edercomplex ', en ,om den timmerman Jozef van hooger hand van zijn huwelijksrechten vervallen te laten verklaren, leek me tienmaal aesthe(tischer dan de on bewuste wensch om je eigen vader te castreeren! ,,Prachtig. Goed op de hoogte ben je," lachte Peter, die me kalmpjes liet doorslaan, zijn lichtblauwe oogen tintelend in het bruine, geometrisch gesneden gezicht met het eenigszins stomp,e, speurende en tevens zelfbewust hoekige neusje. jozef heeft me anders nooit de meest geslaagde figuur toegeschenen uit dat roomsche pantheon, je weet misschien, dat hij in de Bourgondische tijd een nogal zielige figuur geweest is, een snort cocu, in de gedichten en tooneelstukken van die lui... Merkwaardig -overigens, hoe weinig je over jauw Jozef spreekt. Je vader schijnt wel een non-valeur in je oogen te zijn." Joch niet..." ,,De haat, die iedere man, onbewust, voor zijn vader koestert, is bij jou heelemaal op je moeder gericht, en jaloersch word je daarom alleen nog maar op schemerige Duitschers... hoe heette ie ook weer?" ,,Steinmann...," zei ik uitdagend. Het speet me allerminst, dat ik Peter niet over mijn vage verdenkingen jegens mijn moeder gesproken had anders had hij me daar zeker ook nog over doorgezaagd.. Hierna praatten we nog wat over mijn toekomstplannen en vooruitzichten, en Peter uitte natuurlijk weer eens de wenschelijkheid, dat ik zoo spoedig mogelijk afleiding zou zoeken bij de „vrouwen". Even voordat we afscheid , namen, kwam hij dicht bij me staan en lei hartelijk zijn hand op mijn schouder. „Als je m'n hulp noodig hebt, kom dan bij me. Ik twijfel er niet aan of je moeder is een doodgewone vrouw, misschien wel sympathiek zelfs, maar jij hebt nu eenmaal een demon van haar gemaakt, en het resultaat voor jou persoonlijk is daarom hetzelfde als wanneer ze dat in werkelijkheid zijn zou. Je zou, bij wijze van experiment, een p005 weg moeten, van je moeder vandaan, om te zien wat er dan overbleef van dat dienstmeisjescomplex. Ik vind 't zonde en jammer. Je bent typisch !teruggezakt tot het niveau van een jongen van 17, in dat halve jaar dat we elkaar beter kennen, met je mevrouwen, en je broertje Eg, en je last aan taf el ! Opgesloten in de zieligste kleinbur^ gerlijkheid... je houdt 't me wel ten goede?" Ik hield het hem ten goede, en had, ondanks mijn ge prikkeldheid, toch het gevoel met een vri:end gesproken te hebben. Hoewel ik na twee weken sollicitaltiebrieven schrijven nog niet de minste zekerheid hadover mij'n 1toekomst, was mijn moed-er niet uit het hoofd te praten, dat mijn succes met een feestelijk diner moest worden gevierd. Mijn vader di.ende zijn nierziekte dan maar voor een avond op te schorten. Eigenlijk had ik van zijn invloed op waterstaat wel nets verwacht bij het zooeken naar een baantje, maar mogelijk waren die intieme wegen reeds onbegaanbaar gemaakt door de gewoonte die hij had om op jonge meesters in de rechten of ate geven, terwijl hij te weinig plooibaar was, te onzeker in zijn optreden, en te eerlijk misschien, voor een plotselinge frontverandering. Zoo kwam alles op mij zelf neer. Koortsachtig schreef ik brieyen naar tal van prullenm.anden in het land. Daarbij legde ik, uit opluchiting, dat ik nu van de Waalweg vandaan zou komen, al te weinig hinderpalen in de weg aan een zekere vertrouwelijkheid, die zich tusschen mijn ouders en mij scheen ,te moeten ontwikkelen ; zij keurden het ontwerp van - mijn meest slaafsche epistels, lazen de schaarsche antwoorden en gaven goede raad waar Eg bij zat, die een enorm pl,ezier aan den dag legde bij elk kantoor waar ik onder op de lijst werd gezet, ondanks zijn verlangen mij het huis uit te zien gaan. Zoodra er icts in de bus gegooid werd, gedroeg de heele familie zich nerveus en springerig, en ik wil niet ontkennen, dat dit een tijdlang aanstekelijk werkte, maar toen na een dag of acht die zakenbrieven met een slechtverholen minachting over de tafel werden gekeild en het aangekondigde diner bed,enkelijk veel ging lijken op een soort offer om de goden gunstiger te stemmen, verslapte mijn ijver snel. De huiskamer had beslag op mij gel-egd; niet voor niets zei mijn moeder glunder en tegen iedereen die het hooren Wilde, dat we nu weer alleemaal bij elkaar waren; op rnii,n achterkamer kwam ik nog maar zelden. Nu het er niet meer zoo ondraaglijk was, toonde de Waalweg een verlammende macht waar ik weinig tegenover stellen kon. Het genadebrood smaakte wee-zoet en werkte als opium. Alles vat mij tot grooter energie had moeten prikkelen, Peter's waarschuwingen, om maar iets te noemen, versterkte de lamlendigheid waarmee ik mij meer en meer begon te schikken in mijn toestand. Niet dat ik die toestand niet duidelijk inzag ! Ik wil niets tot mijn verontschuldiging aanvoeren. Ik wil aannemen, dat mijn familie en hun heele milieu mij onverbreekbaar gekluisterd hield op de wijze die Peter, met behulp van Freud, zoo scherpzinnig had uiteengezet, al komen zijn verklaringen mij nog steeds grotesk en al te schematisch voor, en al lijkt het mij veel waarschijnlijker, dat er wrokkende opstandigheid tegen nijn moeder in het spel was, indien mijn verhouding met Else Bohler dan toch met haar in verband gebracht moet worden, dan liefde of verliefdheid, hoezeer „onbewust"... Soms evenwel ben ik van meening, dat er nog iets anders achter zat, iets dat mijn karakter ook meer eer aandoet. Het was het probleem van de fouten en de liefdeloosheid en de hatelijke achterbaksche twisten die men om zich heen ziet gebeuren, dat men oplossen wil alvorens de plaats te verlaten waar zij bedreven worden: een soort vera- ntwoordelijkheid voor de daden van anderen, dezelfde duistere drang waardoor de moordenaar steeds weer opnieuw de plaats opzoekt van zijn misdaad. Kan het niet zijn, dat ook hij het zoo voelt, alsof hij op het moment van de moord een tinder was met wie hij op duistere wijze is 177 Else BUhler, Duitsch Dienstmeisje 12 verbonden en wiens gangen hij na moet gaan? Liever Wilde ik mij blootstellen aan het gevaar voorgoed in lijdelijk nietsdoen te verzinken, dan te vertrekken zonder het huwelijksleven van mijn ouders doorgrond te hebben, waarvan ik, als kind, toch de bekroning was en, in zekere zin, de hoogste rechterlijke instantie... Op de dag van het diner stak ik mij dadelijk na het koffiedrinken in gala en keek en luisterde naar de toebereidselen. Lief en coquet trippelde mijn moeder door het huis: de bewonder-enswaardige gastvrouw met het gelijkmatige humeur, op wier schouders alles neerkomt. Mij knikte ze opgewekt toe, als ze in haar wit schort voorbijstevende om het dienstmeisje opnieuw te gaan instrueeren, die scheef liep van de angst. Het eten was voor het grootste gedeelte bij den kok besteld (drie verschillende koks, om het crediet wat te verdeelen) en kwam nu bij stukjes en beetjes binnen. Af en toe vertoonde mijn vader zich op de bovengang, alsof hij de stroom stuiten wilde. Op weg naar mijn kamertje, om een zij.den zakdoekje te halen dat ik mij als ultieme ho-on wilde aandoen, werd ik door hem binnengeroepen; h-et was bijna vijf uur. Zoo krom, bleek en vermoeid hield hij zich in het midden van de kamer staande, dat het mij niet verwonderde hem to hooren verklaren, dat hij zich niet tegen het diner opgewasssen voelde. „M instens vij f gangen," prevelde hij nasaal, met zij n slappe rechterhand de geuren van die gangen van zich afwuivend, „en ijs. En je moeder, die maar niet begrijpt dat ik ziek ben! Trouw nooit, jongen... Vertel jij je moeder maar, dat ik niet kom, maar doe 't zoo, dat ze geen scene maakt. Als God me uit deze hel vandaan haalt... en1in." Zijn gezicht vertrok zich klaaglijk, toen slofte hij naar zijn schrijftafel en begon onhandig met een sleutelbos te rammelen. Nooit eerder had hij mij in vertrouwen genamen. Ik wist niet wat te zeggen. Afwezig mompelde hij nog wat, in afgebroken treuzelende zinnen, over hooge fasten en slechte tijden en straffen voor de menschheid, , totdat hij met een bijna kwaadaardige ruk een envelop uit een laatje te voorschijn trok, die hij mij overhandigde op de discreet zakelijke manier waarmee mijn zakgeld altijd uitbetaald werd: met afgewende oogen. Hij spraic nu zonderling afgebeten. „Tel It na. It Zijn f 800, die ik voor je overgespaard heb zonder dat je moeder It weet. En blijf bier zoo kort mogelijk. Jij bent de eenige die hier wat deugt. Laat je niet... enfin." Hij zakte weer weg in zijn getreuzel. „Beter dat m'n zoon It beef t, dan in de zinkput... aan mantelco'stuums gespendeerd... god." Hij kreunde, en begon toen met beide handen beschaamd afwerende gebaartjes te schetsen als om mij de kamer uit te krijgen. Hij maakte opeens -een doodzieke indruk. Nu pas zag ik goed hoe wit zijn haar was geworden de laatste maanden. En toch was hij de man die altijd langs mij he;en gekeken had met blauwe afwezige oogen, zonder kracht of opmonterende strengheid. Benauwd door de dreigende atmosfeer in die halve ziekenkamer met de fleschjes medicijn op de tafel, het rekje met reageerbuisjes, de spiritusbrander, het slordige bseddegoed ,op de divan, zocht ik tevergeefs in mezelf naar een dankbare opwelling, naar hartelijke woorden voor die onverwachte gift. ,Beter dat m'n zoon It beef t" had het niet -geklonken alsof hij bedoelde: „eenige zoon". De , dwaze gedachte schoot me door het hoof d, dat Eg zijn kind niet eens was, dat mijn moeder hem al vroeg had bedrogen, al wist ik ook dadelijk, dat dit niets anders kon zijn dan een romanceering van het besef, dat zij hem altijd had kunnen en had willen bedriegen, en het alleen maar niet gedurfd had. Evenals bij Else B®hler was ik gevoeliger voor de mogelijkheid van zooiets dan voor de ontsluierde werkelijkheid... In elk geval, mijn vader was de man om bedrogen to worden, of men van die inviet nu gebruik maakte of niet. „Als je weg bent," fluisterde hij zwakjes, met jets van een luguber gegrinnik, ,dan kan Egbert boven slapen.. . 't Is beter te sterven met... zonder... enfin." Ik stond al in de deur, taen ik deze woorden opving, die me plotseling zijn seniel eigenbelang kwamen verraden. Bijna had ik hem het geldweer voor de voeten gesmeten, maar ik was verstandiger. Langzaam viel de deur achter mij dicht en kleefde weer in de posten. Terwijl ik naar beneden liep om mijn moeder te zoeken, vaelde ik een koude luchtstroom in mijn nek, gevolgd door het geluid van voetstappen op de gang; ik keerde mij om en keek in het stijve, bevroren babygezicht van Smeenge, den jongen met de twee rozenstokken boven zijn beangstigend voorhoofd, die achter mij de trap afdaalde. Ik had niet eens gemerkt, dat hij in huis was. Misschien zat Eg's kamertje wel vol met zulke jongens; een onbehaaglijk gevoel bekroop me. ,,Saluut, m'neer Roodenhuis," zei Smeenge met een schorre vogelstem, „een oogenblikje, voor een zaak van gewicht, als ik u niet ophoud?" Zwijgend ging ik hem voor naar de vestibule, waar ik hem even liet staan. Mijn moeder trof ik in de huiskamer aan het kristal en zilver schikken. Juist had het dienstmeisje, dat een groote bocht om mij heen maakte, een pudding met roode vla neergezet. Toen ik haar de boodschap van mijn vader over had gebracht, zag ik nog net hoe haar gezicht, dat eerst gevleid en zelfingenomen mijn vertrouwelijke med,edeeling tegemoet had geglansd, uitgleed naar een toornige verbazing; zij trok haar mond tot haar pruillip samen, volgde mij met opgestreken zeil in de gang, en op het oogenblik dat ik mij weer bij Smeenge vervoegde de tochtdeur had ik achter mij dicht laten vallen hoorde ik haar pantoffeltjes op de trap. ,,Meneer Roodenhuis," fluisterde het jongemensch met nadruk, terwij 1 hij zij n vuist in zij n pet stak als om die boven d,e macht te tillen, „we zitten thuis met een moeilijk geval, rechtskundig ziet u, Eg vertelde me, dat u juist advocaat bent geworden en zoo, dus misschien weet u er wat op. Kijk Bens..." sigarettenadem sloeg me in de neus; de oogen van het monstertje stonden volrmaakt uitdrukkingloos ,,we hebben, om u de waarheid te zeggen, een verrekte... verbazende last met een Duitsch dienstmeisje, dat m'n moeder niet weg kan krijgen en zoo..." Op dit oogenblik kwamen de voetstappen de trap af, nu duidelijk geen pantoffels meer, maar schoenen, en verwijderden zich in de richting van de huiskamer. Verder was het huis als uitgestorven. Smeenge's gefluister kabbelde mijn linkeroor binnen. ,,U weet hoe 't met -die Duitsche meiden gesteld is, echte rotmeiden erne... en zoo. Maar misschien..." lets in de toon van zijn stem, de manier waarop hij om de zaak heendraaide vooral ook, brachten me on ,middellijk op het goede spoor. ,,De deur," zei ik. ,,Bedoelt u...'" ja, de deur." De opwelling om hem een schop achterna te geven, toen hij zich bedremmeld door de kier van ide buitendeur wrong, die ik voor hem openhield, weerstond ik. Boven hoorde ik het gedempte geluid van stemmen. Het was mijn moeder dus niet, maar Eg die nu in de huiskamer zat... Eg zag mij niet of hij vloog achter de uitgeschoven tafel, zoodat een baan van damast en glaswerk en bloemen tusschen ons in kwam te liggen. Na even van zijn onmiskenbare angst genoten te hebben (ik herinner mij, dat mijn lichaam loerend in elkaar kromp, zuiver als reactie op zijn angst, want driftig voeld,e ik mij niet) begon ik, een oude tactiek te hulp roepend: , Een echte kwa j ongensstreek van me, John, om met Smeenge te wedden dat hij je niet 't land zou durven opjagen met een toespeling op dat Duitsche meisje op de hoek. 't Spijt me echt, John. 't Spijt me nu dubbel, dat hij de weddingschap gewonnen beef t, John." ja John?" bauwde hij me na, voorzichtig naar links schuivend, gereed om weg te schieten zoodra er gevaar dreigen zou. Daarbij bewoog zich zijn rechterhand op een eigenaardige wijze langs zijn Borst, schichtig, convulsief, en toch met een zeker-e regelmaat. Pas na enkele oogenblikken ontdekte ik wat dat te beteekenen had. Hij sloeg kruisen. Hij sloeg gewone Roomsch-Katholieke kruisen. Snel als de weerga sprong zijn hand tusschen das, jaslapellen en navel heen en weer, en op en neer; ootmoedig en treiterend was de uitdrukking van zijn krijtwit, gerimpeld gezicht daarbij. Onwillekeurig maakte ik een dreigende beweging naar hem toe: door een s,toot tegen de taf el begon als een razend geworden kwal de pudding te trillen, welke aanblik me nog woedender maakte dan de veelzeggende gebarentaal waarmee Eg de wijnglazen zegende, de sandwiches en de kleine porceleinen aschbakjes. Mijn moeder had die pudding gemaakt. Mijn moeder had deze vree selijke feesttafel op haar geweten! Mijn moeder had met Eg gekonkeld over Else Bohler en hem verteld dat ze Katholiek was! (Aan de mogelijkheid, dat hij dit afgeluisterd had, toen juf f rouw Erkelens was komen klagen, dacht ik niet eens.) Door mijn moeder werd het mogelijk gemaakt, dat ik in mijn eigen huis beleedigd werd door een jongen met knobbels op zijn voorhoofd ! Nog vlogen de kruisen voor mijn oogen, nog grijnsde Eg me hoonend toe, toen er schuin boven ons met een dof f e plof een stoel omviel. In mijn vader's kamer moest dat zijn. Eg's -hand ston)d onbeweeglijk. In een vreemde verwachting verwrong zich zijn gezich,t. Telkens trilde d;e pudding na, op sommige randplaatsen, ongeduldig om in spieren en warm menschenvet omgezet te worden. Maar toen vingen de andere ge ul en aan. Bij ieder mensch komt er een moment waarop hetmoeras van lij dzaamheid en karakterl.o,osheid doorkruist is en de vaste grond wordt bereikt, maar nog steeds weet ik niet waarom dit bij mijn vader juist op dit oogenblik plaats mo-est grijpen. Misschien gaf de vermeende zekerheid spoedig te zullen sterven hem kracht tot het weerzinwekkend tooneel dat zich op de eerste verdieping begon of te spelen; misschien is dat harde fundament, die weerstand in onze ziel niets anders dan het gebeente van de do,od die men in zich draagt... Het geluid, waarmee hij zijn levensprotest uithinnikte, zou ik opnieuw op willen roepen. Ik kon het slechts omschrijven. Het was inderdaad, geen ander woord is er geschikter voor, een gehinnik, dit geluid dat ik herkende. Wel werd het door -de keel van een oud, of geleef d man voortgebracht en te ouder en afgeleefder naarmate doordringender het donkere, bronstig trillende, verachtelijke verwij't van zijn tegenstandster er tegen in ging maar bijna twintig jaar geleden had het net zoo geklonken ! De twisten 'tusschen mijn ouders, de vergif tiging van mijn jeugd, had ik mij steeds geluidloos voorgesteld, nu opeens werden zij een sprekende film, een hinnikende film, die tot dusverre aan een strenge censuur onderworpen was geweest. Ik zat op mijn moeder's schoot en luisterde ingespannen, mijn oor tegen haar zware burst gedrukt. Want al stond mijn vader ook ver achter ons te schreeuwen, met die vr;eeselijke aanklacht in zijn blauwe, starr,e oogen, van zoo innig dichtbij ving ik het wellustige , genot op, opgewekt door dat machteloos rumoer van getreiterde geiten, dat het geluid niet uit zijn mond scheen te komen, maar uit haar vleesch, getransformeerd tot de weeke golvingen die ik nu op dit moment weer voelde, en altijd zal blijven voelen als het zuiverste duivelsgeschenk dat men van zijn moedier in ontvangst nemen kan, maar dat dan ook voorgoed ongeschikt maakt voor wat anderen wellust noemen, of lief de, of genegenheid... Daar merkte ik, dat Eg vlak bij me stond, met zijn havelooze grijns, zijn klamnme hand die zich op de mijne schoof. De taf,el schokte ond,er onze vereenigde lichamen. „John," lispelde hij, oudachtig voorovergebogen, „hour je dat? Ik hoor 't iedere nacht, verdomd. Ik word 'r gek van. Soms loop ik de gang op. Iedere nacht gaan ze tegen elkaar te keer... 71 „Je liegt," zei ik streng, „ze slapen niet bij elkaar." -- Scheldwoorden als ,vuillak" of ,ezelsveulen" kwamen in me op. Maar hij klemde zich aan me vast, juist toen met een gegier als van een opstijgende vuurpijl het gehinnik een geweldig en langdurig hoogtepunt bereikte; hij sloeg zijn hand voor mijn mond, en stotterde, radeloos vloekend: ,Als je 't huis uit bent kan ik tenminste naar boven... Iedere nacht misschien niet, maar laatst nog, de nacht voor je examen, toen ze naar 'm toe..." De afkeer en benauwenis, die me oversitelpten, drongen tot een daad. Meer nog dan wat er boven mijn hoof d geschiedde was het besef beslissend, dat datzelfde geschreeuw in de nacht voor mijn examen had weerklonken en wellicht sommige bijzonderheden had bepaald van de droom die ik aan Peter verteld had. Ik was dus niet eens meer veilig voor hen, als ik sliep en hen niet hooren of zien kon... Maar het kan ook zijn, dat de doorslag werd gegeven doordat Eg's galgenhumor hem zoo deeerlijk in de steek liet bij deze gelegenheid. Men weet van te voren nooit waar men op drij f t : misschien was het zij n wee.rlooze angst vooral, die dit huffs met de feestelijk gedekte tafel op slag onbewoonbaar voor me maakte. Toen ik mij naar de deur begaf, hoorde ik nog steeds het bevende rinkelen van een of ander glas, order zijn hand, die op de tafel steunde. Alles stil boven... Mijn moeder ried ik op de slaapkamer om zich na gedane arbeid snel te verkleeden voor het diner... Ik zocht wat toiletartikelen bij elkaar en ging met mijn citybag in de hand weer naar beneden, overtuigd dat ze in de deur zou staan, zooals ze daar zoo vaak gestaan had, vroeger, als ik naar de mevrouwen moest... Maar neen: alles bleef stil, ik hoorde geen schoen, geen krakende stoel, geen geluid ook uit de kamer waar mijn vader amechtig of met een stille beroerte in aantocht op de divan moest liggen; geen spook strekte zijn grijpvingers naar me uit; voorgoed was ik van haar bevrijd, misschien zou ik haar nooit meer terugzien... De gangklok tikte langzaam en zwaar. Op mijn borst rustten de f 800 van mijn vader. Even overviel mij een ondraaglijk heimwee naar mijn achterkamertje met het plat waarop ik Else Bohler zoo vaak bespied had. Bovendien: als een vluchteling wilde ik het huis niet verlaten... Nog wachtte ik... Toen, met de allures van vrij man, opend,e ik de deur. Op de stoep voltrok zich nog een kleine botsing met de dames Brons en Velleman, die op het punt stonden om aan te bellen en dadelijk met bolle lachgezichten een hand uitstaken ter gelukwensch. Met een stem, die hen sullig in de ooren moet hebben geklonken, stamelde ik een of andere verklaring en verwees hen naar mijn moeder. Eigenhandig heb ik voor hen aan de bel getrokken. Mijn pportie van het diner heb ik hun afgestaan. y Die nacht zonk ik weg in een zee van geruischen, tastende voorgevoelens, herinneringsbeelden, als kleurige schelp,en opgewoeld door de deining van een Joffe halfslaap, waarin ik toch beter uitrustte dan ooit te voren. Vlak onder mijn kamertje lag Peter's atelier: ik sliep dus bovendien bovenop de gewichtige gesprekken, die die werkzame ruimte bezwangerden, en dat verkreeg een zekere symbolische beteekenis, omdat ik mij voorgenomen had een psychologische analyse van mijn omstandigheden verder zooveel mogelijk te vermijden. Peter, die mij met de grootste vanzelfsprekendheid ontvangen had, zonder eenige voldoening te toonen over deze bevestiging van zijn inzichten (over de aanleiding tot mijn vertrek van de Waalweg repte ik trouwens met geen woord, evenmin als over mijn moeder's gedrag), zag daar gelukkig ook uit eigen beweging van af, en liet mij geh,eel vrij. Alleen moest ik tot iedere prijs mijn apathie overwinnen, beweerde hij, en natuurlijk een positie zoeken, waarbij hij mij beloof de te zullen helpen. Ongetwij f eld oefende het nieuwe milieu een zuiverende invloed op mij uit. Christien had een manier om zich te effaceeren, die nauwelijks nog de gedachte lietopkomen aan de traditioneel „weldoende" vrouwelijke aanwezigheid ; de geheele sfeer in dat helder do-orschenen huis kreeg lets abstracts, lets mathematisch bijna, heilzaam voor de gevoelsverwarring die ik had doorgemaakt. Het was me of ik mijn ziel weer terug had, bijna nog ondubbelzinniger dan toen ik alleen op kamers woonde. Mijn jeugd en studentenjaren overzag ik als een van Peter's nuancelooze, koude landschappen, met hier en daar in een slagscha,duw een des te mysterieuzer werkend hoekje, een voor zijn stijl typisch grondmotief, waarover hij sprak als over ,,de navelstreng naar de romantiek, die ik nog niet onderbinden wil". Voor mij ping het geniale in zijn schilderijen juist samen met wat hem een concessie toescheen aan de natuur een diepe, holle weg, violet en geel van het uitbundigst bloemgewas, onder in een statige opeenstapeling van steenen halfbogen en gebroken pilaren aangebracht, alsof dit architectonisch vizioen, vegetatief ondermijnd, in de lucht vliegen ging onder de druk van uitbottende zaden; of een uit rechthoeken opgebouwd havengezicht, waarover volgens een brutale diagonaal een Ruysdaelachtig wolkgevaarte dreigend aanwoei; en dan die kubusvormige of tot mummies verschrompelde portretten, met een sappig zwellende hand vooruit, waarmee zij tegelijk keken en spraken! Om mijn persoonlijkheid tegenover de zijne te stellen speelde ik op zijn vleugel in de zitkamer geen Debussy of Hindemith, maar Brahms' Intermezzi en zelfs Schumann, in wiens Kreisleriana ik uren lang verdwalen kon. Mijn muziek was mij, met andere benoodigdhed en, door , Eg gebracht! Nadat ik mijn ouders een briefje ter ophel dering had geschreven, zonder mijn nieuwe adres te noemen, wachtte ik hem op een middag bij zijn H.B.S. op. Toen hij mij gewaar werd, schrok hij hevig; onmiddellijk dook hij achter Smeenge weg, die vrijmnoedig aan zijn pet tikte, maar zoodra hij merkte, dat ik glimlachend teruggroette, kwam hij naar mij toe. Het ging er nu om mij van zijn diensten te verzekeren. Wanneer Eg mij zou volgen en mijn adres aan mijn moeder verried, zou ik natuurlijk weer op de Waalweg terug moeten komen: door middel van dit dreigement verkreeg ik tevens de toezegging, dat hij mij van alles op de hoogte houden zou. Hij was onder een hoedje te vangen; zelfs dwong hij Smeenge tot het maken van excuses, die mislukten, omnda't ik dadelijk sigaretten begon uit te deelen onder die jongens. Op vier achtereenvolgende middagen ontving ik nu: mijn kleeren, mijn boeken en toiletartikelen, een brief van mijn wader, waarin hij het zei te betreuren, dat ik „zoo gauw al" weg was gegaan (blijkbaar meende hij, dat mijn vlucht - niet alleen mnogelijk was gemaakt door die / 800, maar ook uitgeloktdoor zijn raad! Over de hinnikscene geen woord; het is opmerkelijk hoe hardnekkig ouders tot op hooge leeftijd in de overtuiging verkeeren, dat hun kinderen niets^ van hun oneenigheden merken...), en inlichitingen over mijn moeder. Volgens Eg had zij een paar borden gebroken op de avond van het diner, maar sprak nu niet meer over mij, en ging de heele dag uit, „met van dat rooie poeier op d'r smoel". Het dienstmeisje was zander eenige aanleiding weggejaagd en vervangen door een werkster. De vijfde dag dacht ik eerst, dat mijn handlanger ook door de tegenpartij gestopt werd; toen ik hem voor tweeen ontmoette, deed hij koel en spottend, en zei, dat er een brief uit Duitschland voor me klaar lag: ,Als je 'm zelf komt halen, kun je 'm krijgen, zegt moeder." Mijn ontroering verborg ik door een lapje van tien te voorschijn te halen. Het viel mij mee, dat hij mij een ^opmerking over „die Duitsche meid", of erger, bespaarde, maar het was waar: tegenover mij was zooiets vrij misplaatst, sinds ik getuige was geweest van zijn erbarmelijke angst. ,,Eg, jongen, wees nu verstandig!" hield ik hem voor, ,,als ik naar moeder toega, lijmt ze me natuurlijk om te blijven" ik rekende er op, dat hij de overredingskracht van mijn moeder in deze overschatten zou „en met een baantje slaag ik toch niet in deze tijd. Dan zit je weer met me opgescheept, en je bent je bovenkamertje kwijt..." Hij knikte. Na eenige aarzeling zei hij stuursch : ,Dat geld kun je wel houden. 't Is er niet prettiger op geworden nu je weg bent, met die twee ouwe kraaien om me heen. 't Is een rotzooi. Vader zuinig, en moeder geld weg , smijten aan kleeren en naar de lunchroom gaan en zoo, en ik niks te vreten. En Smeenge en de andere lui mogen niet meer komen, omdat ze die ouwe gangklok naar beneden gehaald hebben." Ik begreep, dat mijn moeder Eg danig op de vingers tikte, sinds ik er niet meer was. ,,Hier, pak aan," zei ik, om zijn eergevoel op een uiterste proef te stellen. Gewoonlijk kon hij veel geld aan; ik zag de tweeestrijd in zijn zwarte, omwalde oogen, in de nadenkende lijn om zijn gevoelig geplooide mond. „Ik vertrap 't. Zeg maar wat ik doen moet.' ,,Weet je die brief te liggen?" jawel, bij die andere boel, op 't kastje." „Als ik 'm vanmiddag na school niet van je krijg, kom ik zelf, dus..." Ik had nu niets anders te doen dan te wachten. Doelloos liep ik in de Sterrenbuurt rond, voorbij de publieke telef oon en het groote gebouw van ,Kindertoevlucht", waar Else Bohlier en ik elkaar zoo vaak ontmoet hadden, en omm vier uur kreeg ik de brief. Ik las hem op straat, onder hartkloppingen, en moest rmij dwingen am niet dadelijk naar het slot te kijken en de onderteekening. „Mein lieber Johann! Ein Strom von Tonne and Gluck. Ein Ruf zu Dir." (dan een regel wit) „So sitze ich in Gedanken, wie so oft schon, es ist Nacht, tiefe Nacht, nur die ewige Uhr tickt, aber jetzt bricht es loss, jetzt muss es heraus, die unruhige Stimme (von) des Gewissens! Vielleicht war es, oder ist es zwecklos. Mir gleich, ich ertrage es nicht longer. Du wirst mich nun ausschelten, aber es war gut so. Ich weiss, Du wirst fassungslos den Brief lesen, and denken wie ist es m'oglich. Aber ich bitte um T7erzeihung. Bin gut in Koln angekommen. Die Fahr't war sehr amusant. Ich hatte Dir schon langst eher geschrieben, aber... Tie geht es Dir sonst noch? Nach unserem letzten (Zusammenk) Zusammensein bin ich ein paar Tage krank gewesen, ich glaube die grosse Krankheit zu Dir war es. Heute ist der Schmerz noch viel schlimmer. Diese Nacht, bin ich bald veruckt geworden. Ich habe Dich in Gedanken an mich gepreszt, and als ich erwachte, was es mir noch wie eine Wahrheit. Ach konntest du doch mit mir gehen. Mein Mlles auf der Welt. Ich .liebe nur Dich. Nichts kann mich intressieren. Verlange nur nach Dir, um Dich em ma! glucklich machen zu konnen. Ich bleibe innerlich immer bei Dir auch wenn Du weit von mir bist. Lieber Johann, schreibe mir bitte wieder, damit ich weiss wie es Dir geht. Sonst werde ich veruckt. Bitte so fort! Horst du? Vielleicht hat schon eine andere Dein Herz er faszt, Bann mochte ich lieber zurucktreten, auch, wenn ich vollstandig dabei zu Grunde gehen wurde, seelisch and korperlich. Heute Abend blutet mein Herz, es schreit nach etwas Unmogliches! Auch hatte ich nie gedacht, dass wirklich einmal die Liebe mit solch grosser Wucht in mein Herz wurde Platz nehmen. Ja, die Liebe ist ein kietzeliches Ge f uhl in der Nahe des Herzens wo man sick nicht kratzen kann. Sie ist fur mich etwas Heiliges, es schonste and kostbarste auf Erden. Deine Au yen, ich liebe sie, and doch wagte ich es niemals sie anzusehen, Ich mochte hirruber nicht mehr schreiben, denn ich f uhle etwas eigenartiges fur Dich. Oft habe ich gedacht, du warst nic/it sicher fiber meine Liebe. Sei Du, lieber Johann, hirruber ganz gewisz. Bis Heute darf ich frei and ehrlich noch jeden gegenuberstehen. Ich trage noch das Kleid einer der schonsten Blumen. Das Ge f uhl, das weisse Kleid mit Recht tragen zu durf en, wenn man zum Altare Gottes gef uhrt wird, ist das schonste was es gibt. Wenn Du mich auch verrkannt hast, im An fang, so bin ich doch noch immer, was ich bin. Ich mochte nur fur Dich da sein and fur keinen einzigen anderen Mann. Nun habe ich noch einen Wunsch, and der ware, wenn wir uns je widersehen, lasse Dir Deine Haare mal langer wachsen, meine Meinung ist, es wurde Dich viel besser kleiden. Gute Nacht! Else." Niets over de zangopleiding of het ,rijke huwelijk", waarmee ze me eens gedreigd had. Met een gevoel in mijn keel, dat huilen kon beteekenen en een dolle lachbui, en dat toch ook naar een teleurgestelde matheid zweemde, omdat nu eindelijk gebeurd was waarop ik had gerekend als op een wonder, kwam ik bij Peter aan. Ik wilde het doen voorkomen alsof de brief mij geheel koud liet: volgens zijn schema moest dit immers het geval zijn, nu ik van de Waalweg en mijn moeder vandaan was. Hoewel ik als „paying guest" geen verplichtingen tegenover hem had voelde ik mij uit erkentelijkh!eid min of meer gedwongen tot deze comedie. Maar er lag een eigenaardige voldoening in hem te toonen hoe weinig Else Bohler mij vergeten was... „Vind jij ook, dat lang haar mij beter zou kleeden, Peter?" vroeg ik, toen we in het atelier achter onze borrel zaten. ,Maar hier zou 't niet gaan, de menschen zouden mij voor den schilder houden, en als zoodanig voor een atavisme," en ik mikte de brief naar het rooktafel ,tje waarop zijn glas stop . ,,Die is niet mis," zei Peter op een grappig berustende toon, na de brief gelezen te hebben. Lange tijd zwegen we. ,,loch wel gek van zoo'n meisje," begon hij weer. ,,Van zoo'n Duitsch dienstmeisje," corrigeerde ik en stak de brief bij me, ,waarbij je dan nog moet denken, dat 't meer dan twee maanden geleden is.. maar ze zal wel wat om je geven !" zei Peter vlug, het laatste woord lang uitgetrokken, „'t is niet uitsluitend berekening, ho-ewel... Bij vrouwen is de erotiek nu eenmaal nooit te scheiden van 't bezitsinstinct. De taaiheid en de ijver, waarmee de Duitsche dienstmeisjes kans hebben gezi,en een integreerend bestanddeel te vormen van de werkende stand hier in Holland, spreekt ook uit deze brief..." Mijn gezichtsuitdrukking deed hem van toon veranderen : ,Een merkwaardig samnenraapsel overigens, die brief. Een stel gezwollen gemeenplaatsen, die alleen nog op de allerdomste nazi's indruk kunnen maken, naast aanduidingen van een soort erotische mystiek, die ongetwijfeld uit haar zelf afkomstig is, dat van dat kitzliges Gef i hl in der .Mahe des Herzens bijvoorbeeld, 'dat is zoo weggeloopen uit de geschriften van de Heilige Theresa van Avila, en dan wat meer in de geest van dat altaarbeeld van haar, van Bernini... Of heeft ze dat van jou ?" ,,Nee," zei ik stug. Dat ik Else vaak gesproken had over het eigenaardige gevoel in de maagstreek, dat men heeft als men verliefd is, hield ik voor me. Ik zei: „Van domheid gesproken: geloof jij, dat een zoogenaamd beschaafd, ontwikkeld Hollandsch meisje, die nooit gezeemd of geboend heeft, zoo iets over de lichamelijke kant van de erotiek (ik bedoel niet de sexualiteit!) zou kunnen sch rij ven ?" ,,Aha, een pleidooi voor de sacrificium intellectus!" spotte Peter terug, „nu nog een kleine peroratie tegen asfaltliteratuur en voor- bloed en modder, en je bent, mede je anti-Freudisme in aanmerking genomen, rijp om een studiereisje naar Duitschland te maken. De neuroticus die de primitief gaat uithangen en zich in beestenvellen hult, ja, j Zeg, iets anders..." met een flits van zij n lichte oogen over mij heen had ze hier in Holland al niet eerder gescharreld, voor jij d'r kende?" Weer knikte ik ontkennend, bijna werktuiglijk. Maar ik voelde, hoe het bloed naar mijn wangen ste-eg. Het ranzige verhaal over Else Bohler's vriendin, de auto's, de opium, de sigaretten, het bandeloos uitgegilde woord ,,Schutzkaf f ee", al die bijna legendarisch geworden krankzinnighedenwaarik nooit dieper in door had kunnen dringen en die in de grootst mogelijke tegenstelling stonden tot de ton van de brief, namen ,opeens weer bezit van me. Ik trachtte me er tegen te verzetten, maar het eienige dat me daarbij helpen kon: zekerheid, dat was niet te verkrijgen. Zonder het te willen keek ik Peter aan alsof hij er meer van wist dan ik. 193 Else Bohler, Duitsch Dienstmeisje 13 „O, ik dacht maar,” zei hij losjes, met een wegwerpend gebaar, „ik meende, dat je me zooiets vertelde indertijd.. . In dat geval zou er een eigenaardig licht geworpen worden op die gratuite mededeeling van haar over dat weisse Kleid... Maar dat kan ook een aanloopje geweest zijn om 't Altar Gottes er bij te kunnen halen," besloot hij, en sneed een ander onderwerp van gesprek aan. Om acht uur nam ik plotseling een besluit, ik verlict het huis, en liep de Sterrenbuurt weer in. P,oolplein-Perseusplein-Andrromnedastraat : nooit had ik zoo'n gevoel van gerustheid gekend wanneer ik naar huis liep langs deze weg, vroeger. Wat ik nu doen ging was niet alleen een ongehoorde uitdaging aan Waalweg 27, h-et was vooral een zelfoverwinning op vroegere angst en een halfslachtige houding. Een daad was het, waarin alle Braden van mijn bestaan sameenkwamen, en de brief van Else Bohler had rmij er toe in staat gesteld! Koesterend Bleed mijn hand langs de muren van de laatste Andromedahuizen. Er was niemand in de straat. Door de spijlen van het hek bovenop het lage muurtje, waarop mijn vingertoppen hobbelden als op puimsteen, ontwaarde ik kale wingerdtakken, de lat voor de kleedjes, en langs de ach-tergevelrij op verschillende plaatsen licht; de bovenkamertjes, vier of vijf in getal, waaronder mijn eigen, stonden scherp afgeteekend tegen de avondhemel, met hun overkappende zinken daakjes als kajuiten van naast elkaar gemeerde schepen. Daar beneden mooest mijn moeder zitten, en Eg, en mijn vader; een oogenblik wenschte ik deze huizen doorzichtig, opdat zij met hun drieen in ademlooze spanning getuige konden zijn van mijn veroveringstocht. Opzettelijk vermeed ik naar het licht te kijken achter de gordijnen van de huiskamer van het hoekhuis, ik wist dat daar d-e huiskamer was, om geen aarzeling te laten opkomen op het allerlaatst, ik plaatste mij voor de deur, ademde diep en stak mijn hand uit. De bel galmde onherroepelijk. Alleen als deurtjebeller kon ik nog terug. Ik schoof wat -opzij, zoodat mijn gezicht op een hoogte met de groote brievenbus kwam. Door de spleet in het graniet ving ik trage geluiden op: een weerbarstig schrapende stoel onder iemand die opstaat, terwijl zijn oogen nog gevestigd blijven op boek of krant; een deur, gevolgd door het klepperen van een andere deur, door de luchtdruk, of omdat werkelijk ook de tweede bewoonster van het huis op de bel afkomt; geslof, wat gekuch, een geruisch, weer gekraak, begeleid door een schrikaanjagend geratel van heel d'ichtbij : van een gangklok die juist dit moment uitkiest om zijn gewichten te laten vieren; een sprang naar links om toch nog netjes voor het ridden van de deur te staan, en dan ineens om de hoek van die deur het volmaakt -onbegrijpelijke gezicht met het lage voorhoofd en de dichtbijeengelegen oogen, zoo dicht bijeen, dat het wel lijkt alsof ze uit wantrouwen controle op elkaar moeten uitoefenen. „Goeienavond, juffrouw Erkelens," zei ik met lets joviaals, ,zou ik u even kunnen spreken? Ik ben... hirer van twee huizen verder... om de hoek. Mijn naam is Roodenhuis. .. Ze keek mij aan alsof ik een crisisbedelaar was. Verbazing sprak er niet uit Naar lompe trekken, alleen een versteend wantrouwen. Langzaam ging de deur weer dicht, ik kon niet precies zien hoe, daar ze van 't begin of aan er half achter had gestaan; het drong maar weinig tot mij door, dat ze mij bezig was buiten te sluiten. Net toen het 19 r bijna niet meer kon, bereikte mij, tegelijk met een trippelend geluid in de gang, als van een speurende hond, de schorre bariton van de vrouw, steil provinciaal, in iedere stembuiging een onmetelijk gelijkhebben : „ ij zijn voor u niet ,t uis. „Kom, dat meent...," zei ik lijmerig tegen de gesloten deur, en vloog opnieuw naar de brievenbus tot het opvangen van de gangepiloog. De brievenbus werkte als een echoput; men fluisterde niet, men brulde. „Is hij 'tr?" ,,We laten ons niet met 'm in! Toppunt!" „Maar hij woont d'r niet meer, Jans! De melkboer zei... ,, Schof t dat ie is. Laat ie m'n knieen 's voelen van 't dweilen. Laat ie dat 's van me overnemen!" De stem van de dwerg, hoog, met een zangerig uithaaltje : ,Misschien weet ie wat van d'r, of heeft ie 'n boodschap van d'r. Als ze niet naar Duitschland is, wil ze misschien terug, ans!" Zwijgen. Geen enkel gerucht bewees, dat ze bezig waren de gang te verlaten. Een onbedwingbare impuls volgend, belde ik voor de tweede maal. Na wat gefluister werd de deur wijd opengemaakt. Met een sprong was ik binnen, drongmij tusschen de dames in met een stroom van excuses en verkiaringen. In aansluiting aan wat ik even te voren afgeluisterd had, legde ik er vooral de nadruk op, dat 1k in geen geval de schuld droeg van Else Bohler's vertrek: „Integendeel, ik zou niets liever gezien hebben dan dat ze bier gebleven was... ' ,,Was u met d'r verloofd?" vroeg de oudste juffrouw Erkelens streng. ,,'t Verschil in godsdienst...," ontweek ik de vraag, en trok een smartelijk gezicht, waarop de dwerg naar Else's verblijf in Duitschland informeerde en eindelijk haar zuster bedeesd aanstootte: „We kunnen meneer toch zoo net laten staan...' ,, amt u dan maar binnen," gaf deze toe, en even later werd ik in de voorkamner geloodst, een ruim, vi ,erkant vertrek, geheel opgevuld met een meubilair zoo kolossaal en onoverzichtelijk en waarvan de aanwezigheid mij toch ook weer geheel natuurlijk scheen onder het bastionachtige platje van mijn verbeelding, dat ik mij tusschen twee of Brie ouderwetsche eiken stoelen, waaraan geen eind kwam, had door te wringen, voordat ik mij kon laten zakken in iets dat in verhouding te brengen was tot mijn eigen afmetingen. In een hoek stond een met ijzer beslagen boekenkist van Hugo de Groot. Een naaimandje op de tafel was zoo groot als een boodschappenmand. Het zonderlingste van alles was, dat de dwerg en de aapmensch met hun zorgelijke, witte, harde gezichten zich bij de sfeer van dit interieur volmaakt aanpasten; wellicht door een soort gewrichtsrheumatiek, of door bijzond ,erheden van hun onderkleeding, schenen hun lichamen overal knoesten, knoppen, handvatten, en leuningen te vertoonen ; het scheef misvormde kindergezicht van de dwerg, even beenig als dat van haar zuster, maar fijner en van een roerend aandachtig luisterende glooiing van voorhoofd en neusbeen, zakte als een spiraalvormig gedraaide buffetpoot tusschen haar schouders weg; de aapmensch, een naar binnen geslagen athleet, overwonnen door een vochtig klimaat, zat mij somber op te nemen in de houding van „De Denker" van Rodin, die zooveel van een nagelbijter wegheeft. Telkens werd ik afgeleid door het besef, dat Else Bohler hier rondgeloopen en stof afgenomen had, en dat deze twee -on behouwen vrouwspersonen haar hadden gekend maakte haar beeld voor mij werkelijker dan vroeger ooit het geval was geweest. Ik had haar voetsporen willen volgen in dit huis, en in de tuin willen staan onder de lat om dan tersluiks naar boven te kijken zooals zij zelf zoo vaak gedaan had, en op het betegelde straatje heen en weer loopen dat op Zaterdagavonden glinsteren kon als haar eigen gebit. Ik begon me danig sentimenteel te voelen, nu ik mijn doel had bereikt en binnen was bij de dames Erkelens... ,,Daar zitten we dan," zei de oudste van de twee krakend, ^toen ik nog eens mijn verontschuldiging had aangeboden en ineens niet verder wist, omdat ik aan die drie steenen op het hekje moest denken en aan de haarborstel. Dat was wel het laatste waarover ik hier spreken mocht! „Ik kwam om inlichtingen in te winnen over uw v.roeger diensttmeisje Else Bohler," zei ik of f icieel, alsof er van deze Else Bohler nog heelemaal geen sprake was geweest. ,,Zoo, dan weten we tenminste hoe en wat," begon de aapmensch, 'terwijl ik haar zuster op een nerveus gegichel meende te betrappen, dadelijk gesmoord tusschen haar hooge schouders, ,maar wat voor inlichtingen? Dat u elke avond met d'r over de straat sjouwde, hoeven we u zeker niet in te lichten, waar? En verloofd, zei u? Nou meneer, van gisteren zijn we ook niet; wat bent u, student of advocaat? Mijn broer is dokter, maar wat die z'n wilde haren niet aan meisjes gekost hebben, daar zal de goede God..." „ waarschuwde de dwerg ingetogen. Jine?" riposteerde de aapmnensch met een zekere boertigheid, „laat m'neer't maar 's hooren! M'neer is nog jong, waar? Hij weet heel goed, wat ie gedaan heeft kan niet door de mand." Onwillekeurig keek ik even naar het geweldige naai vehikel op de tafel, en Bing toen tot de tegenaanval over. ,,Die brief die u opengemaakt heeft, juffrouw Erkelens, kon anders ook niet heelemaal door de beu..." ,,Brief? Wat brief? Else was zooveel als mijn pupil! Haar moeder... maar dat gaat buiten uw boekje. Dat kind was zoo onnoolzel als een pasgevangen vinkje, daar hadden wij voor op te komen, waar? Als u hier gekomen was om..." ,,Else was een engel," viel de dwerg plotseling in met een heldere stem, waarbij de glooiing van haar wit, geknakt gezicht zich dwe,epziek hemelwaarts richtte. Op deze onverwachte mededeeling volgde zeker een halve minuut zwijgen. De aapmensch had een groote zakdo-ek uit een beugeltasch genomen en haalde een paar keer verachtelijk haar neus op met een uiterst kwaadaardige trek om haar spleetmond die -ook als zij sprak nauwelijks bewoog, en met haar kaak koppig naar voren. „'t Was zeker een lief en fatsoenlijk meisj,e, we wisten niet dat zulke dienstmeisjes nog bestonden, waar Tine? Altijd werken, en lief, en zingen; we nemen nooit meer een ander, we doen nu alles weer zelf. Maar als ze terug wil, best." Even gluurde ze mij aan met haar kleine, grauwe oogen. Ik voelde, dat het moment gekomen was. Jegen mijn moeder heeft u anders gezegd, dat ze zich de eerste maanden hier in Holland nogal... misdragen had. Met die vriendin, en..." De kleine, grauwe oogen werden groot en donker, bijna samenvloeiend onder het zware voorhoof d ; de aapmensch sprong op en wees naar de deur. ,,Dan mot u maar liever weg! Om hier dat kind nog te komen bezwadderen ook! Ik laat me niet alles leunen, waar? Ze mag hier terugkomen, graag, nou u toch ergens antlers woont, u met uw vuige tong!" ,,En tegen mevrouw Steketee heeft u beweerd, dat ze een straatmadelief was, en gestolen had...", stribbelde ik tegen, reeds op weg door de kamer, waarbij ik mij aan minstens vier meubels bezeerde. ,,Gestolen ? ! Dat hart van goud ? !..." ,,Nee, m'n-eer," snikte de dwerg er doorheen, ,geloo-ft u...'7 „Stil jij !" snauwde haar zuster, en met uitgestrekte arm tegen mij: „Er uit! Wat u met uw moeder bekokstooft laat me ijs, God zal jullie wel straffen, belagers der reinheid !" Haar stem begon een theatrale galm aan te nemen. „Een huwelijk voorspiegelen en dan terugtrekken met laster! En dat magere wij f van hiernaast, die inlichtingen kwam nemen, zeker omdat ze 't kind zelf wou hebben, die kan immers zelf geen meid houden? En uw moeder, die de mnenschen op de mat laat staan, look niet! Maar ik hield m'n mond, potstijf !" Met de vlakke hand sloeg ze zich op de lippen en schreeuwde: „De heele buurt zal 't weten, ik bazuin 't van stoepen en daken! Gaat u nu weg of niet?" ja jezes, ik ga al," stamelde ik en schoof fangs de gangklok. ,,Die lieve kinderen bezwadderen!" brulde het mensch me achterna, „die elke avond boven zaten te naaien ! Hoogstens een enkel sigaretje... Ga.at u?" „O, dat dus toch wel," zei ik tam. ,,O, rookt u sums niet? En wie zal dat betalen? ! ..." In mijn brief aan Else Bohlervlochtik een humoristische beschrijving in van dit bezoek aan onze twee vroegere tegenstandsters, die haar nu zoo idealiseerden. Hoewel ik haar vroeg onmiddellijk terug to schrijven, was er na twee weken nog geen antwoord. Het kon alleen mijn gekweldheid maar vergrooten. Wet twintigmaal las ik haar brief over, en verwonderd-e me over het bombastische van sommige passages, dat zoo weinig strookte met de manier waarop ze altijd tegen me gesproken had. Aan haar liefd,e voor mij hoef de ik in geen geval meer to twij felen, hoezeer die ook vermengd mocht zijn met berekening, koppigheid, onbevredigde zinnelijkheid. Meer en meer richtten mijn gedachten zich weer op haar. Op de wieken van Brahms' Intermezzi, die ik met een zekere trots herontdekt had als jets moderners dan modern, zweefde ik naar Keulen en omcirkelde de straat en het huis waar ze nu zijn ,moest, hoe fang nog? Daar wachtte ze misschien op mijn huwelijksaanzo- ek, dat niet komnen zou, maar dat niet alleen: ze droomde -er ook en verlangde, buiten alle verstandige overwegingen om, die wellicht pas in haar opgekomen waren onder invloed van haar moeder. Maar in mijn eigen verlangen betrok ik die moeder ook, de statige, hooggeboezemde dame van het portret, met de hartelijke, h ,eerschzuchtige blik, zoo weinig de moeder van een dienstmeisje... Wat Else's ,verleden" betreft was ik wel niet ve-el verder gekomen, maar toch had de redelooze woede van juffrouw Erkelens zijn uitwerking niet gemist. Haar hysterie mocht dan al iedere controle op de waarheid verijd,elen, het leek me een niet onaardig probleem wie meer gelogen had: zij, mijn moeder, of mevrouw Steketee! de aanval, die ik had bijgewoond, maakte het in ieder geval zeer waarschijnlijk, dat Else niet gelogen had, toen ze mij vertelde, dat juffrouw Erkelens voor haar op de knieen was gevallen, de ochtend van haar vertrek naar Duitschland. Ik had dit altij d als fantasie beschouwd, als snoeverij van een weggeloopen meid; dat ik op dit eene ondergeschikte punt Else onrecht gedaan ble-ek te hebben, stelde mij niet minder gerust dan wanneer mij betrouwbaard ,er inlichtingen verschaft waren betref f ende al het andere. Zond-er dat ik nog plannen maakte om bij hem vandaan te gaan, begon Peter's gezelschap mij toch te drukken. Hij was zoo zeker van zichzelf. Aandachtig observeerde hij mij, en scheen toch van te voren te weten hoe ik handelen zou. Ik voelde me leven als in een coo-rdinatensysteem, nu niet meer in het systeem van de Waalweg, maar in het psychanalytisch diagram, dat Peter er van geteekend had. Hij en Christien, superieur sceptisch beiden, zwerend bij het „nil admirari", spraken over hun ouders als over een dwaze kinderziekte die men doorgemaakt moet hebben, en keken mij dan aan als een volwassen slachtoffer van de mazelen, die immers ook op latere leeftijd een zooveel ernstiger verloop nemen. Ik was een man met een ,moedercomplev", iemand die men niet alleen over de straat laat gaan. Hoezeer ook verborgen achter zelfspot, toch was een zekere pedanterie in Peter niet te miskennen op den duur, en toen hij mij op een avond zijn model toeduwde met de woorden „Johan geeft Christien vanavond een zoen", voelde ik daarin minder spontane vrijgevigheid dan een zet in zijn opvoedingssysteem. Dat Christien tusschen ons door gleed, zonder zelfs de moeite te nemen coquet te glimlachen, was enkel een aanwijzing te meer dat dit systeem mislukken moest faute de combattants. Als discipel stelde ik Peter danig teleur, hij zei het mij on,omwonden, vooral na een artistenfuif waar ik de heele avond als een doodbidder bij gezeten had. Wilden de vrouwen niet, wilde ik niet? Dat was al even moeilijk uit te maken als de oorzaak van mijn mislukte sollicitaties, die men naar keuze kon zoeken in de wereldcrisis dan wel in een slecht geknoopte das of een al te droomerige oogopslag. Op zijn bevel zocht ik in Leiden vrienden op, met wie ik vroeger wel bacchanaaltjes had aangericht, en werd zelfs geintroduceerd op een ,bal nu", waar ik in een hoek naar de houdingen bleef staan kijken, net als Leonardo da Vinci, maar dan zonder iets te teekenen van al dat vleezigs... „Teen, beste kerel, zoo gaat It niet," zoo begon Peter een ernstig gesprek over mijn onwilligheid en indolentie, „je vegeteert, je verknoeit al je kansen zelf ! Wil je slagen op een van die kantoren mijn voorraad is overigens uitgeput, toevallig hoorde ik van een van die lui, dat je niet ,keen' genoeg gevonden werd, meer een soort kamergeleerde dan moet je je eerst weer in de erotiek thuisvoelen. Je kunt natuurlijk ook een boek over de philosofie van het recht gaan schrijven, maar je hebt het geld niet. Je moet je aanpassen, je moet, verdomd, door je complexen heen bijten . ,,Niet zoo lastig," zei ik vermoeid, ,dat zijn volgens jou immers maar kinderbiscuitj.es..." j a. Peter wachtte een poos en scheen grondig na te denken. Ja, ik heb 't. Kijk, je bent op It oogenblik om zoo -te zeggen in de positie van iemand die half geanalyseerd is; laten we aannemen, dat ons gesprek van toen, over die droom, die uitwerking heeft gehad. Dat is eigenlijk de beroerdste toestand, die er bestaat, omdat je dan alles van je psychanalyticus verwacht, in casu van mij, en je eigen initiatief heelemaal uitschakelt; bovendien denk jij, dat je alles al precies weet, en te veel weten is nooit goed, zoolang het zich niet omgezet heeft in laden..." „Je bent een echte schoolmeester, Peter." „En dat is precies wat jij noodig hebt!" was het scherpe antwoord, ,ik heb je al eens eerder gezegd, dat 1k voor mij niet de minste waarde meer h-echt aan de psychanalyse, maar ik wou jo'u zoo ver brengen dat je met evenveel recht hetzelfde moogt zeggen... Beschouw mij nu maar als een tijdelijke vader of leidsman, die je een eind op streek helpt ; dat zeg ik niet om me gewichtig te maken, maar omdat het de beste formuleering is voor een reeds bestaande verhouding. Te meer omdat j,e eigen vader je nooit veel gezegd heeft, heb ik geheel zijn plaats ingenomen in jouw onderbewuste..." Hoewel ik nu op een quasi-grappige manier in al mijn zakken begon to tasten, als op zoeknaar Bien onderbewusten wader, liet Peter zich niet van de wij s brengen en ging door met het ontwikkelen van een plan de campagne voor mijn zieleheil, dat hij me twee maal moest uitleggen, zoo allerdwaast leek het mij toe. Als ik me wet herinner, voor de juistheid van de o,mschrijving, die ik :er hier van geef, kan ik niet instaan, kwam het daar op n-eer, dat ik immuun gemaakt moest worden voor de funeste gevolgen van mijn „ouderbinding". Uit die inktvischdroom vooral zou ten duidelijkste gebleken zijn, dat mijn onbewuste fantasieen nog steeds om de slaapkamer van mijn ouders draaiden (zooals, oarspronkelijk, bij ieder kind), waardoor mijn aandrif ten door schuldgevolel werden geremd en iedere natuurlijke liefdesverhouding tot andere vrouwen -onmogelijk gemaakt. De vrouw was iets onbekends en gevaarlijks voor mij, iets demonisch, dat ik enkel en alleen nog door kieren en vanaf balconnetjes durfde te bespieden (zonder haar naam te noemen maakte Peter hier een handig gebruik van vat ik hem vroeger over Else Bohler verteld had) , maar gelukkig was daar Peter van Herwaarden met zijn psychanalytische huisapotheek om mij met enkele goedgemikte seruminspuitingen van dat euvel af te helpen! Raadzamer nog zou de chirurgische methode geweest zijn : de behandeling door een psychiater, die mijn complexen eenvoudig zou uitsnijden, maar dat kostte te veel geld en tijd. De methode van Peter daarentegen vergde niet meer dan twee weken, wat kopjes thee, bonbons en misschien een enkel zoet likeurtje. Wat beoogt de immuniteitstherapie? Een zieke genezen met wat zijn zi-ekte veroorzaakt heeft! Iemand heeft diphterie: men spuit hem in met diphterie, en heeft alleen nog maar de dankbare ouders af te wer,en. Afgezien van die ouders, wou Peter hetzelfde doen met mij. Om het onschadelijke en nuchtere in te leeren zien van iedere liefdesomgang, om de vrouw te leeren begrijpen als blinde, neutrale en verwisselbare vertegenwoordigster van een snort, en niet meer als exclusieve, ,verboden" moederfiguur, lom mijn jaloezie te doen afreageeren met behulp van de aanschouwde daden van een anderen man (die buitendien voor mijn onderbewuste de rol speelde van den vader) , waar jaloezi,e immers uitsluitend berustte op een , gemis aan voorstellingsvermogen, een gemis aan durf om zich de pijnlijke situatie helder voor de geest te halen, kortom, am mij voorgoed te genezen van al mijn remmingen en aarzelingen en scrupules, moest ik mij iedere middag verdekt opstellen in mijn slaapkamertje, waar een gat in de grond geboord zou worden, dat gelegenheid gaf tot spieden en luisteren. In het under het kamertje gelegen atelier zou Peter verschillende zinrijke demonstraties geven ten mijnen behoeve; Christien moest dan maar een tijdje naar haar familie. Ten hij zoo ver gekomen was kon ik mij niet langer bedwingen en barstte in een schaterend gelach uit. Een oogenblik had ik gemeend, dat het niets anders was dan een mystificatie, maar ik kende hem voldoende om te weten, dat die humoristische toon een diepe ernst verborg. ,,Niet voor niets naar Parijs geweest!" hikte ik nerveus, ,,die is verdomd goed, zeg! Zeker te veel in voyeursbordeelen gezeten, j**! Denk je, dat ik me daartoe leenen zal, om jou beneden tusschen je strenge abstracte doeken een nummertje te zien geven? Schei nou gauw uit!" Maar Peter, die geduldig had gewacht tot ik uitgelachen was, legde me uit, dat ik de beteekenis dier sceances niet op zoo'n botte en smakelooze wijze moest miskennen. (Mijn lachbui bewees overigens, dat bij mij prrecies het gevoelige punt was aangeroerd!) Zoo men al van voyeurspractijken kon spreken, dan toch alleen in een vergeestelijkte, gesublimeerde zin. Ontkleed zou er niets worden. Ik moest maar afwachten. Maar hij stelde er zich alles van voor... Toen ik mij de grondslagen van zijn cursus nog eens opni,euw had laten uitleggen, zei ik: „Zouden je beweegredenen niet eerder to zoeken zijn in je zucht om mij die fameuze terughouding tegenover vrouwen te demonstreeren en de galante successen waarvan je geen gebruik wenscht te maken? Zeus die van de Olympus neer komt dalen om het menschdom te verbazen! Heb ik goed geraden?" Even kneep hij zijn oogen afwerend dicht, maar om een antwoord was hij nooit verlegen. ,,Geloof je, dat het voor een patient veel verschil maakt, of de dokter, die hem het reddende serum inspuit, een ijdeltuit is of niet?" Deze logica was even onontkoombaar als de ontwapenend- e manier waarop hij zelf een beschuldiging aandikte, die maar half gemeend was. Bovendien begon ik nieuwsgierig te worden. Dat „experiment" leek me in ieder geval een grappige onderbreking in mijn landerig en gedesceuvreerd bestaan. Maar nog wilde ik mij niet gewonnen geven. ,,Ik vind 't eenvoudig belachelijk, idioot. Enonwaardig." „Ik zal je eens wat vertellen," zei Peter, „tot nog toe heb je misschien gedacht, dat ik zuiver -op theoretische gronden op die gedachte ben gekomen, dat het een soort hersenspelletje is, zonder eenige persoonlijke inzet van mijn kant. Dat is niet waar. Heb je wel eens van mijn oom gehoord, de schilder van Herwaarden, nog uit de bloeitijd van de Haagsche school? De familielegende wil, dat ik zijn talent geerfd heb. In alle opzichten was het een merkwaardig man, maar ik geloof meer aan hem te danken te hebben als mnensch dan als kunstenaar. Toen ik 20 was, bewonderde ik hem zonder voorbehoud; in alles was hij mijn volorbeeld; de maanden dat ik bij hem gelogeerd heb tot mijn een-entwintigste, toen is hij gestorven aan zijn hartkwaal zijn van invloed geweest op mijn heele leven. In die jaren was ik nog een echt kalf; ik had al wat vrouwen aangeraakt, maar ik vond niet wat ik zocht, en vooral schaamde ik mij voortdurend, je weet wel, dat ellendige gevoel van schaamte dat iedereen aan j.e zien kan dat je een man bent, een wezen dat naar een vr1ouw toe moet, het walgelijkste kuddegevoel dat er bestaat, en zonder de grandezza zelfs van fokstieren. Ik wist niet hoe mijn oom leefde, maar had flauwe voorstellingen van een ascetisme, noodzakelijk om kunstenaar te kunnen blijven; ik meende, dat hij de vrouwen minderwaardig of gevaarlijk moest vinden zooals ik, maar dan gerechtvaardigd door zijn ervaringen. Het wilde Leven, dat hij in zijn jeugd geleid had, moest men kunnen overslaan, dacht ik. Op een ochtend had hij bezoek in zijn atelier, waar ik hem opzocht om iets over mijn werk te vragen; ik onderscheidde de stem van een vrouw, die ik nooit eerder ontmoet kon hebben. Daar de deur op een kier stond, kwam het geen oogenblik in mij op, dat hij zich daar met die vrouw had afgezonderd. Onmiddellijk ging ik terug, vooral toen ik woorden opving, die toch wel degelijk op die mogelijkheid schenen to duiden. Toen ik vijf passen ver was, hoorde ik een gesmoord gekreun of gerochel van hem , ik liep terug, toch nog geruischloos, maar durfde niet naar binnen; besluiteloos stond ik voor de kier, en een ondeelbaar oogenblik zag ik toen, even voordat ik voor de tweede maal terugging, wat mijn houding tegenover vrouwen op slag gewijzigd heeft. Mijn oom, die een lichte hartaanval had gekregen, zooals hij wel meer had, lag achterover op de divan, doodsbleek, maar met een kalm lachje, terwijl de jonge vrouw in neglige hem zijn boord losmaakte, 'ook met ^een kalmte, alsof zooiets dagelijks voorkwam. Zij had een vermoeid gezicht met bruine, oplettende o-ogen, die er een verpleegstersgezicht van maakten; ik heb nooit geweten wie zij was, mijn oom stierf kort daarop. Maar het feit, dat iemand, die ik in alles onvoorwaardelijk bewonderde, kort voor zijn flood met zulk een vanzelfsprekendheid nog de liefde beoefenen kon, met de deur open, verzoende mij ,onmiddellijk met mijn - lot. Ik heb het nooit beredeneerd, maar op dat moment zag ik de schuldeloosheid van dat alles, de vormen van alledaagsche kameraadschap die de liefde aan kan nemen, het inschakelen van de liefde, als een vorm onder vele, in de gewone levensverrichtingen als eten, drinken, ziek zijn, werken. En ik ben er van overtuigd, dat ik nooit tot deze visie gekomen zou zijn, als ik mijn oom niet bespied had tijdens een geheel toevallig incident, dat ontluisterend had kunnen zijn voor het idealisme van ieder ander, maar dat mij mijn gevoel voor de realiteit teruggaf, of pas voor het eerst schonk." Hij zweeg eenige tijd. Ik zei: je vergeet, dat het element van toeval en -onopzettelijkheid in die ervaring van j.ou geheel ontbreken z-ou in de demonstraties die je vo-or mi j ten beste wilt geven..." ,,Dat weet ik ook wet! Dat is een nadeel, dat niet tegen de voordeelen hoeft op te wegen. Alles hangt of van de geestesgesteldheid waarin je zooiets begint, de ernst waarmee je 't doorvoert. Ik ben niet van plan er een grap van te maken!" Na eenig over en weer praten gaf ik toe, voornamelijk , om hem later nog eens op betere gronden te kunnen aantoonen, dat hij zich vergiste, en uit die and-ere overwegingen, die ik boven reeds noemde. Waar Peter die vrouwen vandaan haalde is me altijd een raadsel gebleven; maar het hoorde bij de kuur, dat ik geheel buiten de voorbereidingen gelaten werd. Naar de gesprekken te oordeelen, die gewoonlijk, vrij officieel in zetten, waren het geen oude bekenden; een of twee ontmoetingen op straat of in een cafe konden er aan vooraf zijn gegaan, meer zeker niet. Vertegenwoordigsters van de ,,bohême", waaronder Peter toch zijn meeste kennissen telde, waren ver in de minderheid. Behalve een j die niet van de schilderijen weg te slaan was en na een gesprek over „toets" en „coloriet" met alle geweld geschilderd wilde worden in een badmantel, waarna Peter haar de deur uitwerkte met de verzekering, dat hij uitsluitend Karen pijen aan kapstokken schilderde, is mij van al die middagen, die ik op de vloer van mijn slaapkamertje ge , hurkt of liggend doorbracht, bijgebleven : twee winkeljuf 209 Else Bohler, Duitsch Dienstmeisje 14 frouwen, een kapster, een meisje dat de Volksuniversiteit bez-ocht, een bankemployee van een jaar of 35, een dame met een groote hond, die telkens tegen de zolder blafte, en de vrouw van een oud-kapitein van de Lloyd met haar dochtertje. Er werd wat geflirt, gedronken en gesnoept, en als ze eenmaal tot alles bereid waren behalve de vrouw van den kapitein, die begrepen had, dat Peter zeegezichtjes van haar man wou koopen kwam het groote moment, dat mij altijd het aardigste leek van de heele vertooning. Voor die tijd kreeeg ik van het bezoek niet veel anders te zien dan het haar van boven en de manier waarop ze hun theekopje vasthielden; de gesprekken, die ik goed kon volgen, waren door de situatie boeiend genoeg, maar toch wel wat eentonig, zoo -op het oog meer een demonstratie van vrouwelijke domheid en karakterloosheid (opzettelijk? toevallig? zooveel is zeker, dat ik me voor mijn eigen gesprekken met Else Bohler veel minder begon te schamen ! ) dan een bijdrage tot de zuivering van mijn onderbewuste, al moet ik toegeven, dat zoo'n voyeurschap kalmeerend kan werken op sommige primitieve neigingen, minder de sexualiteit wellicht dan een kinderlijke nieuwsgierigheid en behoef to aan gezelligheid-zon,der-zelf -gezien-te-word-en. Maar op het moment van het afscheid werd het heele tafereel 90 graden omgedraaid en spannend ineens! Peter zei b.v.: „Ach, juffrouw die en die, de liefde zou mij misschien toch te week maken. Kijkt u eens naar boven," daarbij wees hij dan op de kubistische plafondengelen rondom mijn gaatje, en ik zag meteen de juffrouw en face, „dat mogen dan Been zelfportretten zijn, maar toch... En dan: ik wou d'r voor 't eten graag nog eentje bij schilderen... dus...," waarop de dame in kwestie het atelier verliet, overdonderd, of lacherig, of fijntjes be grijpend, of in opstand, maar dit laatste toch zelden, want Peter had een merkwaardig overwicht over vrouwen. Na of loop stommelde ik naar beneden om naar de nabetrachtingen te luisteren, waarbij met de grootste ernst, die overigens de humor niet buitensloot, steeds nieuwe gezichtspunten ontwikkeld werden al naar de bijzonderh ,eden van ieder geval. Vooral dat afgekapte slot van de visite was van een onmetelijke importantie, naar het scheen. Het be wees niet alleen Peter's zelfbedwang, maar was tevens een inviet voor mij, een beroep op mijn diepste mannelijke aandriften, een aansporing om voort te zetten wat hier niet voleindigd werd, en zoo meer. Ik kan niet zeggen, dat dit luistervinkenbestaan mijn gevoel van eigenwaarde erg ten goede kwam. Niettegenstaande de rust en beheersching die van Peter's milieu uitgingen, vooral nu Christien er niet meer was om mij er voortdurend aan te herinneren waarvoor „de vrouw" ons eigenlijk gegeven is, voelde ik mij al onbevredigder. Ik leefde uit de tweede hand, ik leefde als „patient" met een „leefregel", hoe burlesk die dan ook mnocht zijn, geleid door iemand die niet eens wist wat mij het meest vervulde in deze tij d. Een keer, een toespeling wagend, ik had toen net een tweede brief aan Frau Therese Bohler geschreven, vroeg ik Peter, of er niet eens een dienstmeisje kwam op een middag; toen hij door woord nosh gebaar reageerde, gaf ik hem als psycholoog meteen op; meende hij nu werkelijk, dat ik, onder de invloed van de Waalweg vandaan, Else Bohler voorgoed uit mijn hoof had gezet?! Opvallend ook, hoe weinig hij de invloed van Christien's afwezigheid op mij scheen te tellen, alleen omdat het niet in het systeem paste van de ,,behandeling" ! Maar ik moest hem tot zijn eer nageven, dat zijn ijver om mijn vitaliteit weer aan te wakkeren geen oogenblik verslapte, wat toch zeker vergeeflijk geweest zou zijn bij mijn geringe ambitie, en bij een systeem, waarvan ook hij op den duur toch de dwaasheid moest inzien. je begint tenminste al wat meer naar de vrouwen te kijken," zei hij opgewekt, toen we elkaar op een avond in een cafe ontmoetten, „het hoofd wentelt al veel verder mee, dat was duidelijk vast te stellen, toen ik je zooeven bij het binnenkomen bespionneerde." ,,En ik jou: wat was dat voor een formidabele hoer met wie je daar aan de overkant liep?" Van achter mijn tafeltje had ik Peter twee of drie maal aan de overkant van het plein heen en weer zien drentelen met een opzichtig gekleede, vrij omvangrijke dame, die haar heupen uitdagend achteruitstak en kleine trippelende pasjes nam onder een tegen de regenvlagen scheef uitgestoken parapluie. Verder was er niet veel van te zeggen, daar het paar telkens aan het oog onttrokken werd door voorbijgangers op het trottoir voor het cafe. Peter trok zijn mond in een geheimzinnige bocht. 1k wist, dat hij in de eerste plaats variati,e nasttreef de : het eigenlijke principe van d,e kuur. „Vertoon je rnij die ook?" „wel mogelijk." ,,Zoo maar op straat aangesproken?" Op het punt er aan toe te voegen, dat hoeren mij niet - alleen oninteressant voorkwamen, maar ook weinig doeltreffend, omdat hier de factor jaloezie of wedijver wegviel, hoorde ik hem zeggen: „Zij mij! Quasi de weg vragen." En, nog meer inbreuk makend op het vastgestelde programma van verrassingen : ,Een weduwe is 't, hier niet uit de stad. De hoe renallures zijn aangeleerd, maar niet onvermakelijk. Morgen treedt ze op." De volgende dag, 's middags om halfdrie al, Bing de bel en werd ik do-or Peter naar boven gejaagd. Hoewel ik gewoonlijk eerst een tijdje op mijn bed Bing liggen, volgens voorschrift, om de nieuwsgierigheid tot in het ondraaglijke te doen stij gen, volgde ik nu zijn voorbe ,eld en week op mijn beurt van het programma af door dadelijk neer te knielen bij het gaatje in de vloer. Voetstappen, stemmen, - het geluid van de deur, een zorgzame vraag van Peter, voetstappen vlak onder mij, een krakende schoen, die door het atelier kermde, ritselen.... Peter weer, een klokkend, verlegen, lang aangehouden lachje onderbrekend: ,,En Paula, heeft de beau jour niet geleden van de regen?" Was er door het gaatje een hand gekomen, die mij kalmpjes recht geduwd had, ik zou niet sneller zijn opgestaan dan ik nu deed. Ik deed een paar stappen en liet mij vallen. Ik wist nu waarvoor het goed is, als iemand in de huiskamer klaagt over een krakende schoen, en geen andere kan koopen.... Ten prooi aan een plotselinge versuffing lag ik op mijn bed, rustig, zonder veel emotie. Alleen bespeurde ik af en toe de neiging om mijn vingers in mijn ooren te stoppen; mijn handen, die gestrekt op mijn dijen lagen, maakten dan een stuipachtige beweging naar boven, maar het was eigenlijk onnoodig, want de stem had ik toch al herkend, na de schoen, en de voornaam ook, en het glimmende haar, en de bontmantel, en de manier van l-oopen van de vorige dag. Ik moest me er nu maar in schikken, iemand zoo lang verdacht te hebben, dat het er nu eindelijk van kwam. „Haar het is niet aardig, dat ik haar een f ormidabel,e hoer genoemd heb," dacht ik bij me zelf, ,,en van Peter had ik jets beters verwacht dan dadelijk een toespeling op dat rouge, waarvoor Eg minder boter op zijn brood krijgt." Neen, dat was zeker niet aardig van Peter, ik zou het hem zeggen, zoodra dat daar beneden weer vertrokken was. Als hij nu maar niet zijn programma nog meer in de steek liet en het slot van de visite ineens ging varieeren voor eigen behoef. Na zooveel middagen zelfverloochening zou hij natuurlijk best Bens zin in een vrouw kunnen krijgen. Het leek me plotseling zoo vernederend daar maar te moeten liggen, terwijl hij beneden rechtop zat en sprak. Zijn stem was luider dan de andere, gichelende. Een doceerende, pedante, aanmatigende stem, tegelijk te fluweelig en te zelfverzekerd, dat hoord nu pas goed. Ik begreep niet, hoe ik het zoo lang bij e die stem uitgehoud-en had. Maar misschien kwam de verhef f ing spoedig. Tien minuten lang lag ik daar doodrustig, hoogstens wat bezweet, te wachten op de stemverheffing die zich tot de vierkante plafondengelen richten zou, waarachter mijn oog verondersteld werd to gluren, als dat van God die alles ziet.. „Onnoemlijk veel werk... uw adres... herinnering..." Eindelijk... Of was het een attrape? Diende het om hun eigenlijke bedoelingen te verbergen? Peter zou mij nu een lesje willen geven met de vrouw van 43... Erg gelijk had hij toch, Peter... Nat bezweet was mijn voorhoofd na de injectie, maar niemand kon zeggen, dat ik hier in mijn eeentje had liggen huilen... De slag van de buitendeur. Ik gleed van mijn bed en liep langzaam de gang ^op. Terwijl ik Peter al weer beneden op het atelier hoorde, had ik nog een kleine uiteenzetting bij het afdalen van de trap. Er hingen daar, schuin boven elkaar, drie of vier scchilderijtjes, van Peter zelf, h-oof dzakelijk schetsen, of althans sterk experimenteel van karakter; een er van stelde een zwaar, kwabbig vrouwenlichaam voor, sierlijk japaniseerend in even lijn neergezet, waarvan zich, ter hoogte van de buik, een parmantig jongetje in matrozencostuum losmaakte, uitvoeriger geteekend dan de vrouw, als het ware uit haar buik wegloopend, waarmee de strik van de matrozenmuts hem nog verbond als een verkort navelstrengetje. De stijl was wat Foujitaachtig, had Peter altijd beweerd, en hoe het precies heeten moest weet ik niet meer, maar ik haalde het van de muur, liep weer een paar treden naar boven, en meteen zat het om de bovenste knop van de trapleuning. Op iedere trede knarsten glasscherven onder mijn voet. Hij stond in de -deur van het atelier verbaasd naar boven to kijken. Toen ik sprak leek mijn tong een lauwe lap. Ja, daar vie! wat..." Hij glimlachte. Hij ging mij voor, het atelier in. Als een schooljongen, die in de directeurskamer moet komen, liep ik hem achterna. Ik had hem beter kunnen zeggen, dat ik die Foujita kapotgeslagen had dan had hij misschien alles begrepen... ,,'t Was minder amusant dan ik gedacht had," sprak Peter in zijn clubfauteuil, ,das gefahrliche Alter, veel temperament, weinig ervaring, en gloedvoIle blikken, z,00iets als dat daar, —" hij wees op een schaaltj ,e met rood en groen glimmend ingepakte bonbons: twintig begeerige oogjes, je hebt zeker wel gehoord, dat ze dat voor me mee... 17 ,,Van mijn vader's geld dan," zei ik bedaard. ,,He? !" Zwijgen. Een windvlaag wierp regendruppels tegen de hooge ramen. Met een geluid alsof er discreet gekucht werd vielen er in de haard wat sintels naar beneden, gedempt schrapend. „Begrijp je 't nog niet?" vroeg ik, toen hij maar met neergeslagen oogen zitten bleef, zonder een woord te spreken. ,,N Been toch... ?" ,,He! !" moet Peter toen nog geschreeuwd hebben; toen was alles even weg, en toen stond hij weer voor me, met een glas water in zijn hand, dat ik wegduwde. De bonbons waren verdwenen. Peter putte zich uit in een soort excuses, die belachelijk klonken. ,,Beste kerel, maar dat... Een weduwe, wie denkt dan aan zoo iets? Ik had eens een oudere... dame willen... Je begrijpt..." „Indertijd heb je gezegd, dat ik mijn moeder's oogen moest hebben," stotterde ik, mij zooveel mogelijk inspannend om een luchtige toon te vinden, „je bent eenvoudig een stommeling. Je hebt ook gezegd, dat mijn moeder een gewone, geschikte vrouw was en dat alles aan mij lag. Dat noem j.e van de wal in de sloot helpen, bij God... MZaar het duet er allemaal niet toe. Ik ga weg." Op de leuning van de clubfauteuil zat hij naar buiten te kijken, bleek en nadenkend. „Ik ga weg," herhaalde ik dof, ,ik heb nog f 600." ,,Waar wou je heen?" ,,Naar... Nou ja." „Als we die... experimenten staken, kun je toch beter hier blijven. We moeten 't uitpraten. Misschien kom je er nu meteen doorheen !" riep hij met iets hoopvols in zijn stem, „door weg te loopen gooi je de verantwoordelijkheid en de schuld op mij; dit is een spel tusschen ons beiden geweest, gooi j** nu de kaarten veer, dan staat dat gelijk met een kinderachtige wraakneming..." „Misschien. Maar je hebt me niet heelemaal begrepen, Peter. 'Ten ik zei, dat ik weg ging, bedoelde ik niet alleen hier vandaan. Ik bedoelde: uit deze stad vandaan, en uit het land. Ik heb nog 1 600.” je wilt toch niet naar Duitschland?" vroeg hij snel, „naar dat Duitsche dienstmeisje?" Het bleek, dat hij mij beter doorzag dan ik wel gemeend had. „Ik ga naar een land," gaf ik ten antwoord, t;erwijl ik opstond, ,waar m'n moeder me niet weer te pakken kan krijgen. Dat is primo. Verder..." je komt van je moeder toch niet los, op die manier, al vlucht je naar het andere eind van de wereld! Dat dienstmeisje..." ,,Verder: naar een land waar geen Duitsche dienstmeisjes door zoogenaamde mevrouwen als slaven gehouden worden, al was 't maar omdat iedereen er slaaf is. Tertio: naar een land waar ze van oudsher te stom zijn om voor de duivel te dansen, maar waar nu tenminste de psychanalyse verboden is! Ik heb genoeg van je intelligentie, Peter, je cerebrale goocheltoeren met vrouwen, je ausgekligelt..." je gaat naar de bliksem op die manier!" Ik reikte hem de hand. Hij was doodsbleek; rusteloos dwaalden zijn oogen door het atelier als om te speuren naar een laatste redmiddel. Zijn nederlaag was dan ook niet gering, of had hij zooveel genegenheid voor mu? ,,Des te beter." Om vier uur wachtte ik Eg op, die mijn pas moest halen. Het ding was nog een jaar geldig. Reismarken had ik al gekocht. Bagage die ik niet noodig had gaf ik hem mee, en met een kof fer, waarin het allernoodigste, liet ik mij naar het station rijden, waar ik een kaartje nam naar Keulen. 22 April'). Tegen mijn moeder, toen ze mij eindelijk kwam vertellen, dat Else's spoor gevonden is (tokh in Keulen, bij haar moeder) , heb ik gezegd: „U had haa.r bij ons thuis moeten ontvangen, uit eigen beweging; dan was dit alles niet gebeurd. Een meisje waar ik mee omging had u moeten ontvangen !" Natuurlijk stemt ze -nu met alles in, gemarteld door -een religieus getinte wroeging die ze zelf niet begrijpt. Over Peter heb ik niet met haar gesproken; ze weet dus niet, dat ik getuige gewees't ben van haar ,schande", en wat de eigenlijke oorzaak is van mijn ondergang. Maar wat is een oorzaak? Waarom verkiest men een oorzaak boven twintig andere? Merkwaardig bijvoorbeeld, dat ik telkens bijzonderheden over mevrouw Steketee wil hooren, met wie mijn moeder nu weer verzoend is. Hadden zij zich nooit met elkaar gebrouilleerd, dan was mijn moeder niet overdreven ,mondain" gaan doen, was niet op het ,,slechte pad" geraakt op die onhandige blufmanier, pijnlijke copy van lichtzinnige Fransche romannetjes, en ik zat nog in Holland! Eigenlijk is m-evrouw Steketee dus de oorzaak van wat er over zes dagen gebeuren zal, maar ik neem het haar niet kwalijk, evenmin als ik het mijn vader kwalijk neem, dat hij impotent is geworden, of Eg dat hij mijn verblijf bij Peter niet aan mijn moeder verklapte, of den bouwheer van de Waalweg dat hij van het plat van Erkelens een prae-historisch bastion heeft gemaakt en van het dienstmeisje van Erkelens Andromeda op de rots! Ik 1) Teneinde een censuur to ontloopen, die niet toegepast is -- het M. S. werd regelrecht aan het adres van Peter van Herwaarden verzonden, volgens de bijgevoegde aanwijzingen, -- heeft de schrijver zich in het slotgedeelte overgegeven aan een overmaat van omschrijvingen en afkortingen, die bier zooveel mogelijk verduidelijkt en aangevuld zijn. -- (Uitgever.) heb :een paraphrase geleefd van de Perseuslegende, ik heb gestreden met monsters en Gorgonen; een vergelijkend literair-historicus mag dit alles uitpluizen, en hij zal niet verder komen dan de bebrilde Pfarrer, die een paar dagen geleden naar Else's bidprentje staarde met de gebiologeerde blik van een vogel, in wiens nest een andere vogel een ei heeft gelegd. In ieder geval zal ik Else dus nog zien. Zoolang ik schrijven kan, reken ik er niet op. Ik heb-,ontzaglijk veel geschreven, en de belooning is de dood... Neen, de belooning is, dat ik tien dagen lang aan de dood gedacht heb uitsluitend wanneer ik neerschreef hoe bang mijn vader er voor was!! Geen van al die gevangenen met hun strakke of hoonend serviele wrokgezichten, politieke moordenaars meerendeels, waar ik 's 'morgens tusschen loop op de binnenplaats, duet me dit na. Ze moeten trouwens erwten doppen, naar ik mij voorstel, en hebben geen papier en inkt zooals ik. Een ironie van -het noodlot is het zeker, dat mijn vader mij indirect deze gunstbewijzen heeft verschaft zonder vroeger in staat geweest te zijn mij aan een baantje te helpen (nog een oorzaak !) . Of heb ik dit aan mijn advocaat te danken? Sinds ik weet, dat Else komen zal, sluipt hij minder om mij been dan eerst, alsof hij het wel voelt, dat ik hem niet eens meer noodig zal hebben voor een simpele inlichting. Uit nieuwe -gesprekken met ,,Herrn Rechtsanwalt" („Herr Kollege” weiger ik pertinent te zeggen) is mij gebleken, dat het woord , Schutzkaf f ee" mij in vakkringen een zekere beroemdheid heeft verschaft; zelf s vergeleek men mij reeds met Van der Lubbe en beschouwde mijn zwijgzaamheid als een eigenschap van alle Hollanders in staat van beschuldiging. Bovendien is mijn advocaat indert"d gepromoveerd op peen psychologisch-crimi nologisch onderwerp: allerlei vroegere gevallen, waarin een slecht begrepen of verkeerd verstaan woord de aanleiding was tot gewelddadig optreden, moeten dienst doen om mij aan het praten te krijgen. Jch habe Ihnen alles gesagt was ich weiss," antwoord ik dan, terwijl ik in mijn papieren blijf bladeren, waar hij telkens begeerig naar tuurt, „die Wissenschaft hat hier nichts zu suchen." Misschien heeft hij een jongeren collega of een zoon, die „op" mij promoveeren moet! Tijdens de rechtszitting heeft men herhaaldelijk de mogelijkheid geopperd, dat er iets politieks achter zat, achter dat woord, maar er was niets te beginners met een constructie die uitsluitend bestemd scheen om de zaak noodeloos ingewikkelder te maken. Ik wil hier volledigheidshalve aan toevoegen, dat deze hypothese niet uitgesproken werd door mijn Beier, een zwaren, gemoedelijken Alpinist met stoppelkin en droevige oogopslag, die zijn bef droeg als een kinderslabbetje, maar door lets verweerds Saksischporcelein- achtigs naast hem met krakende barstjes er in van de scherpzinnigheid. Door mijn oogen te sluiten kan ik ze weer zien zitten: de president een glimmende Mongool uit Oost-Pruisen, die nu en dan overkookte en met woorden van wollig bierschuim als Dschengis Khan de toga's geeselde, de jongste assessor een Franschman uit Hessen of een Jood uit Mecklenburg-Strelitz. En dan, als ik mijn oogen wat langer dicht houd, dan komen alle an dere gezichten... Honderden bewaar ik er van! Nauwelijks was ik in die Novembernacht in de trein gevisiteerd, of ik wist alleen nog op de gezichten te zullen letten, niet meer op mijn omgeving. Met de grondelooze angst van in een vreemd en vijandig land te reizen vermengde zich de romantiek van mijn jeugd, de gelmponeerdheid van iedereen die aan een universiteit uit Duitsche handboeken gestudeerd heeft, de cliche-voorstellingen van de vroegere vreedzame wereld van Rijnvaart, fonkelende Wagneropera's, keizersnorren, Neo-Kantiaansche wijsbegeerte (Baden en Marburg!) en aansichten van op huwelijksr-eizen. Als student was ik een paar keer in Duitschland geweest, maar nooit had ik over dit yolk nagedacht als nu. Het is het merkwaardigste yolk ter wereld, omdat het een yolk is dat niet bestaat. Uit alle legers en huurlegers, uit de vertegenwoordigers van alle rassen samengesteld, tracht het de smartelijke homogeniteit te acteeren van een huisgezi-n waarvan geen enkel lid op het andere lijkt. Vandaar die petten, die klap- en hakgewoonten, die rinkelende instrumentatie van labels, bierpullen en ridderorden, waarmee dit ingewikkeld so.ldatenvolk zijn rasmystiek verdedigt. Het onzuiverste ras, dat Europa bevolkt, een ras waarbij alle maten een centimeter te kort of te Lang zijn, war men feerieke schoonheid aantreft op romp ien beenen van een kobold, ontdekt, dat de mensch een al te gecompliceerd en geraffineerd wezen is geworden en slaat terug naar de mieren: bruine, oorlogszuchtige boschmieren, die hun omgebogen sprieten boven zich uitdragen in de vorm van hakenkruisen, op be vel van een kriebelig instinct boschpaden omzoomend of afzettend. In dit entomologisch gewirwar dooemen de doodskopgezichten op van voormannen: gedecerebreerd, los in de gewrichten, gel,eedpootige doodgravers van Europa, dat allang schreeuwde om dit gesleep met houtjes en afval. Ordelijk wordt alles doorgegeven. Maar soms, te midden van de benauwende gelijkvormigheid dezer hygienische chitinepantsers, overstelpt door 8000 mierentotems, de zes armen van den kleinen mari,onet Goebbels en de dubbel zinnige achterlijfssegmenten van Roehm, ontwaart men nog menschengezichten, raadselachtige, vurige, onuitbluschbare, of gezichten die vijf andere gezichten in zich omvatten, die nog niet ontzield zijn tot een model. Else Bohler's gezicht was er een van, maar op weg naar haar toe, mocht ik ook de andere niet verwaarloozen. Het hinderlijkste van de heenreis was dat ik voortdurend mijn arm op wou steken. Ik sliep bijvoorbeeld even in, droomde snel en vaag, en schrok wakker met het besef, dat ik me nu in het land beyond waar ide psychanalyse was verboden, maar dat ik nu toch zelf gedroomd had, en dat kon alleen goedgemaakt worden als ik 'mijn arm opstak voor het landschap dat in de nacht voorbijvloog. Ook als ik dan klaarwakker werd, verliet die angst me niet. Van de toilet maakte ik gebruik met mijn hoofd over mijn schouder om mij te vergewissen dat ik niet bespied werd, alleen omdat op de muur voor mij een klein hakenkruis geteekend was, blijkbaar door een kinderhand. Maar tenslotte brachten de kinderen ook de verlossing van deze obsessie. Terwijl het Duitsche landschap met beginnende heuvels voorbij mijn slaperige oogen gleed, verscheen mij het portret van een Indisch-en yogi, dat ik vroeger eens in een tijdschrift gezien had, een ontvleesden boeteling, die zoo lang zijn arm omhoog had gedragen, dat dat lichaamsdeel gemummificeerd was en niet meer naar beneden kon. Ik dacht daaraa.n als aan een benijdenswaardige toestand. Maar dan, belaagd door de somberste voorgevoelens over het verdere verloop van mijn rein, begon ik op de kinderen te letten, die met hun schooltasschen op hun rug achter slagboomen de trein en op dorpswegen elkaar en ouderen groetten, waarbij hun arm niet hooger kwam dan hun schouder: een vluchtig gebaartje, slordig en alledaagsch, als van een jonge eend, die een vleugel uitslaat om wat glinsterende waterdruppels of te schudden. Het leek niet op een spelletje maar ook niet op de barre ernst waar ik onder leed. Neen, in dit land moest nog wel te leven zijn, zelfs voor een ontworteld-e als ik. En dan herinnerde ik mij, hoe Else Bohler, ook een half kind nog, mij vroeger eens gegro ,et had vanaf het plat van Erkelens, een van de eerste dagen, aok met Naar arm in de hoogte. Die arm was eenvoudig de lucht ingevl,ogen, bruusk en booersch, bleef even rechtop staan en zonk weer terug: een instinctief kameraadschappelijk gebaar, dat misschien mijn mooliste l-evensherinnering uitmaakt. Geen oogenblik was het toen in me opgekomen, dat dat de voorgeschreven Duitsche groet kon zijn, en ook nu geloof die ik het nog niet... Getroost door dergelijke voorstellingen, kwam ik in Keulen aan. Vastomlijnde plannen had ik niet; maar natuurlijk zou ik Else Bohler opzoeken, met haar moeder kennis maken, misschien zouden ze wat foto's van me kunnen nemen als aandenken, en als mijn geld op was, moest ik wel weer terug om opnieuw een baantje te gaan zoeken, in een andere stad, buiten bereik van mijn moeder en Peter. Met een prikkelende nieuwsgierigheid zag ik de ontmoeting met Else tegemoet, maar ik was er op voorbereid, dat ze mij tegenvall,en zou, dat ze bijvoorbeeld in het geheel niet verrast zou zijn (ook niet onaangenaam verrast) mij terug te zien, en dat ik geen weg zou weten in al die vreemde verhoudingen waar zij in thuis was. Dat waren de raadsels die ik nooit opgelost had en, wonderlijk genoeg, nooit ernstig had trachten op te lossen. Else Bohler ging schuil achter haar zangopleiding, haar milieu, haar familie. Op de heenweg bekeek ik met een zekere schuwheid iedere fotozaak, waar de tram langs reed. Aan de menschen was niets bijzonders te -merken. Er werden min der handen opgestoken dan in Holland hoeden worden afgenomen. De Joden waren gijnig brutaal of onverschillig berustenid, met hun blauwe baardgroei zonder eenige mimicry. Naar de antisemietische opschriften, die vaak ge heele straten overspanden, keken ze verstrooid op als naar een zonsverduistering. Voor S.A.-mannen, officieren, studenten maakte ik mij ongevoelig door al weer naar nieuwe f otozaken uit te zien, die ontzagwekkender leken dan zij en tegelijk meer vertrouwd. Hoe iou ik Else's moeder onder de oogen durven komen, wat zou ik moeten zeggen? Nadat ik uitgestapt was had ik n,o,g een kwartier te loopen; straten begonnen te hellen in de richting van getuf, getoet en stoomgeur ; rechts groeide op de maat van mijn voetstappen de dom de lucht in, boven het traliesegment van een spoorbrug, waarachter hij verborgen had gelegen als een kostbaar voorwerp achter een betralied juweliersraam. Na de huisnurmmers van boven naar beneden afgeteld te hebben kwam ik inderdaad te staan voor een verzameling eerste communicanten, trouwparen, familietafereelen met jonge, bleeke, stramme kapelaans, Bonner studenten met -degens en linten, een enkele praetoriaan in uniform, en vooral veel kleine jongetjes, in verschillende costuums: als S.A.-man, matroos, conducteur, vliegergeneraal, allemaal met opvallend mooie donkere gezichtjes. Ik zocht naar meisjes met vlechten die op Else Bohler zouden lijken; even kwam ik op de gedachte, dat haar eigen portret bier in de kast zou kunnen staan, maar misschien zou ik haar niet eens herkennen, met haar veranderlijk uiterlijk. Ik moest enkele malen slikken voordat ik naar binne,n durfde. Een kortgedrongen vrouw met artistiek verwrongen haarpieken boven een bleek, mager gezicht, dat in niets op het portret van Frau Bohler leek, kwam mij tegemoet. „Gut'nmorgen. Sie wunsc en ' Vanuit een omraming van al weer andere fotografieen staarden mij twee ontevreden krentoogjes aan met die be paalde koele verstrooidheid, die de eigenares kenmerkt. Ik had vergeten buiten op de naam te letten. Ik had ook vergeten mijn arm op te steken, maar dat scheen hier niet noodig te zijn. ,,Frau Bohler? ... Ach, Sie meinen...” ja, wohnt sie hier nicht mehr?" ,,Nein... das heiss.t... Nein, sie wohnt nicht hier," , zei ze kortaf en bukte zich achter de toonbank alsof ze reeds te veel gezegd had. Haar toon leek me vij andig opeens. ,,Ist sie denn nicht die Besitzerin?" ,,Besitzerin? Hier gibt's keine Besitzerin. Aber wer rind Sie denn?" Ik gaf ten antwoord, dat ik uit Holland kwam, maar liet verder niets los, stelde me ook niet voor. Ze zei, dat ze dat wel aan mijn spraak gehoord had. Als ik voor zaken kwam, kon ik me tot haar richten. ,,Sind Sie denn die Besitzerin?" ,,Mein Gott, da fangt er wieder an... Besitzerin... Besitzerin... Sie konnen doch l esen ? !" Ongeduldig wees ze naar het raam, waarop ik met eenige moeite de naam „Rudolf Steinmann" in spiegelschrift ontcijferde. Onaangenaam verrast, vro,eg ik haar, of ze mij het adres van Frau Bohler kon opgeven, en, op haar ontkennend antwoord, of Rudolf Steinmann dan te spreken was. Ze haalde haar schouders op en dook weer onder de toonbank. Mijn oog viel op een paar gedrukte kaarten waarop in gothische karakters de fotozaak van Rudolf Steinmann aangeprezen werd; speciaal werd mijn 225 Else Bohler, Duitsch Dienstmeisje 15 aandacht getrokken door de zinsnede „Kinder besondere Preislagen". ,,Wohnt Herr Steinmann hier denn nicht?" Jch wohne hier!" Te vermoeid om diplomatiek te blijven zei ik: ,Sie kon nen mir am Buckel herunterrutschen, Fraulein, " de eenige toepasselijke uitdrukking die mij te binnen schoot ,auf baldiges Wiederschauen!" Op weg naar -de deur hoord,e ik haar sissen: „So eine Frechh:eit! Der Kasekopf !" ,,Heil Hitler!" riep ik terug, toen ik de deur al geopend had; alle giftige spot van mijn broer Eg trachtte ik in deze groet te leggen; ik ving nog iets op van ,Auslander die den Hitlergetreuen spi-elen," maar liep toen al een huis verder. Wat het mensch bezielde om me het adres van Frau Bohler en nadere gegevens over Rudolf Steinmann te onthouden was me niet recht duidelijk. Mogelijk waren mijn laatste brieven aan Else en haar moeder onderschept en had Steinmann, die de winkel overgenomen kon hebben van Frau Bohler, aan deze winkeljuffrouw of zetb^azin wenken gegeven betreffende het eventueel bezoek van jonge Hollanders. Ik herinnerde mij, dat de man rijk moest zijn. Als eigenaar van een vrij bescheiden uitziende fotozaak woonde hij dus waarschijnlijk ergens anders. Schuin tegenover de winkel beyond zich een tabaksmagazijn, waar ik wat sigaren kocht om op mijn gemak het huis te kunnen opnemen waar Else Bohler zoo lang had gewoond. Het was hoog en smal en helde iets voorover; de gele verf, zelfs de steen was op verschillende plaatsen afgebrokkeld. Voor alle ramen waren donkergroene gordijnen neergelaten alsof men van het heele huis een groote donkere-kamer had willen maken. Na betaald te hebben vroeg ik den sigarenhandelaar, een stokoud, militair uitziend mannetje met een bebrilde haviksneus, die door middel van enorme porien de luchttoevoer door de van dichte haartjes voorzien,e ncusgaten aan te vullen scheen, of hij me het adres van Herrn Rudolf Steinmann van de overkant kon opgeven. ,,Adressè ? Aber bitte," met een zwaai haalde hij een dik boek van een plank, ,suchen Sie selbst, bitte! Ich leide an einer Gesichtssto rung wegen ubermassigenTabakgenuss. Das ist schrecklich." Hij keek even om zich heen, monsterde me aandachtig van boven naar beneden, knipoogde listig en bevredigd, alsof hij een weinig voor de hand liggende gevolgtrekking had gemaakt, en fluisterde: „Ich kann zum Beispiel kein braun sehen, alles wegen der Zigarren. Sie verstehen? Rot, weiss and Blau dagegen kann ich sehr gut sehen, and hollandische Spitzel gibt's nicht... Aber in diesem Buche finden Sie alle Steinmanner von Köln." Een humorist dus, 'en vijandig aan het tegenwoordige regime! De man leek me te seniel om zelf een ,Spitzel" te kunnen zij n. Met mij n repliek wachtte ik tot ik twee Rudolfe Steinmann gevonden had, een militaire Pferdearzt a. D., en een zonder nadere qualificatie. Terwijl ik beide adressen opschreef, fluisterde hij weer, meeglurend in het adresboek: ,Sie konnen sich, falls Sie ein harmloser Tourist sind, besser an den Pferdearzt wenden als an den zwei, ten Rudolf da; es gibt immerhin auch braune Pferde, aber..." ,,Ist der andre der steinreiche Steinmann?" liet ik mijn mopje los, geamuseerd door 's mans toespelingen, ,und was mac ht er, was ist er?" ,,Gehen Sie bitte dock bald wieder fiber die Grenze, Herr," zei hij nu vertrouwelijk, met een gerimpelde hand op d-e mijne, „Sie sind zu alt um sich dort photographieren zu lassen and zu jung um imm Gefangnis zu enden. Hollander sind verhasst hier... Ich habe meine Geschaftsfr^eunde dort... Wunderbares Land, aber dumme Leute. Rauchlen Sie diese Zigarren in Frieden und..." Jst dieser zweite Steinmann," onderbrak ik hem met mijn vinger in het boek, „der Besitzer des Geschafts visavis? " „Sie... Herrgott ! !" met een blik naar buiten trok hij het adresboek onder mijn hand vandaan, waarna hij het bliksemsnel onder de toonbank liet verdwijnen, ,,ich sehe nichts... ich meine: ich habe nichts gesagt, verstehen Sie? Ich war wahrend des Krieges bei der Etappe, ich bin immer fur den Kaiser ge... Gottlob, er geht weiter." Voor de winkel had eenige oogenblikken een blozende jonge man stilgestaan in een bruin uniform met leeren riem en hakenkruis. Hij monsterd-e de kistjes sigaren en de lange pijpen met herten op de porceleinen koppen, schijnbaar zonder ons to zien, keek toen, achteloos fluitendd, een paar maal in beide richtingen van de straat en liep met dreunende stappen naar de fotowinkel aan de overkant. ,,Gehen Sie jetzt bitte fort," prevelde het 'mannetje, nog star van schrik, „der kommt wegen der neuen Lieferungen... Aber ich bin beinahe blind, Gott sei dank... Wenn die Staatspolizei mich bbefragt, prugelt Herr Braun mich durch, wenn Herr Braun mir sags ,Maul halten', schliesst die Polizei mein Geschaft... Nachstens werde ich auch taubstumm." ,,Hat dort gegenuber eine Frau Bohler gewohnt mit Ihrer Tochter, ein Madchen von ungefahr..." ,,Ein Madchen ? !" kraaide hij plotseling opgetogen, waar bij hij echter niet verzuimde met puntige gebaartjes en dringende knipoogjes de richting naar de deur aan te geven, „der wird noch ulkig auch, der Hollander! Aber ich bin blind, es ist moglich, ein Madchen... Aber nein, der Witz ist ja ko,lossal ! Den werde ich mir merken! Ein Madchen ! !" Ineens liet hij zijn stem weer dalen tot een gefluister vol verstandhoudin-g : ,Merken Sie sich das, Herr: keine Spur von M adchen ; nur 'kleine Knaben, sieben Jahr, acht, oder neun, ganz kleine Knaben..." „Also -hat keine Frau Bohler... ?" ,,Winzig kleine Knaben," f luisterde hij me met een koortsachtig plezier achterna, toen ik al op de drempel stond. Van een verder oniderhoud met dozen kindschen veteraan zag ik af. Mogelijk een geterroriseerde Jood toch, al leek hij meer op een gepensionneerd houtvester. Er waren nog een paar andere winkels in de buurt, maar ik wilde nu eerst naar Steinmann. Zeulend met mijn koffer klom ik de hellende straat weer op. Een groot, hoog huis tegenover een plantsoen gelegen, tusschen twee kleinere gebbouwen van bankinstellingen. Groote blokken blauwe steen, geribd, gekruld van oppervlak, als het haar van gladgekamde jonge poedels. I J zeren hek met vergulde spitsen, souterrain donker en afgesloten. Alles ademde de protserigh:eid van de ,wilheltninische" bouwtrant. Ik liep -om de luxe auto heen, die vooir het huis stond, en beklom de stoep. Statig galmde de bel, zooals men dat verwachten mocht van deze woning. Het was bijna grotesk om Else Böhler in verband te brengen met dit rijke, bruin blinkende hout van de deur, dat koperen naambordje met „Rudolf Steinmann" er in gegrift, in go thische letters al weer. Op mijn naamkaartje, dat ik den huisknecht, een ratachtigen gamin in een rote gestreept jasje, met kaplaarzen aan, overhandigde, had ik geschreven : „Doctor juris Johan Roodenhuis wunscht Herrn Rudolf Steinmann zu sprechen." Een kwartier lang kon ik op het effect wachten van deze uitdaging. Van de vestibule herinner ik mij marmer en eikenhout, bontjassen, een rijzweep, portretten van nazi-leiders, die te hoog en te donken hingen om te herkennen. Mijn kof f er had ik in een hotel achtergelaten, ik was vrij goed gekleed. Ik nam mij voor mij tegenover Herrn Steinmann te gedragen als tegenover den knecht van een Duitsch dienstmeisje. De man moest een Schieber zijn, een avonturier, of erger; het gezicht van zijn huisknecht, dat nu achter het glas van de tochtdeur verscheen, hoorde eerder in een internationale oplichtersbende thuis dan achter de messenbak zelfs van dit huis. ,,Der Herr lasst bitten." En even later, na me over een breede wenteltrap en een stuk gang voorgegaan te zijn: ,,Bitte sahr." Onder dergelijke omstandigheden merkt men van een kamer hoof dzakelijk op waar men het eerst tegenaan botst met de blik; de rest vernevelt tot iets dat het oog niet wenscht te kennen. Terwijl ik langzaam binnentrad, werd, te midden van een krans van andere onduidelijker indrukken : de schim van Steinmann (notie: jange man, lets voorovergebogen; ik kan hem aan"), vrouwenportretten, lauwerkransen (notie: ,impressario ?" ), telefoon, kaartsysteem, telegrammen, nergens een hakenkruis of iets dergelijks (notie: „men is reeds ingetogen geworden en beschouwt al te druk manifesteeren als bewijs van twijfel achtige gezindheid") :en zware, opiumachtige sigarettengeur, het groote, hondsche gezicht met de zwarte kersenoogen van den chef der S.A., Ernst Roehm, zoo exclusief levend voor me, dat het wel leek, alsof ik me bij hem had laten aandienen, hem rekenschap kwam geven van mijn verblijf hier in dit land. Omtrent het particulierle leven van dezen vierkanten soldaat, die met de persoon van H. H. Ewers bepaalde punten van het naziprogram zoo onweerlegbaar compromitteert, wist ik wat iedereen weet, en ineens herinnerde ik °me nu de tallooze kinderportretten in Steinmann's winkel en de toespelingen van den sigarenhandelaar met de porienneus. Zwaar en onverzettelijk, wat te blank en poezelig van huid, bleef het portret van Roehm aan de fmuur ,mij fixeeren met jets van een vrij postig leedvermaak, en toch ook alsof ik hem op zijn inti:emste gedachten had betrapt. Onder het portret scheen een eigenhandige -opdracht geschreven te zijn, in een stijf handschrift. „Bitte?" klonk het al weer. Het woord begon mij te irriteeren. De schim Steinmann boog, een schaduwarm wees naar een sto,el, maar, de list vermoedend van alle rechters en psychiaters, liep ik, na de handdruk, om hem heen en posteerde me in de vensterbank. De handpalm was week geweest en vochtig op de naden. Mijn gedachten waren nog bij mijn sigarenhandelaar. „Ich kann nicht ins Licht blicken, wegen Augenschwache. Ich babe viel geraucht in der letzten Zeit and angeestrengt stu iert. ' ,,Bedaure," zei d-e stem zoo achteloos, traag en geaffecteerd, alsof het woord ,bedouwer" uitgesproken werd; de sigarettendoos lag weer op de schrijftafel, waarvan de groote koperen ringen me in de oogen staken. ,Ungeachtet Ihres schweren Augenleidens sind Sie aus Holland hierher gekom:men mich zu besuchen?" ,,Nicht gerade..." ,,Ach so." Het eerste wat aan Rudolf Steinmann opviel waren de grijze leeuwenmanen, die over een hoog, gerimpeld voorhoofd vielen, iets te springerig, iets te weelderig, en die zich dan ook als pruik onthulden zoodra hij zijn hoof d omdraaide. Men zag dan zijn eigen uitgeschoren nekhaar, dat een nuance donkerder was. De pruik maakte hem zeker tien jaar ouder dan de vijftiger die hij zijn moest, vaderlijker, en tegelijk artistieker. De heele man, smal vain poostuur, dun van ledemate^n, beweeglijk krimpend en uitwijkend, had iets verflensd slangachtigs: een slang die vervelt en overal waar hij rondkruipt de doorzichtig dunne perkamenten blaadjes van de oude huid zal achterlaten, Welke indruk nog ondersteund weed door de stof van zijn costuum: geelgrijs met lange spitse ruiten, en door het schildpadgarnituur van zijn bril. Zijn oogen waren klein, dof blauw, en met een goedhartig staren er in, dat zoowel het opgewipte, geestige neusje logenstrafte als de breede, slappe, wreede mond, waarvan de haarlooze bovenlip omgestulpt was en op beduimelde stopverf leek. Door die mond was het eigenlijk een man em een baard te dragen, nu hield zijn uiterlijk het midden tusschen een pastoor en een uit de kracht gegroeiden Paderewski. ,,Entschuldigen Sie, Bass ich Ihre Zeit in Anspruch nehme," begon ik het Joel van mijn bez-oek te ontvouwen, ,,aber da Sie offenbar Frau Therese Bohlers Gescha ft gekauft habeas, .muss ich mich wohl an Sie wenden um Auskunft fiber ihrer Tochter Else..." Jochiter Else ?" herhaalde hij stem verbaasd, maar lets te vlug, naar het mij voorkwam, terwijl hij twee vingers vooruitstak als om me een snuifje te presenteeren, ,,aber lieber Herr, jetzt -muten Sie mir zu viel... Einen Augenblick." De telefoon had hem onderbroken. Met een minzame buiging voor de schrijftafel tastte hij vooro-ver naar de hoorn; zijn gezicht zat ineens vol lachrimpeltjes. „J a, Steinmann. Wegen der Marker Nummer? Ach... bist du's. Na, ist zu verzeihen, dass meine Gedanken... wie? Dass meine Gedanken gerade jetzt mit der Nummer beschaf tigt sind, verstehste was ich meine? Etwas weniger laut..." even had ik een vrouwenstem meenen op te vangen „ach, merkwurdig, schon da gewesen? Merkwurdig ! Du bast nichts... ? Na ja, ist ganz harmlos. Blutjung. Na, danke fur die Warnung. Auch da gewesen? Nein, aber... ! ! Hat rich ja ganz energisch betatigt, wie?... Und bringt jetzt dasselbe vor... na, das werde ich mat spacer erzahlen. Wie? Fall von Plagiat... Wir plagen uns mit Plagiat..." (deze woorden gong hij met een beverige falset, waarbij zijn breed uitgetrokken mond hem jeugdig en liederlijk maakte) „du weisst, aus der Antitinterevue... noch etwas? Vor einer Stunde geholt? Gut. Was? Wie? Zerbrochen ? ! Verdammt noch mal ! !..." (met zijn vuist op tafel slaand) „der kleine Heini zerbrochen?! Und heute Mittag kommt er ja, aus Munchen! D as... Wie?... ja gewiss, vier andere noch, aber Heini war der feinste... wie, katholisch? Bin ich auch... Arme Leute, macht ja nichts. Na, wir sagen, der funf to war so schon, dass. die Platte in die Knie gebrochen ist, hei, was? Gut... Gut... Nein... ja, gut... Die vier Adressen... Und die funf,te auch, zum Teufel! Heini auch... Gut. Ja, auf Wiedersehen. Eine Frau Bohler mit einer Tochter Else ist -mir unbekannt," zei hij zonder eenige overgang tegen mij, met de hoorn nog in de hand, als om mij even ver van zich of to krijgen als de persoon - met wie hij gesproken had. „Vollig unbekannt." Snel le,gd'e ik hem nu uit, dat zijn winkel mij als verblijfplaats van Frau Bohler en haar dochter opgegeven was en dat ik antwoord had ontvangen op twee aan dat adres gerichte brieven. Met zijn gezicht in een pijnlijke plooi dwong hij zich zichtbaar tot beleefde aandacht voor mijn problemen. Hij zei, dat hij meer dan tien jaar eigenaar was van de fotozaak en nooit een Frau Bohler onder zijn personeel had geteld. Meteen stond hij op, verstrooid glimlachend. ,,Auch keine Else Bohler, als Dienstmadchen vielleicht?" ,, Dienstmadch,en ? ! Aber, aber... die jungen Leute... Lieber Herr, ich babe bier in Köln sechs oder sieben Geschafte, ungerechnet meine Tatigkeit als Direktor eines Konzertburos! Fragen Sie Fraulein Berlach im Fotogeschaft, 'oder rufen Sie mein Buro an... Aber je,tzt mussen Sie mich..." Terwijl ik de paar passen naar voren deed, die mij van Steinmann's hand scheidden, volgde de chef der S.A. mij argwanend met de oogen. Ik combineerde vliegensvlug: der kleine Heini zerbrochene Platte een verdacht ,,Concertbureau", dat niet onder den naam van den directeur in het adresboek voorkwam de S.A.-man, Bien ik de straat had zien oversteken, ja, dan was het de juffrouw uit de fotozaak geweest, die hem telef onisch had willen waarschuwen voor mijn bezoek! ,Auch -da gewesen" sloeg op den sigarenwinkelier, en de ,plagiaat" op mijn klacht over zwakke oogen! Hoewel ik er nu van overtuigd was, dat hij me om de tuin leidde en van Else Bohler meer of wilt dan hij voorgaf, iou het niet alleen nutteloos geweest zijn verder aan te dringen en bijvo or , beeld naar die twee andere brieven te vragen, waarop ik nooit antwoord ,ontvangen had, maar ook onvoorzichtig om hem tegen mij in het harnas te jagen. Door zijn relaties met de S.A. beschikte hij waarschijnlijk over genoeg machtsmiddelen om mij onschad,elijk te maken, voor het geval dat ik hem eens minder ,harmlos" en ,blutjung" voorkwam dan hij zooeven verkondigd had. Met -een onnoozel lachje en in mijn slechtste Duitsch hakkelde ik mijn excuses over de stoornis, ^en maakte aanstalten om het vertrek te verlaten. ,,Warten Sie ein,en Augenblick!" Zijn handdrukwerd besloten door een bemoedigend kneepje: ,Sie sind Hollander, nicht wahr? Schones Land, Holland. Vielleicht konnen Sie mir helfen..." Van de schrijftaf,el nam hij een blad papier en hield het dicht voor zijn oogen, waarbij hij zijn lippen spitste en met zijn linkerhand een soort maat sloeg. ,Sie sind ein gebildeter-junger-Hollander... Also, nennen Sie mir schnell —" hierbij kneep hij zijn oogen afwachtend dicht ,ein hollandisches Reimwort auf Marken !" Fen paar tellen keek ik hem onthutst aan, toen sprong er een duiveltje in mij los. „Varken!" Gehoorzamend aan diezelfde impuls lei ik de klemtoon zoo, dat het niet als een inlichting klonk maar als een scheldwoord : met de stembuiging naar boven. ,,Farr-ke ? Was bedeutet das?" „Schwein!" zei ik op dezelfde manier. ,,Aber das ist wunderbar! Gerade was ic1h brauche... Bei uns: Ferkel. Stimmt. Te tom te tom te tom te Marken te tom te torn te tom te Farken: das klingt wie Schnnierseif e. Sehr gut. Viel schonen Dank! Auf Wiedersehen, Herr Doctor, auf Wiedersehen!" Opluchting, onzekerheid, gedrang van steeds nieuwe menschen in een vreemde stad, onbekenden, maar voor wie ik zelf misschien geen onbekende was... Omgeven door de draden van een complot, die zelfs een komst opvingen waartoe het besluit nog geen 24 uur geleden genomen was, meende ik overal handlangers te herkennen van Steinmann. Op het stadhuis, waar ik onmiddellijk naar toe ging, begon dat al. In de goede stemming gebracht door een lanterfanter, die mij naschreeuwde, omdat ik mijn arm niet opstak voor het kolossale hakenkruis aan een of ander partijgebouw, raakte ik voor het loket in botsing met verschillende personen, die me van mijn plaats wilden dringen. Alles haastte zich om en langs me heen, ik stond in een verkeerde file, werd weer teruggeworpen, en kwam pas aan de beurt, nadat een zaalwachter met een blauwe pet zich met het geval bemoeid had. ,,Else Bohlen? Gibt's nicht in Köln!" zei de ambtenaar laconiek, toen ik eindelijk, heen en weer gesmeten door de branding, tegen het loket aankabbelde. Hij nam niet eens de moeite een of tinder boek of register na te slaan voor de vorm. Een list beproevend, zei ik gedwee: „Ich bin eigens aus Bern hierhergekommen mich zu erkundigen, Sie konnten dock..." ,,Amsterdam oder Arnheim scheint mir richtiger," was het hondsche antwoord, ,wer ist an die Reihe? Ein weinig schnell, sonst schliessen wir -die Bude." „Hollander!" hoorde ik achter me fluisteren, toen ik zoo spoedig ,mogelijk, om geen opschudding te verwekken, het lokaal verliet. Steinmann was mij dus voor geweest. Ik vroeg mij af, of hij er niet beter aan gedaan had mij dadelijk gevangen te laten n,emen, maar vermoedde, dat hij voorzichtig moest zijn en als vertrouwde van Roehm nagegaan werd door de geheime politie van Goring (hierop had immers ook de sigarenhandelaar gezinspeeld met zijn „Herr Braun" en „Staatspolizei" : twee vuren waar hij tusschenin zat). De strijd om Hitler's gunst, die deze twee machten onder elkaar vo^erden, was een publiek geheim, en ongetwijfeld zou het een sterk wapen in de hand van den tegenstander beteekenen, indien door een van Roehm's gunstelingen een buitenlander gemolesteerd werd in verband met wat ik meer en meer begon te beschouwen als een zedendelict. Dat ik, kleine, bescheiden Hollander, met mijn f 600 op zak, zoo onder moeder's vleugels vandaan, een paleisrevolutie zou kunnen verwekken, die maar weinig achterstond bij de gevolgen van de Rijksdagbrand, leek me een vrij vermakelijke veronderstelling. In ieder geval was , ik veiliger dan men oppervlakkig uit de situatie opmaken zou. Ik at in het hotel waar mijn koffer in bewaring stond en ging een paar uur naar een museum om eens wat anders te zien dan Chaplin-snorretjes voor alle winkelramen. In dat museum overwoog ik ook de middelen die mij nog ten dienste stonden om iets meer te weten to komen over Else , Bohler. Ik zag wel in, dat ik weer naar de straat van de fotowinkel terug moest, maar juist omdat het de elenige mogelijkheid was stelde ik het zoo lang mogelijk uit. Om half vier ongeveer was ik er weer. De f otowinkel en de tabakszaak liep ik voorbij tot aan een sombere zij straat, waar ik poolshoogte nam; van de vijf winkels die ik hier overzag koos ik om te beginnen die welke zoo ver mo gelijk van de winkel van Steinmann aflag; dit leek me een gezonde tactiek. Het was een bescheiden Konditorei, tevens luxe-bakkerij, die ik binnenging; er stond niemand in de winkel, ik moest de deur nog eens heen en weer bewegen om voor de tweede maal te bellen. Terwijl hol klinkende voetstappen achter uit het huffs naderden, ging de bel voor de derde maal; ik lette niet op deze tweede klant, maar richtte mij onmidd.ellijk tot het meisje achter de toonbank, die mij vroeg wat ik wenschte. Toen ik haar zei, dat ik inlichtingen wilde inwinnen over de fotozaak van Steinmann, veranderde haar gezicht; ze zoog haar mond in en bleef me verschrikt aanstaren. Ik herhaalde mijn vraag. ,,Davon weiss ich nichts." Met de bedoeling de andere klant, die naast mij stond te wachten, voor te laten gaan en dan mijn vraag nog eens te herhalen, keek ik opzij en ontwaarde een forsche vrouw van een jaar of 40, die mij ineens sterk deed denken aan het portret, dat Else Bohler mij eens van haar moeder had laten zien. Verwonderde blauwe oogen, die vroeger mooi geweest moesten zijn, namen mij op. Zij was vrij goed gekleed, lang, met iets hooghartigs in haar gezicht. Ik durfde er op zweren, dat zij het was. Tegenover de winkeljuffrouw deed ik het vo,orkomen, alsof ik mij vergist had, en verliet de winkel. Buiten bleef ik wachten tot de vrouw te voorschijn komen zou. Ik kon me niet voorstellen, dat ik mijn doel reeds bereikt had; mijn hart klopte hevig, Coen ze achter de deur verscheen. ,,Bitte, sind Sie Frau Bohl.er ?" vroeg ik ademloos, na haar een paar pas achterna geloopen te zijn. Ze draaide zich om, bekeek me van het hoofd tot de voeten, en schudde ontkennend het hoof d, met opgetrokken wenkbrauwen. De gelijkenis was nu nog veel duidelijker, niet met Else, maar met het portret. Niet onvriendelijk luisterde ze naar mijn verward betoog. ,,Mein Name ist Frau Koch !" ,,Aber... Sie haben keine Tochter Else?" ,,Nur einen Sohn! " ,,Mein Gott... Sie kennen auch keine Else Bohler? Sie ist in Holland gewesen. Sie war da Dienstmadchen... Sie wohnt, oder hat gewohnt...," ik noemde het adres, ik noemde ook mijn eigen naam en titel, en stotterde ver-onts, chuldigingen en allerl-ei nieuwe verklaringen over het portret van Else's moeder, die tenslotte onderbroken werden door een hand op mijn arm ^en de voorzichti-g gefluisterde woorden: ,,Vielleicht kann ich Ihne,n Auskunft geben,... wenigstens wenn Sie vollig zuverlasslich sind." Nadat ik haar verzekerd had, dat ik niets met politiek had te maker en alleen op zoek was naar Else Bohler, gaf ze mij haar adres op, vlak in de buurt, waar ik haar over tien minuten bezoeken kon; het was beter, dat men ons niet samen haar huis zag binnengaan. Zonder te groeten liep zij verder; ik zag haar de straat oversteken en sloeg toen zeif de andere richting in, twee zijstraten ver, waarna ik zoo onopvallend mogelijk rechtsomkeert maakte en bij het opgegeven huis aankwam dat ongeveer twintig huiz.en verder lag dan de straat van de fotowinkel. Voor het huis speelde een troep kinderen, ordelijk, zonder veel geschreeuw en een beetj,e neerslachtig. Ik belde aan en werd dadelijk opengedaan. Toen ik op het punt stond de kale, steile trap op te klimmen, hoorde ik een hoog stemmetje achter me: „Ich muss auch hinein!" Een jongetje van een jaar of tien met een grappig barsch gezichtje, omlijst door blonde krullen, stond met zijn handen in zijn zakken zelfbewust en uitvorschend naar me op te kijken. „Ich muss hinein," herhaalde hij gedecideerd, „Heini sagt es ist vier Uhr." Zijn broek opsjorrend liep hij me achterna, het portaaltje in. Boven zag ik de naar voren gebogen gestalte van Frau Koch. ,,Wer bist du denn, kleiner Kerl?" vroeg ik, am de moeder een vriendelijkheid te bewijzen. „Ich darf jetzt nicht mnehr draussen spielen, die anderen sind Lausbuben, sagt Mutti, die spielen in der Strasse dort," hij weer- naar die straat van de fotowinkel, ,,das darf ich erst recht nicht, dort wohnt der bose Riese der die Kinder auffrisst!" ,,Gib mir nur ein Hand," zei ik en schoof hem voor me uit. Met een plotselinge angst keerde hij zich naar me om. ,,Du bist der bose Riese doch nicht?!" ,,Nein, nein, ich bin Hollander," stelde ik hem lachend gerust. ,,Der Riese der die Kinder photographieren will, sagt Mutti; Heini ist so dumm, der spielt immer dort..." Voor de tweede maal wees hij in de richting van de zijstraat, ik had d:e deur open laten staan. ,,Ernst, du darfst den Herrn nicht belastigen !" „Ist der Riese vielleicht braun gekleidet?" waagde ik het erop, met een blik naar boven, ,und ich wette, er heisst Ernst wie du!" ,,Schliessen Sie bitte die Tur !" kwam weer Frau Koch, met iets gejaagds in haar stem. Verontwaardigd over zoo'n veronderstelling had de jongen heftig neen geschud. Na eenig getreuzel kwamen we boven; het jongetje moest een hand geven, werd toen de achterkamer in gestuurd, eneven later zat ik tegenover Frau Koch in de voorkamer, een laag, bedompt vertrek, maar zindelijk en modern gemeubeld. Op een paar planken stonden wat boeken, meerendeels, voorzoov(er ik het onderscheiden kon, over machinebouw en economie. Over de tafel werd mij een foto toegeschoven: dezelfde die Else Bohler mij vroeger had laten zien! ,,Also sind Sie am Ende doch...?!" ,,Aber nein!" weerde ze lachend af, ,ich habe nur Ernst. Else Bohler hat Ihnen etwas vorgeschwindelt! Das Bild hatte sie von mir bekommen; sie hat es Ihnen of fen bar Lieber gezeigt als das ihrer eigenen Mutter! Aber kann ich ganz of fen mit Ihnen reden? Ich wusste etwas von Ihrer Existenz, wenn auch nicht Ihren Namen. Else hat immer behauptet, ihr Verlobter sei ein Herr Doctor..." Hierop begon zij met haar inlichtingen. Het maakte op mij de i,ndruk, alsof zij die in de tien minuten na onze tontmoeting op straat voorbereid had, wellicht uit angst om meer te zeggen dan raadzaam was in deze tijden. Zij leek mij zeer beschaafd en verstandig. Alles moest sn-el in zij n werk gaan, zei zij, om vij f uur kon haar man thuiskomen, Bien zij er geheel buiten wilde houden. Hij was employe op een groote machinefabriek even buiten Keulen, katholiek, oud-vakvereenigingsleider, en een jeugdvriend van Else Bohler's vader, die in 1918 gesneuveld was. Frau Koch, die zich degelijk scheen te willen documenteeren, liet mij een verbleekt portretje zien van een blonden man met groote, leege, starende oogen, een vervaagde, verkoelde repliek op die van Else. Nadat haar moeder, die Frau Koch slecht kende en voor wie ze ook weinig scheen te voelen, in de inflatietijd haar 241 Else B6hler, Duitsch Dienstmeisje 16 geld had verloren, was ze, zonder bron van inkomsten, werkster geworden, o.a. in de fotozaak van Steinmann. Tot haar 14e jaar bij de nonnen opgevoed, was Else later in verschillende betrekkingen geweest, in de meeste gevallen als dienstmeisj-e of kindermeisje; een kookschool of huishoudschool had ze nooit bezocht. Bij Frau Koch, op wie ze meer gesteld was dan op haar eigen moeder, kwam ze vaak aan huis. Zij had een aardige stem. Ze was erg gesloten, streng-geloovig, wel fatsoenlijk („ein braves Madel”) , maar impulsief en avontuurlijk, en moeilijk te beinvloeden. Natuurlijk verzuimde ik niet naar lichtzinnige vriendinnen te informeeren, maar daarvan was Frau Koch niets bekend. In 1932 was Else een paar maal in de winkel van Steinmann komen helpen: nadat ze herhaaldelijk negatieven gebroken had alleen voor ruw werk. Wat er toen gebeurd was, of Steinmann, die overigens maar zelden in de zaak kwam, haar lastig had gevallen, of haar inderdaad ten huwelijk had gevraagd, zooals ze zelf beweerde, kon Frau Koch me niet precies vertellen, zooveel is zeker, dat zij plotseling, buiten medeweten van haar moeder, naar Holland vertrok en nooit meer schreef. Aangezien ze - toen juist 21 geworden was, kon men niets antders doen dan naar haar adres informeeren en de familie waar ze diende schriftelijk verzoeken goed op haar te passen. ,,Wie sah Elses Mutter aus?" onderbrak ik h-et verhaal, ,,war sie blond, hatte sie grosse, ein wenig glotzende Augen?" ,,O nein, sie war schwarz, mit so einem langen Gesicht, and stechenden Augen, and immer so armlich gekleidet, eine richtige Schlampe. Sie war mir vollig unsympathisch, ich babe immer geglaubt, dass sie da hinten steckte, mit Else and Steinmann.. „Wer aber ist doch dieser Steinmann?” Na snel de kamer rond gekeken te hebben fluisterde ze: ,,Mein Mann sagt immer, der Steinmann sei der grosste Halunke, den die Revolution grrossgezuchtet hat. Er war so ein kleiner, gerissener Schieber, ein G eschaf t hier, ein Geschaft dort, in seiner Jugend doll er Artist gewesen sein, doch jetzt ist er," ze keek nog eens naar de deur, „der Hof lief erant der S.A...." ,,Also doch!" ,,O, Sie wussten schon? Jedermann weiss es, aber sogar die Polizei kann ihm nichts anhaben. Er lauert auf unsre Kinder, er zeigt dem... na, Sie verstehen, ihre Bilder, und... Es ist hier ganz in der Nahe..." Met een uitdrukking van de heftigste afschuw maakte ze een beweging naar het raam: „Mein Gott, der Schmutz.. and Boden," zei ik ironisch. Zonder te begrijpen bleef ze me eenige oogenblikken aanstaren. ,,Wenn Hitler es nur alles wusste !" Ik begreep te ver te zijn gegaan. Om de ongunstige indruk van mijn toespeling uit te wisschen liet ik haar nog eenige tijd doorpraten over wat haar zoo na aan het hart lag. Steinmann's lichtschuwe practijken genoten eerst sinds een half jaar algemeene bekendheid, voor die tijd was er niets op de fotozaak aan te merken geweest. Buiten en behalve de „Kinderbilder" verzorgde hij feesten van de S.A., waarvoor hij in iedere groote stad zijn verbindingen en filialen had hij zette operettes en revues in elkaar, alleen in Keulen bezat hij nog twee andere fotowinkels, een costuumzaak, nia,gazijnen voor militaire uitrusting, en meer van dat soort; in hoofdzaak evenwel was en bleef hij de maitre de plaisir van Roehm, die hem sterk protegeerde. Frau Koch was van dit onderwerp niet of te brengen en verloor in het vuur van het gesprek iedere terughouding; ik vermoedde, dat het haar opluchtte per met iemand an ders over te kunnen praten; zij en haar man, die lang te boek hadden gestaan als „Hitlerfeindlich", vermeden steeds zooveel mogelijk ieder gesprek over politiek. Onbeschrijflijke orgien zouden in de fotozaak om de hoek gevierd zijn, bewaakt door de S.A., begunstigd door geheime uitgangen, waardoor de gechloroformeerde slachtof f ertjes werden binnengesleept, terwijl de geheime politie op de daken zat of in kleine winkeltjes in de buurt zonder iets te kunnen uitrichten. ,,Der Goring soll gesagt haben, wenn der Kerl mir in die Hande fallt, hang ich ihn auf, and nicht an seiner Perucke !" Na deze mededeeling, die, zoo zij al geen waarheid behelsde, toch geheel in stijl was met de gebruikelijke uitlatingen van den generaal, kwam Frau Koch weer op Else Bohl.er terug. In Augustus '33 was haar moeder zoo ernstig ziek geworden, dat men haar in een ziekenhuis moest laten opnemen. Steinmann, die nu tot zekere hoogte vrij spel had (Frau Koch maakte zich hier aan een vrouwelijke inconsequentie schuldig, daar ze eerst had gezegd, dat Else's moeder de relaties met Steinmann begunstigde ! ), liet Else terugkomen met de belofte haar opleiding voor zangeres te zullen bekostigen; in een paar jaar zou hij haar beroemd maken. Hoewel Frau Koch het haar uit het hoof d trachtte te praten, was ze op h,et voorstel ingegaan: ze had, volgens haar eigen zeggen, een paar maanden zangles gehad in Keulen, maar was nu precies drie weken geleden naar Berlijn vertrokken, „fur ihre weitere Ausbildung". Ondanks haar belofte om te schrijven had Frau Koch nog niets van haar gehoord; het adres wist ze ook niet; ze meende zich te herinneren, dat het een pension was in de buurt van de * * strasse. Dat de moeder het adres zou weten, leek haar zeer onwaarschijnlijk, omdat Else immers tegen haar zin naar Berlijn was gegaan. De moeder had al die tijd in het ziekenhuis gelegen, waar Else haar maar zelden bezocht. Waar zij gewoond had, die maanden in Keulen, wist Frau Koch ook niet, in geen geval in de fotozaak, al kwam ze er wel geregeld (hieruit maakte ik op, dat geen van mijn brieven zijn bestemming had bereikt en dat de brief, die ik van Frau Bohler had meeenen te ontvangen, waarschijnlijk door Steinmann zelf geschreven was of door die ,Fraulein Berlach" uit de winkel), en indien al op een kamer, die Steinmann voor haar betaalde, dan toch zonder dat er jets ,vorgef alien" was, niet zoozeer omdat Else den man ,ekelhaft" vond als wel ,weil man das einem Madchen ansieht". Niettegenstaande dieze gunstige diagnose-op-af stand had zij Else maar liever niet meer zoo vaak ontvangen; ter wille van haar zoontje durf de ze nienzand te vertrouwen die met Steinmann betrekkingen onderhield. Ik vroeg Frau Koch, of Else wel over mij gesproken had. „O, oft. Sie sagte immer, sie liebe ihreen Herrn Doctor, schade nur dass er arm sei and noch keine Familie ernahren kon,ne, and auch waren Sie nicht katholisch; sie selbst war ja sehr streng erzogen. . . ,,Und, das muss ich Ihnen auch noch erzahlen," vervolgde zij op medelij dende toon, „sie hat Ihnen einen Brief geschrieben, aber das war auch teilweise Schwindel, nein, ganz ehrlich war sie dock nicht, die Else, ich weirs nicht wie ich mich ausdrucken soil: na, sie hat meine alien Liebes... die Briefe die wir uns als Verlobte, ich meine: mein Mann and ich, wenn wir jung waren... Die hat sie aus meinem Sekretar genommen, and als sie eines Mittags mit Ernst hier alleine war, teilweise kopiert," besloot ze met een hooge kleur. Toen ik bleef zwijgen vervolgde ze: ,Sie woilte einen schonen, gebildeten Brief schreiben; spater hat sie mir um Verzeihung gebeten, sie war ja immer sehr lieb zu mir, und, so viel ich weiss, hat sie den Briefen nur einige nichtssagende Audrucke entnommen; ich erinnere mich zum Beispiel dass sie sagte: ,die ewige Uhr tickt', das hatte mein Mann geschrieben, and uber die Liebe die mit solch grosser Wucht in unsren Herzen Platz nimmt, alles ja Dummheiten, die man schrreibt wenn man jung ist..." ,,Erinnern Sie sick auch an den Ausdriick: die Liebe ist ein kitzliges GefUhl in der Nahe des Herzens, wo - man..." ,,N-ein, der Ausdruck kommt in unsren Briefen nicht vor," zei Frau Koch met jets koels in haar stem, voor mij meteen het teeken om het gesprek to beeindigen, ,aber wirklich, Herr Doctor, Sie konnten besser die Else vergessen, sie ist jetzt doch in anderen Handen... Und seien Sie vorsichtig, der Steinmann..." Toen ik me voor de tweede maal een weg baande tusschen de spelende kinderen door, in de grauwe nuchtere straat, die met zijn karakterlooze huizen ook in Londen of Brussel had kunneen staan, beschouwde ik alles wat ik zoo juist gehoord had met geheel andere oogen. Voor den duivel, we leefden toch in een moderne tijd, waarin voor griezelromantiek over een reus van Klein Duimpje in naziuniform geen plaats meer was! En wat Else Bohler betreft: zij was weg, uitgewischt, in de grond verzonken, dienstbaar gemaakt aan het grootscheepsche 'mierenbbedrijf van dit land, maar dat alles had zich zakelijk en automatisch voltrokken, niet met de gruwelijke bijkomstigheden van een Grand Guignol-voorstelling, die alleen bestonden krachtens overspanneen buurvrouwenpraatj+es ! Om mijn plotseling gewij zigde houding, wellicht het gevolg van vermoeidheid, of stomping -door al te veel sensationeels, geheel te bevestigen, vormde ik het voornemen langs de fotowinkel te loopen en zoo de tramhalte te bereiken waar ik of was gestapt. Het zou mij niet verwonderen, indien al die foto's van aardige liftboys en zeekadetjes berustten op een zinsbegoocheling... Ik sloeg de hoek om en liep regelrecht in de monding van een revolver, waarachter een bruine uniform schemerde. Ik sprong terug. Uit een paf f erig stierengezicht met kleine, ver van elkaar afstaande oogen snauwde het: ,,Hier geht's nicht weiter !" ,,Aber ich -muss.. ,,Sie musslen schauen dass Sie welter kommen, gradaus. Die Strasse ist abgesperrt." Op de andere hoek zag ik een tweeden S.A.-man; voor de winkel van mijn vriend den sigarenhandelaar stonden er drie met hun revolvers te spelen, en ook verderop was de straat bruin gevlekt. De fotowinkel bleef onzichtbaar voor me. Mijn nieuwsgierigheid won het van mijn schrik. ,,Was ist denn los ? Dies ist mein kurzester Weg zum Bahnhof! Ich bin kein Kommunist, bitte !" De man begon te grijnzen. „Ist mir Wurst. Sie konnen hier an der Ecke warten." De sigaar die ik hem aanbood weigerde hij ; hij keek over mijn schouder, stak haastig.zijn revolver weg, -en daar sprongen meteen al die kerels in de houding en hieven hun rechterarm omhoog. Autogetoet weerklonk schuin achter mij. Een groote reiswagen nam nauwelijks drie meter van mij of een korte 'draai, snorde de straat in links en rechts modder spuitend, gaf nog een straf f er rukje aan de bruine armen, aan mijn eigen arm (ja, ik had hem opgestoken, veracht mij niet) en aan al mijn zenuwen, vervolgens aan het grijze hoofd van den sigarenhandelaar, dat in een venster van de tweede verdieping tusschen de gordijnen door was komen gluren, ,en aan twee of drie gedaanten bovenop het dak, waar ik eerst niet op gelet had, en die, gewapend met zwarte veldkijkers, langzaam op hun bulk voortschoven, en stopte ter hoogte van de fotowinkel. ,,Darf ich zuschauen?" vroeg ik verlekkerd aan mijn buurman, die zijn arm weer had laten zakken, ,driiben ?" ,,Meinetwegen." Met •een geruststellend,e glimlach vo,or den tweeden S.A.-man kwam ik aan de ooverkant aan. Uit de auto waren vij f menschen gestapt, even aarzel,end troep j1e in het late Novemberlicht. Zoowel v000r het benedienraam van de fotowinkel als vo-or de Loch reeds afgesloten bovenvensters waren rolluiken neergelaten. Juist stak de gedaante met de groote flaphoed bovenop de witte leeuwenmanen de sleutel in de deur en keek uitnoodigend om naar de vier anderen, alien in uniform, onder wie ik een verwijfd, ingeregen individu opmerkte met een fijngeslepen roofvogelneus, en een zware, in elkaar gezakte vijftiger, wiens gezicht, norsch, breed en loerend, dezelfde zwarte, kersronde oogen vertoonde als het zooveel jongere portret, dat mij in Rudolf Steinmann's werkkamer gefixeerd had. 'Ten verdween het heele gezelschap in de fo)tozaak met ,besondere Preislagen fur Kinder". Mijn eerste gang in Berlijn was naar het stadhuis, waar ik zoo mogelijk nog ontmoedigender ontvangen werd dan in Keulen. Ik moest mij eerst legitimeeren, een paar mark neertellen, en kreeg toen te hooren, dat ik heel Groot-Berlijn „durchsieben" kon zonder een Else Bohler aan te treff en. De heeren (ik probeerde het op Brie verschillende tijden) schenen zelfs iets belachelijks en onbestaanbaars te vinden in die naamcombinatie. Toen ik in mijn woede tegen den laatste zei: ,Grussen Sie Herrn Steinman-n von mir," begreep hij me niet, of deed alsof. Ik huurde een kamertje in de buurt van de strasse, die Frau Koch mij genoemd had en ving een detectivebestaan aan, dat mij twee paar schoenzolen heeft gekost, mijn zielsrust, en ten - slotte mijn kop. Op de heenreis had ik ruimschoots gelegenheid gehad na te denken over de situatie. Er waren twee problemen: hoe ik Else zou kunnen vinden, en waarom ik haar wilde vinden; het eerste liet ik voorloopig aan de toe•omst over. Groote m.innaars, die vrouwen achterna gereisd zijn in postkoetsen, treinen of vliegmachines, zullen op de twe;ede vraag maar een antwoord weten, maar voor mij was dat zoo eenvoudig niet. Reeds het zonderlinge mengsel van afkeer en genegenheid, dat Else Bohl,er mij vr,oeger steeds ingeboezemd had, wees er op, dat ook nu geen sprake kon zijn van simpele liefde of verliefdheid als motief voor mijn vrij hopelooze bemoeiingen. Zij had mij bedrogen. Als ik alles geweten had over haar moeder en vroegere werkkring, zou ik misschien niet eens naar Duitschland gegaan zijn. Steeds had ze haar eigenlijke gedachten achtergeh,ouden, nooit open kaart gespeeld, en dat al van het begin af. Maar dan zette de tegenstem in: ,Goed, goed, maar ze hield toch van je, anders had ze die brief niet geschreven; misschien heeft ze gewacht met naar Berlijn te gaan totdat je antwoord komen zou, en dat kwam niet, omdat het on derschept werd." Een eigenaardig schuldgevoel bekroop me dan, de zucht om mij te rechtvaardigen in haar oogen, maar ook het verlangen om haar bij te staan in een strijd, waarin mijn gewaand stilzwijgen haar het beste wapen uit handen had geslagen: haar hoop op een hereeniging met mij, haar belofte om mij trouw -te blijven en niet ten onder te gaan. Tenslotte ging alles draaien om dat eene punt: was zij ten onder gegaan? Er pleitte evenveel voor als tegen. Zou Steinmann, die zooveel macit bezat, de tegenstand van een eenvoudig meisje niet kunnen breken, een tegenstand, steunend slechts op onbevreesdheid en eergevoel, op wat vage voorstellingen van in -een wit kleed je voor het Altar Gottes te mogen staan? Wie zou haar trouwens dat Witte kleed beletten, als ze met haar weeke lippen die kale kop gezoend had? Ik stelde me een liefdesnacht voor tusschen die twee, in ruil voor een prima zangopleiding, met de pruik in bed er naast, als een slapende witte poedel. Dat ze naar Berlijn was vertrokken (maar wie be wees me zelfs dat?) kon er -op wijzen, dat Steinmann al genoeg van haar had (en dan was een doodgewoon bordeel bij haar beschavingspeil altijd een nog iets waarschijnlijker bestemming!), maar ook, dat hij haar nog veroveren moest en de voorkeur gaf aan een reeks voorgangers, voor het geval dat haar erkentelijkheid niet groot genoeg zou zijn voor het trekken van zijn wissel. Artistenwereld, S.A., het ergste rapaille, zij stonden gereed om Rudolf Steinmann de poort te openen! Was dit al geschied, of moest het nog geheuren ? Alles trachtte ik tegen elkaar of te wegen wat ik van Else Bohler wist, maar de -onberekenbare factoren waren te talrijk, en het was dwaasheid om, met dit enorme Berlijn in zicht, tusschen de vriendin met de auto's en de opium en het onwrikbaar vertrouwen van de dames Erkelens uit de Andromedastraat of het aarzelender van Frau Koch een vergelijk te treff en, dat de bittere werkelijkheid met een pennestreek te niet zou kunnen doen. Welbeschouwd was het dus meer nieuwsgierigheid die mij aandreef, en een verlangen om dat afmattend wankel spel van gevolgtrekkingen en tegenargumenten te doen eindigen, dan een verliefdheid, die bovendien, wat bij het bijzondere karakter dier onzekerheid maar al te na-tuurlijk was, grootendeels vervangen werd door zinnelijke geprikkeldheid. Tijdens mijn rein, en later in Berlijn, heb ik meer vrouwen gezien dan een jaar Lang in Holland, en dat bij een onthouding van meer dan een jaar! Vooral de degelijke Gretchens met vlechten, in hun koper beknoopte werkkleeren, hitsten mijn fantasieen op, die zich echter niet uit de koers lieten slaan en het beeld van Else Bohler op het kloppend obscene rhythme der treinwielen, die machinale koppelaars, merle betrokken in een innerlijke heksensabbath, waarin alles door elkaar geschud werd wat het Iaatste jaar mijn leven had gevuld, waarin jaloezie zich vermomde als masochistische aanvaarding van de reeks voorgangers die ik Steinmann had toegedacht, een lief desnacht met Else duizend maal werd opgeroepen en weer verworpen als onbestaanbaar, het groote vraagteeken van haar ,,reinheid", vroeger verhuld in apathie, als onbelangrijk opzij geschoven, de schrijnende actualiteit verkreeg van alles wat gebeurt zonder dat men het zich ook maar bij benadering voorstellen kan, laat staan verhinderen. Even geheele volksstam van vrouwen wekte mijn begeerte op, een geheele volksstam van mannen mijn woedende ijverzucht, in het brandpunt van die twee stralenbundels stond Else Bohler, kolossaal vergroot, trotsche Germania met zware oogleden op te korte beenen, Duitsch dienstmeisje, hoer, non, beroemde zangeres, filmster, ramenlapster? .. . Ondanks mijn verwarring ging ik systematisch te werk. Ik zocht alle straten af in de buurt van de opgegevene, belde aan bij alle pensions, stelde me niet tevreden met het antwoord ,unbekannt" of Aeene Else Bohler", maar bleef voor elk van die kazernewoningen of monsterachtige flats urenlang schilderen, omdat ook hier Steinmann's bevel kon hebben gewerkt. Er waren drie katholieke kerken: voor en na iedere mis stond ik aan de ingang. Natuurlijk was het ondoenlijk geheel Berlijn op deze wijze af te wer , ken ; niettemin kregen, een week lang, alle andere katholieke kerken een beurt, ieder een mis, ervoor of erna, terwijl ik bovendien in het adresboek alle zangleeraren en -leeraressen en zanginstituten van Berlijn opzocht en dan met mijn hoed in de hand ging vertellen, dat Eraulein Bohler die week door ziekte verhinderd was op les te komen. Steeds bleven de gezichten effen, steeds werden de schouders opgehaald. Else Bohler : unbekannt! Daar Else een andere naam had kunnen opgeven, probeerde ik het nog eens, nu -met informaties naar een meisje uit Keulen van dat en dat uiterlijk. Unbekannt! En dan begon ik maar weer straten af te loopen, schichtig pleinen over -te steken, 's avonds in de buurt rond te hangen van concertzalen, cafe's, bioscop,en, cabarets, vertrouwend op het toeval of op een speurinstinct, dat zich hoe langer hoe minder van redelijk overleg bediende, of ineens weer van dwaze schema's, formules en bijgeloovige straatnaa ,mverbindingen, grillige en toch beteekenisvolle verbindingslijnen tussch,en Berlijn's hoofdstraten, uitkomend bij modemagazijnen, pa , rades snijdennd, aangekondigde feesten omzwermend, de talrijke gedaanten waaronder de Weihnachten zich openbaarde, de Winterhilfe, liefdadigh-eidsbals, bulletins, Litfaszsaulen, Tiergarten, Siegesallee, mijn god... Hitler zou zich op een ochtend laten zien: ik keek niet naar Hitler, maar zocht onder het publiek, koppig, verdoofd, half droomend, en mager van uitputting. Met mijn geld leefde ik pijnlijk zuinig; het meeste ging weg aan trams. Ik woonde op een klein kamertje in een huis van vier verdiepingen, dat van onderen tot boven verhuurd was voornamelijk aan studenten, die meerendeels tot de S.A. behoo,rden ; ik zag tenminste bruine uniformen genoeg, partijliederen weerklonken op de kamers en op de trappen zware laarzen. De pensionhoudster, die een tamelijk onverstaanbaar dialect sprak, scheen nog niet geheel vrij to zijn van communistische smetten; zij klaagde vaak haar nood over de bekeeringspogingen, door haar jdnge huurders in het werk gesteld. ,Das ist aber scheene: hat der dicke Rothmann j'sagt der Hitler sei keen Mensch aber een Jott, oder een Halbjott, was weess ick. Aber ick, ick jeh immer uffs Janze, and ick hab j'sagt, ick dachte mir immer schon er sei keen richtger Mann! Und dann hat die Bande mir uff die Dielen gespuckt!" Het was een klein vrouwtje met een scheeve wigneus, angstig ondanks haar vrijpostighei-d en erg ijverig; in weerwil van de twijfelachtige uitslag hunner inwendige zending droegen de nationaal-socialistische huurders haar geen kwaad hart toe. De dikke Rothmann leek mij verreweg de sympathiekste van de troep, met zijn bolle roode wangen, bijziende oogen en eigenwijs Schubertkinnetje, het type van een vagen idealist die geen vlieg kwaad zal d,00en. Toen ik hem voor het eerst op de trap tegen het lijf liep, had hij zich aan me voorgesteld; men wist dus, dat ik een vreemdeling was. Op een avond vroeg de hospita of de dikke Rothmann mij mocht spreken; op mijn bevestigend antwoord werd hij meteen binnengelaten. Ondanks zijn nieuwe bruine uniform., zijn (dolk en revolver, scheen hij aan groote verlegenheid ten prooi; het duurde zeker vijf minuten voor ik uit zijn gestamel over ,Verantwortlichkeit", ,Eid geleistet", „Pflicht", opmaken kon, dat hij en zijn vrienden mij van communistische spionnage of erger verdachten en genoodzaakt waren er werk van te maken, indien ik hun geen volledige opheldering verschafte omtrent mijn zonderlinge tochten dwars door Berlijn. Onzeker of ik met een list van Steinmann te doen had, of met indiscreties van de hospita, dan wel met de jeugdige ijver van deze jongelieden alleen, bleef ik eenige oogenblikken besluiteloos voor mij uit sta ren, maar tenslotte leek openhartigheid mij de beste tact ck. Ik zei hem, dat ik Berlijn afzocht naar een meisje, i met wie ik me in Holland verloofd had; om hem en zijn vrienden gunstig te stemmen het kwam ineens in me op, dat zij mij wellicht behulpzaam zouden kunnen zijn, al wist ik nog niet hoe, dikte ik een en ander een beetje aan in nationaal-socialistische zin: „blondes, gesundes M adchen, einfach, vom Land Verfu-hrungen der Grossstad reicher Jude mir im Wege," en meer van die kracht. Het kan ook wet zijn, dat ik eenvoudig behoefte had aan wat simpel menschelijk contact. De dikke Rothmann bracht mij dadelijk in verwarring door te vragen waarom ik me ^dan niet met de politic in verbinding had gesteld; gelukkig drong hij niet verder aan, Coen ik hem zei, dat het meisje dan misschien „restloos kompromittiert" zou worden (het is me nog steeds duister, waarom ik inderdaad niet naar de politic ben gegaan, of anders, indien ik daar mijn hoof d weer tegen de Steinmannmuur vreesde te 254 stooten, naar het Nederlandsche gezantschap, al was het alleen maar om raad in te winners). Als bewijsstuk toonde ik hem Else's portret, dat ik, met haar brieven, uit Holland meegenomen had. ,Wunderhubsch," zei hij met iets van ontroering in zijn stem; hij schudde me de hand en nam me op staand.e voet mee naar zijn vrienden, die in zijn kamer in uniform bij elkaar zaten, in de trant van een veemgericht, strak een nerveus. Ik schatte die jongens niet ouder dan 23, er waren drie medische studenten onder, een enkele jurist, Rothmann zelf was germanist. Hakkengeklak begeleidde de kennismaking, waarna Rothmann in welgekozen bewoordingen het Joel van mijn Berlijnsche missie in het licht stelde. Een zekere opluchting scheen zich meester te maken van de gemooederen dezer couleurstudenten, waarvan een, Karwinsky genaamd, een lange, donkere kerel, wiens Dantesk profiel boven een losse, cynische lip torende, in de revolutiedagen toch twee communisten Ageschossen" had. Een sterk ontwikkeld gevoel voor gastvrijheid bracht van hun scrupules een gedeeltelijke verklaring. Menschen met wie zij onder een dak woonden maakten aanspraak op hun volledig vertrouwe zoolang het tegendeel niet onomstootelijk bewezen was, maar dan ook geen genade! Hierin moest zooveel als hun oud-Germaansche Hunding-mentaliteit tot uiting komnen. Tijdens het gesprek, dat nu aangeknoopt werd, vroeg ik me af, of deze meerendeels onbeduidende blonde jongens, die hier hun lichtelijk gebogen studieruggen tot de torsen van nordische Recken uitrekten, ook een individueele rol van beteekenis gespeel-d zouden hebben in de vrijh.eidsoorlogen tegen Napoleon: die andere periode eener mystieke opbloei van een door bloedsbanden bevestigd patri ,ottisme. Behalve in exerceeren, collecteeren en spreekkoren houden voor Joodsche warenhuizen scheen hun opofferingsgezindheid zich uit te putten in een bodemloos gezwets. Na mij een glas bier voorgezet te hebben informeerde men naar de politieke toestanden in Holland. Toen ik voor alle zekerheid nog eens mijn politieke neutraliteit aanstipte en mij als ,unpolitisch" voorstelde, net als Tho.mas Mann (sindsdien noemnden ze mij met insinueerende opdringerigheid „der Unpolitische"), werd ik door drie stemmen tegelijk brallend gekapitteld: „Aber, Herr Doctor, unp-olitisch..." en er volgde een uiteenzettingover Alfred Rosenberg's krankzinnige speculaties, doorspekt met Spengler en Nietzsche, Chamberlain en Gottfried Feder, die het iederen Germaan tot een plicht maakten de stralende nordische Rasse te begroeten als het licht der wereld. Vooral de dikke Rothmann, tegelijk geborneerd en verward, trad hierbij op de voorgrond als kenner ex professo van het Germaansche recht en fantastisch Wotansdienaar. Het Fransch,e ras die Welschen personif ieerdle de figuur van Loki, den verrader, de Joden waren de Midgaardslang en kruisigden het licht; Christus was geen Jood, maar afstammeling van Grieksche emigranten en blond, David ook, en vooral Jonas, wiens naam etym.ologisch samenhing met Wotan. Een van de medici stel,de eugenetische maatregelen voor olm in twee eeuwen alle Ariers blond te maken; men beweerde zelfs, dat Hitler niet trouwde, omdat hij donker was (over Roehm werd in dit verband gezwegen.) Mijn tegenwerpingen, o.a. dat het noorsche ras zijn stralende krachten reeds verbruikt had ten dage van de Noormannen en nu definitief Engeland en Amerika bevolkte, werden overstelpt met naieve citaten, knetterende machtspreuken en bier. Opnieuw wensch -te men bij zonderheden over de groei der fascistische bewe Bing in Holland. Naar het scheen was in het groote plan van Rosenberg een belangrijke plaats ingeruimd aan dit stamverwante plekje, dat na enkele patriottische schijnmanaeuvres zonder moeite bij het groote Germaansche moederrijk ingelijfd kon worden. Men juichte het daarom toe, dat nu reeds jonge Hollandsche intellectueelen met eigen oogen kwamen zien wat bier uitgericht was; het versterkte de banden, en dat was noodig ook, want na de Rijksdagbrand was de stemming onder het publiek tegen Hollanders nog altij d slecht. Ik begon nu wat beter de beweegredenen te doorzien van de heeren. In hun jeugdig enthousiasme waren ze mij, sinds vaststond, dat ik geen politiek tegenstander kon zijn, als mogelijk proseliet gaan beschouwen. Met warmte opgenomen in bun kring, verzette ik mij maar weinig tegen deze bekeeringsijver: ieder contact met de S.A. vergrootte immers de mogelijkheid, dat ik Steinmann nog eens tegen het lij f zou loopen of waardevolle inlichtingen over hem zou inwinnen, 'en waarom dan niet over Else? Na een paar dagen was er zelf ss een soort vriendschap gesloten, onder veel of f icieel vertoon, hooghartigheden, onhandigheden, bier, hakkengeklak, en op de derde dag kreeg ik de uitnoodiging om mee te gaan luisteren naar Alfred Rosenberg ! Daar stond de dikke Rothmann al weer in uniform op de drempel van mijn kamer, het hakenkruis brutaal v®or op zijn arm, zooals men dat op alle foto's ziet van nazi-leiders, die er twee-dimensionaal door worden, als reclameplaten. Hij sprak opgewonden: ,Sie mussen mit, Herr Doctor! Das kommt niemals wieder! Der Rosenberg spricht wie der Fuhrer and ist ihm, wenn moglich, an Gedankentiefe and Folgerichtigkeit sogar noch uberlegen! Es gibt in semen Reden eine 2"7 Else Bohler, Duitsch Dienstmeisje ungeheure mystische Begeisterung, er ist Balte, wie Sie wissen, wenn auch ein refiner Germane; nur Sie mussen in Uniform kommen!" ,,In Uniform!?" ja, als S.A.-Mann. Sonst geht's nicht. 0, das haben wir schon ofters gemacht, wir sagen: aus Halle, oder Essen, darauf wird nicht geachtet. Man kann ja sehen, dass Sie kein Jude sind, das ist die Hauptsache. Der lange Karwinsky wird Ihnen eine Uniform geben, der sitzt Ihnen wie gegossen... Nur den Revolver mussen Sie sich kauf en, oder borgen. Sie machen genau dasselbe wie wir: Deutscher Gruss, Sieg Heil, and Beim Salamander werden Sie schliesslich auch nicht durchfallen, sonst spielen Sie nur den Betrunkenen. Rosenbergs Ansprache wind namlich beschlossen von einem grossartigen Bierabend mit verschiedene anderen Festlichkeiten. Jedenfalls ist es fur Sie als Ausland,er machtig anregend so etwas mitzumachen, auch wenn Sie sich noch nicht Nationalsozialist nennen durfen. Aber das wird kommen. Schliesslich werden Sie fur die Bekundungen unserer Erhebung, die auch die Ihrige sein wird, nicht unempfindlich bleiben konnen !" Het slot klonk duidelijk ingestudeerd. Met .een hof felijke glimlach was Rothmann voor me blijven staan, en wachtte op mijn antwoord. Zou ik weigeren? Tenslotte verloor ik er niets mee, wanneer ik de uitnoodiging aannam en er was een kleine kans iets meer te weten te komen over Steinmann. Voornamelijk om geen achterdocht op te wekken had ik nog niet naar hem geinformeerd bij Rothmann en zij n vrienden. ,,Wenn ich Ihnen and Ihren Freunden keine Schwierigkeiten bereite.. . „O, keineswegs! Hier haben Sie die Adresse fur den Revolver. Der Mann kennt uns. Wenn Sie sagen, dass Sie S.A.-Mann sin,d and dass man Ihren Revolver gestohlen hat...” Met de revolver op mijn heup, een oogenblik was ik bang geweest door de mand te zullen vallen, toen de wapenhandelaar beter bleek te weten dan ik, dat hij „vorschriftsmassig" geladen moest zijn, wandelde ik naast den langen Karwinsky, in diens reserve-uniform gestoken, naar de feestzaal, die zich op een kwartier of stand beyond van de straat waar wij wo-onden. Er lag vrij veel sneeuw. Een ijskoud-e wind sneed door onze opgezette mantelkragen keen. Aan het eind van iedere straat, die wij in oostelijke richting afmarcheerden, schenen de bevroren steppen te liggen waar hij vandaan kwam. Wij kruisten een troep grauwe gestalten met houweelen, van de arbeidsidienst: stampende doodgravers. Mijn identiteit zat wat scheef: ik was nu geworden Friedrich Wendel, S.A.-man uit Halle, maar Karwinsky, de student met het van onderen opgeloste Danteprofiel, gewoonlijk de zwijgzaamste van allen, legde mij uit, dat niemand daar naar vragen zou; de f eestavond zou ,ganz zwanglos" verloopen, ik moest zijn voorbeeld maar volgen en zoo weinig mogelijk spreken. Af en toe reden ons groote auto's achterop, die S.A.-officieren vervoerden, naar mijn begeleiders mij uitlegden. Graag had ik door willen loopen in bun richting, de heele nacht door, gegrepen door de opwinding van gewapend avontuur of door de gewoonte van anderhalve maand fang of door angst voor de schelverlichte ingang met het op de wind zwellende en bobbelende hakenkruis er boven, dat in beweging scheen te geraken als een rad van avon tuur, maar Rothmann en een van de blonde medici pakten mij beet, alsof ik wel eens deserteeren kon, en voerden mij langs een rumoerige opstopping van bontkragen, petten met salueerende handen er naast, opgestoken arisen, zware, sneeuw afstampend,e laarzen of waarvan er een zelfbewust vooruit stond, naar een van de twee deuren, die de vestibule van het vereenigingsgebouw met de zaal verbonden. Wat ik verwacht had gebeurde niet: niemand lette op me. ,,Scha-de, deine Haare sind zu lang," fluisterde Rothmann, die me nu tutoyeerd,e en geen oogenblik mijn arm losliet, toen we onze petten en mantels aan kapstokken opgehangen hadden en de zaal betraden; om geld uit to sparen had ik in Duitschland mijn haar nog niet laten knippen; even dacht ik aan Else, voor het eerst op deze avond, -„das sieht nicht gut aus. Hast du keine Schere, Baumler, her, fur hinter den Ohren...?" ,,Bist verruckt," was het antwoord van den jongsten medischen student, ,dann sagt er nur, dass er eine Haarkrankheit hat..." Hij werd onderbroken door gebrul. Een levende wal van bruin schoof ons tegemoet. De zaal leek me geweldig: honderden tafeltjes, in het midden aan elkaar geschocven, heelemaal achteraan een tooneel met op het voordoek drie hakenkruisen als een cliche van gemartelde spinnen, vlaggen, vaandels, portretten van Hitler, Goering, Roehm, plakkaten en hertengeweien; tabakswalm; een galerij om de heele zaal heen (wij stonden onder het uitgebouwde logegedeelte) , waarboven telkens Pruisisch harde koppen opdoken met sterren. ,,Heil Hitler !" ,,Si-eg Heil!" jonge, opgetogen nazi's zoemden het Horst Wessellied. Er werden korte buigingen gemaakt, handen geschud; voortdurend kaatste „Friedrich Wendel, aus Halle" door de lucht en dan stak ik maar weer een arm op, of een been vooruit, en schreeuwde mee. Achter rijen studenten die mij omringden, herkenbaar aan hun Schmisse, onderdeelen van hakenkruisen over Wang of voorh,00f d, doemden an dere gezichten op van bruingekleede G ermanen : veel blond, veel stoerheid en geur van berkenschors, ja, maar ook Berlijnsche misdadigerstronies, smalle apachen uit Marseille, mongoolsch,e onderkruipsels uit het Finsche merengebied, kroesharige bengels zooals men ze in Port Said aantreft, Goebbels-achtige kereltjes uit het Ghetto, die een borst opzetten. Allemaal met revolvers. Een ontzaglijke Hunnengestalte met een hangsnor over zijn gele paardentanden zooals Himmler, de chef der S.S. die indertijd droeg, scheen mij voor iemand anders aan to zien en knoopte een gesprek aan: ,,Ha, der Emil! Du warst doch dabei, als wir das kommunistische Weibsbild ins Kreuz gesch,oss...?" ,,S.A.! Stillgestand en!!" Een rukwind vloog door de zaal. Als een woud van eikenhouten reclamezuilen stond all-es in de hooding, en 1k stond mee, voor den duivel, de blik gericht op een van de deuren, waardoor een aangename tocht de oksel van mijn opgeheven arm omspelen kwam, gevolgd door een troepje officieren en andere hoogwaardigheidsbekleeders, die, met een doodsbleeken, somberen man in burger in hun midden, als een executiepeloton met den ter dood veroordeelde, de zaal binnenschred-en, joviaal glimlachend en met lets zeemansachtigs in hun stap. Het troepje donderde langs de tafeltjes, begeleeid door „Heil"-geroep, en verdween ergens in -de buurt van het tooneel. „Keine grossen Tiere dabei?” „Fine Mordsgemeinheit, der Roehm ist nicht dabei!" „Infam!" ,,S.A. !... ! ! !" Nieuwe bevelen verdeelden het eikenhout in formaties en dreven ons naar de tafeltjes, waarbij Rothmann en Karwinsky zich weer van mijn armen meester maakten. Een schijnwerper streek met witte, bevende cirkel over het voordoek. In de buurt van een groot buf fet, waar geur van worstjes zweefde, vonden wij onze plaats aan een vrij groote tafel met een verward patroon van bierkringen op het blad. Wij waren 'ongeveer met ons tienen; ik had verschillende vragen te beantwoorden. Rothmann's mond stond open van geluk, ik zou nu in Holland kunnen vertellen wat discipline en kameraadschap te beteekenen had, d,eze avond zou lets geweldigs worden, het program-ma was nog niet eens bekend, wij hadden een van de beste plaatsen, vooraan zaten voo^ral de intellectueelen, situdenten en kantoorbedienden, om Rosenberg's re de beter te kunnen opvangen en later uit te dragen... ,,D-enn wir verurteilen die Intelligenz als solche nicht, Herr Doctor!" fluisterde hij ijverig, ,sie soil nur volkisch einge ettet...' De koperklanken van het Deutschlandlied deed iedereen weer opveeren. Het orkest zat vlak voor het tooneel; de schijnwerper op de loge was tot rust gekomen en deed zijn lichtcirkel niet meer beven. Wij zongen langzaam en religieus, 'een gebed voor de slag. Reeds was het zaallicht gedempt. Een roffel klonk. Een trompetstoot. De S.A.officieren hadden blijkbaar de galerij en de loge opgezocht. (Gemakshalve spreek ik bier van „off icieren" ; de werkelijke titulatuur onder de S.A. moet men mij kwijt schelden.) Het omhooggetrokken gordijn onthulde Alfred Rosenberg op een geheel leeg tooneel. ,,Sturmwind der aus dem Osten uber das alt-ehrwurdige Preussen zurnt herb, majestatisch strahlend Nordrasse Mythos Ost-Preussische Walder wo die hehre Heldensippe ihre von alien national fiihlenden Seelen heiss ersehnte Auferstehung feiern wird Dekadenz Tradition Fuhrer Wolfe des Internationalismus ihre Zahne fletschen letzte Aufgrabungen zeigen Reste des Hakenkreuzes auf germanischen Urnen Blut feil haben f ür Sippe, Weib, Kind, Gut Endkampf Schrei aus dem Nordlicht: Deutschland erwache! blond schwarz -- Cbergangsfarben wertvollere Erbmassen Kastration Erblichkeitslehre Dominanten drei mal schwarz, ein mal blond drei mal blond, ein mal schwarz mathematischen Limit anzusttreben rucksichtslosle Ausmerzung der jiidisch plutokratisch ungewerblerisch nich^tbodens,tandigen Rasseneinsprengungsrestbestande..." Dit was de rede van Alfred Rosenberg, uitgebracht op de sissende toon van een in het nauw gebrachte ruziezoeker, oogen met de Tschekablik, miskenning en wrok om oude kwellingen in het gelaat geschreven. Rothmann's ballonvormig voorhoofd glansdie mild, als geolied -tot nieuwe bespiegelingen. Andere studenten in mijn buurt hadden de handen over elkaar gelegd. Men luisterde als naar een evangelie. Na afloop geen applaus, maar mijn longen werden opnieuw op de proef gesteld : ,Sieg Hell!!" Bij het aangeflitste zaallicht zag ik op de galerij aan de overkant de Pruisische koppen bij elkaar gestoken. Een schmetternde Marsch zette in, Hitler's lievelingsmarsch, naar Rothmann verklaarde (dus ook Rothmann's lievelingsmarsch, ook al zou hij zijn Leven lang het land aan marschen gehad hebben), die overigens wat de redevoering betreft tegenover mij een opvallende reserve aan den dag legde. Elk zaad kiemt het beste in stilte. Door de zaal bewogen zich nerveuze kellners, groote bakken met bierglazen voor hun bulk. ,,Was wird jetzt kommen?" ,,Wieder so etwas wie die Antitinterevue bestenfalls. Fur die Kinder." Karwinsky was het die dit smalend zei. E-en zware stem achter ons onderbrak hem. Het was daar een rumoerige tafel, andere elementen waren naar voren gedrongen na de geestelijke spijziging der studenten. 1k herkende de Hun, die mij „Emil" genoemd had en die mij nu met een kwaadaardig gezicht zat op te nemen: ,,Wer ist hier Herr Doctor?!" ,,Das ist sein Spitzname," riposteerde Karwinsky vaardig, en tegen Rothmann, die geschrokken achterom keek: ,,Dummes Luder..." ,,Prosit!" ,,Heil !" Terwijl wij onze glazen ad fundum leegden, na een paar gemakkelijk te imiteer-en handgrepen, schuiven over de tafel in cirkels, en dgl., weerklonk een electrische schel. De glazen klapten neer. Vegende handruggen legden meteen de monden het zwijgen ,op. Vanuit het marschtrio was de muziek uitgegleden naar een ironisch aansluipend;e wals, als een Daunenkisssen zoo week, steunend op de proestende springveermatras van een zachte bekkendrieslag. Van de galerij waren de Pruisische koppen verdwenen. Weer dempte het licht, weer schoot de schijnwwerper dwars door melkige rookwalm tastend over het gordijn, en voor de tweede maal sneed •door het uitstervend stemgemurmel het gerinkel van de schel. Toen ik weer naar het tooneel keek, was het doek opgehaald en de wals vervangen door een soort polka. Tot nog toe had ik geen oogenblik aan Steinmann gedacht, zelfs niet bij dat „Antitinterevi e" van Karwinsky, dat me hem toch in herinnering had moeten roepen. Ik voelde me soezerig en onverschillig; het bier begon me reeds naar het hoofd te stijgen, ik had weinig gegeten die middag. Worstgeur uit de richting van het buffet vermengde zich met een soort schminklucht die van het open tooneel kwam aanwalmen en die nu een kind van me maakte, dat voor het eerst in een circus zit of bij „specialiteiten". De meneer in frak, die vanuit de coulissen aanschoot, een boulevardfiguur met een pikzwart sikje en een wandelsstokje, kalkwit onder bet licht van de schijnwerper, was een goochelaar voor me van een kindermatinee en h,et verbaasde me geenszins Fransche woorden op te vangen uit het liedje dat hij heesch en cynisch aangeheven had op de huppelende polkamaat van de muziek. Het achterdoek stelde een groote kaart van Europa voor met een hakenkruis op ,de plaats van Berlijn. „Die kind erl osen Niariages Bereiten unsrem Heer Blamage, Ich f iircht' Ihr seid mir uberlegen In Sitten and in Kindersegen!" Het wandelstokje echter cirkelde zelfverzekerd. Niet , voordat ik over Rothmann's schouder meegelezen had, begreep ik wat zich bier begon of te sppelen. „Europarevue", stond op het slordig gedrukt programma, dat in de halfduistere zaal verspreid was, ongemerkt, bij wijze van verrassing, ,,Parodie auf Deutschlands Feinde, von Rudolf Steinmann", en in kleinere letters: ,,Eine internationale Selbstverhohnung in spitzen Vierzeilern." De rest was niet te ontcijferen. Ik kreeg de indruk, dat Rothmann en zijn vrien-den dit papier opzettelijk voor mij achter hadden willen houden, en na twee, drie nummers begreep ik ook waarom. In deze ope-envolgi,ng van gecosturneerde voordrachten, die al was het -maar alleen door de kostbare, authentieke costuums, aan het oude Cberbrettl deden denken, traden personifieeringen op van vrijwel alle landen van Europa (en waarom Holland dan niet?) waarmnee Duitschland een appeltje te schillen had. We hadden nu Frankrijk gehad, dat zijn eigen genotzuch,t hoonde en met knikkende knieen van het tooneel verdween, en opgevolgd werd door John Bull met een gewatteerde onderkin. Op de meest masochistische wijze tastten deze aan de kaak gestelde landen zich in hun zwakke punt; de zoutelooze toespelingen waren, althans in dit verpo-li'tiekte milieu, voor het middelmatigst verstand versta.a.nbaar. Engeland's politiek van onoprecht schipperen werd gehekeld, Rusland's communistische propaganda. Lachsalvo's en bravogeroep beloonden de kunstenaars die daar hun vaderland dienden in zelfvernedering. Ineens voelde ik, dat na Rusland Holland aan de beurt zou zijn, het gefluister van Rothmann en Karwinsky leek mij veelbeteekenend. Misschi,en was de meest of f ectrijke volgorde inderdaad: Holland na Rusland. Juist toen ik mij naar Rothmann overboog en hem vroeg of Rudolf Steinmann zelf de auteur was van al die liedjes, wist ik, dat Holland reeds het tooneel had betreden, niet door de muziek, want die hield geen rekening met volksliedmotieven of volksaard en bleef bij zijn onnoozele polka, maar door het bulderend gelach, dat de zaal begon te vullen. ,,...unverbindliche, harmlose Scherze... wird in ganz Deutschland auf treten... abgeandert je nachdem... aktuelle politische Lage... Holland, Sie verstehen. . 0" Hij fluisterde nog door, toen ik Holland ook te zien kreeg. Een stevig gebouwd Volendammer boertje (niet Marker, zooals later de tekst van de voorgedragen strofen v000ronderstelde) stond wijdbeens op het tooneel, gul lachend, handen in de zakken van de wijde, zwarte pofbroek, de bulk met de twee zilveren gespen van de broeksband een beetje brutaal vooruit gestoken. Naast de twee Witte klompen helde een bordpapieren eend op wieltjes pikkend voorover, door de onzichtbare linkerhand voortgetrokken aan een touw, dat ook niet al te best te onderscheiden was. Des te beter sprongen -evenwel de vuurr'oode, tot twee slippen gekn000pte das in het oog, het rose, doch in tegenstelling tot de andere artisten ongeschminkte gezich- t, en het blonde, gegolfde haar, dat in het licht heviger begon te glanzen, toen de gedaante haar rechterhand omhoog bracht en een fiksche duw gaf aan de muts van ruwe, zwarte stof. Het voorhoofd kwam vrij, de glimlach werd breeder rondom witte, gelijkmatige tande,n, fijngepenseelde wenkbrauwen trokken zich schelmsch en vol verstandhouding op boven zware oogleden, de hand zat weer in de broek, de muziek was z000ver.. . ,,Mieneer wünscht Zuhlung eurer Schulden, Tenn auch die Hose roll mit Gulden ..." Krachtig schuddend bewoog zich de rechterhand been en weer, waardoor de geplooide pofbroek wel tweemaal zoo wijd scheen te worden .. . „Das wird bezahlt von eurem Schweiss, So Schwarz auf Weiss wie Fliegenscheiss!" Donderend gelach! De stem, de stem van een vrouw, een meisje, was wat onvast geweest, te sterk vibreerend, maar met een populaire galm erin, en goed verstaanbaar. Gesis gebood stilte. Alsof er een knix gemaakt moest worden golfde het zwarte lichaam van boven tot onder. De glimlach was breed en rustig. „Die Emigranten, hergelaufen, Die konnen wieder Tinte saufen. Als internationaler Engel Hab' ick die Hos' voll Judenbengel!" Zelfs aan mijn tafeltje brulde men nu. Dit was verreweg het grappigste van alle nummers; niet alleen de politiek was grappig, maar wat men te zien kreeg, en wat, onzichtbaar, gesuggereerd werd ... Had men in die machtige, zwarte buik, tweemaal naar voren schokkend en nu door het zijwaartsch gebaar der beide handen verbreed, de Judenbengel niet over lelkaar heen zien kronkelen als kleine, vieze foeten? „Um das Proletariat zu retten Hab' ick die Hose voll Pamphlette. Und Moskau zahlt mir all den Schund, So fahre ick ganz Deutschland rund." „Sie, Herr Doctor!" Rothmann viak aan mijn oor, ,schauen Sie nicht so verdutzt. Bitte! Das ist alles nur wegen van der Lubbe... Eine harmlose Anspielung, bi tte ! Trinken Sie mat!" „Ick bin hierher gereist aus Marken! Ick bin so schmutzig wie ein Farken! Ian Maul stecken mir keene Plomben, Dafur hab' ick die Hos' voll Bomben!" Hetzelfde gebaar. Wat zat er al niet in die pofbroek, Welk een surprises. Maar na dit couplet wijzigde zich de toon, werd van luchtig ernstig en nadrukkelijker galmend; de zwartgekleede figuur gal zich zelfs over aan ^een poging tot acteeren, vouwde de handen over elkaar en keek zoekend om zich h,een, terwijl de begeleidende muziek het tempo vertraagde. De toespelingen op den stichter van de Rijksdagbrand werden nu overduid.elijk: ,,Und wenn ick seh ein Staatsgebaude, Kratz ick be.f riedigt meine Rdude: Es wird verschwind en, Stein and Fug, In Flammen and in Brandgeruch." Karwinsky en Rothmann wisselden een paar woorden; ik verstond: ,geschmacklos". De Hun achter mij loosde een obsceen geprinnik, maar ik hoorde ook hoe hem het zwijgen opgelegd werd. Andere studenten keken in mijn richting. Bij mijn onbeschrijflijke ontreddering, een gevoel als-of ik van binnen uitgeho-ld was en niet meer recht. op kon blijven zitten dan in de uiters^te verstarring, als kristallen omhulsel van mijzelf, bedacht ik toch nog, dat zij voorzichtig moesten zijn voor de oningewijden en mij niet probeeren to troo-sten. Voortdurend herhaalde ik: Jk ben Wendel uit Halle, Roodenhuis is weg, maar hij zal weer pier komen." En deze to,ekomstige toenadering tusschen twee half fictieve individuen werd als het ware hoof dmotief, model voor mijn geheele geestesgesteldheid. Er moest iets bij elkaar gebracht worden, maar wat? Else Bohler had ik herkend op het moment, dat ze de visschersmuts achteroverschoof, maar was zij Else Bohler van de Andromedastraat, het platje, het lachje wel? Had ik haar ooit gezoend? Was het antwoord ,mieneer", waarmee haar eerste couplet had aangevangen, hetzelfdde ,,mien-eer", dat ze tegen mij gezegd had, vroeger in Holland? Dat moest in ieder geval nader ond-erz-ocht worden. Zonder er mij rekenschap van te geven had ik nog een glas bier leeggedronken en luisterde nu, met een zekere half tevreden nieuwsgierigheid, zweetend en versuft, naar het jubelend ingezette laatste couplet. ,,Doch wenn am Ende euer Fuhrer Be f ehlet: ,S.,I.! Zinnexieren! Denn Holland treibt es viel zu toll,' Dann habe ick die Hose voll!" Gestamp, gejoel, uitzinnig „Heil"-geroep besloten deze triomfantelijke woorden. Men stond op, met hoog-geheven armen, men gilde: „Holland annexieren," en: „Van der Lubbe, verrecke !" Het Volendammer boertje, dat zich bij de slotregel met een toepasselijke geste omgedraaid had, als om nog eens over de omvang van de pofbroek, waar zooveel in kon, te laten oordeelen, dankte glimlachend in alle richtingen en legde zichzelf geen dwang meer op wat betreft de neiging tot het maken van knixe. Van alle Duitsch, e meisjes, heb ik later bedacht, was Else Bohler misschien wet het meest geschikt voor deze rol: door haar boersche postuur, haar gezonde kleur die geen schmink behoefde, haar verblijf in Holland (maar daar ko'n alleen ik over oordeelen... ), haar argeloosheid en fatsoenlijkheid, die haar tot zusje maakten van al die met fatsoen dwepende jongens... „Heil Hitler!" „Sieg Heil!" „Schones Maddel, was?!" Werktuiglijk schreeuwde ik mee, met mijn hand omhoog, werktuiglijk zag ik hoe na minutenlange toejuichingen Holland vervangen werd door Tschech,o-Slowakije, en ik luisterde naar de commen taren om mij been, en naar de schuivende stoelen, de huppelende muziek, ,en naar mijn innerlijke verwarring, waarvan ik niet zeggen kon of zij uit zou loopen op een inzicht of op een daad... ,,Es war fur uns alle unangenehm, Wendel," suste Rothmann's stem, fluisterend tusschen de muziek door, ,wenn man das vorhergesehen hatte! Aber Sie... du bist nicht kleinlich, was? Wir mussen Bruderschaft trinken, wenn die Revue zu Ende ist. Du hast mir noch niemal.s gesagt," dit was de eerste keer, dat hij een toespeling maakte op wat ik hem toevertrouwd had over Else, zijn bedoeling was blijkbaar om mij of to leiden, „noch niemals gesagt ob du schon etwas gefunden hast. Noch nichts? Das Madchen, mmeine ich, define Verlobte... Ach, wir sind alle ungluc. klich, du and ich auch...", zijn bieradem streek over mij heen, Tschecho-Slowakije was aan het tweede couplet, Ober du sollst nicht kleinlich sein, wir haben unsr,e Sache auf Holland geseltzt, das wird alles kommen, man muss durchhalten. Ich hatte ein Madchen, eine Halb_ judin, oder eine Viertel-Judin, sie hat mich geliebt, sie hat Gift genommen, Herr Doctor, das ver..." Ik was opgestaan. Wat mij bezielde weet ik niet weer, ik was volkomen leeg. Ik hoorde mijzelf zeggen: ,,Ich mochte ein Glas Wasser trinken..." Wankelend op zijn beenen stond Rothmann mee op. ,,Dort, in der Ecke, die Toilette, dort..." Even streek mijn blik langs het donkere Danteprofiel van Karwinsky. Een andere stem: ,,Was macht denn der Unpolitische?" , ,,Wendel, Idiot!" ,,Sitzen ! !" snauwd:e het rauwe geluid van den Hun, die mij „Emil" genoemd had en, 'op een verklarend gebaar van teen van de blonde studenten: ,Ach was, mir pla'tzt die Blade auch schon..." Rothmann liet mij gaan als.of hij mij prijsgaf aan de elementen. „Dora in der Ecke." Ik liep langs het buffet met de worstgeur, langs twee tafels met S.-A.-mannen, ik was bij de ^deur. In de koele gang waartoe de deur toegang verleende dacht ik werkelijk te zullen gaan drinken. Het was er zoo koel als in het gebergte. Maar een reeks woordassociaties liep voor mij uit als een troep opgejaagde muizen, en zoo kwam het dat ik een andere deur opende dan die van het toilet: ,,WendelKarwins .ky- Karwendelgebirge-Wettersteingebirge- Steinmann." En, wat ik ook wist, want ik droeg zijn uniform: „Karwinsky heeft in de revolutiletijd twee communisten doodgeschoten, Karwinsky, Karwendel, Wetterstein, Steinmann.' Door die andere deur kwam ik in een donkere gang die bij een trap eindigde, ik klom de trap op, het werd lichter, warmer, en daar hoorde ik het applaus voor Tschecho-Slowakije uit de zaal losbarsten, niet achter mij, zooals ik eigenlijk verwacht had, maar vlak voor mij, zoo voor het grijpen en met and-ere, hollere echo's erbij. ,, i tte ?" Een soort tooneelknecht, maar toch weer met een pet op, versperde me de doorgang. Aan beide zij den gleed he licht langs zijn onderkin. De woorden die ik tot hem richtte kwamen als in dr000m. ,,Ich habe eine..." ( wou ik zeggen, een woord dat Else Bohler wel gebruikte) , ,eine... eine Meldung fur Herrn Steinmann. Es hat Eile." Zijn hand ging in de hoogte, hij liet me do-or. Nu dwaalde ik een nieuwe wereld binnen. Met het verveelde gemak van beroepsartisten stonden daar John Bull, de kozak, de boulevardier, tusschen de coulissen te babbelen. Schmink geur, muffe geur van lang ingepakte costuums sloeg mij op de keel. Van het tooneel kwam op de huppelmaat van de discreet gespeelde polka: „Doll f uss, der Millimetternich, Er lasst die Pf a f f en nicht im Stich, Er.......................... » Na om de rechterhoek van het tooneel heen gezwenkt te zijn, langs tooneelknechts, inspicienten en acteurs in nationale kleederdrachten die ik niet thuis wist te brengen, zag ik Else Bohler staan in haar Volendammer costuum, vlak bij een brandweerman, heelemaal aan het andere einde van het achterdoek. Blind tastend liep ik tusschen muur en doek op haar toe. Ze stond daar in een brutale houding, blozend en met haar handen in de zakken van de zwarte, grove, wijde broek, alsof ze zich nog steeds bekijken liet, en toch in een eigenzinnige eenzaamheid geisoleerd van de andere zangers, die nu ook aan die kant van het tooneel voor mij opdoemden, wachtend waarschijnlijk op het sein voor een slotapotheose, waarvoor ze allemaal weer op het tooneel moesten. Kleeedkamers schenen er niet te zijn, geen deur onderbrak de witgekalkte zijmuur, waarlangs stuk voor stuk de gecostumeerde artisten in mijn gezichtskring gleden, en daar zag ik ineens ook de witte manen van Steinmann, die druk gesticuleerde in de richting van het tooneel. Noch hij noch Else herkenden me. Ik zag hoe belachelijk kort haar beenen waren. Ik zag de rechte, jets vooruitspringende neus, de eigenwijs geplooide mond, bigot en laatdunkend, de knalroode wangen. Ik zag hoe haar ronde, uitpuilende oogen nog steeds hetzelf d ,e stille gevecht leverden met de kolossale oogleden die er haasit niet overheen konden. Maar tevergeefs trachtte ik een 273 Else Bohler, Dultsch Dienstmeisje 18 brug te slaan tusschen dit nazi-tooneel en de Andromedasstraat, tusschen het dienstm^eisje van Erkel,ens met haar mythologisch lachje en deze vreeselijke, door jodenbengels en brandbom;men bevolkte pofbroek. De of stand daar - tusschen was grooter, ontmoedigender dan de reis die ik afgelegd had met al mijn Berlijnsche zwerftochten erbij. Niet mijn hachelijke situatie als wederrechtelijk binnengedrongen pseudo-S.A.-man kreeg me daar weerlo-os en klein, maar d,e nieuwe, volkomen onverwachte omgeving waarin ik Else eindelijk had gevonden, daar waar ik haar vroeger nooit ontmoeet had in het bijzijn van derden zelfs. Geen smachtende verliefdheid of jaloezie beheerschten me op dat moment, alleen desorientatie, en alleen om daar hulp tegen te zoeken naderde ik Else Bohler en sprak haar , aan. De spottend glanzende bikkels, die me tegemoet sprongen, waren tegelijk vertrouwd ten gevaarlijk als van een vreemde. ,,Else... du kennst mich noch... Ich babe meine Haare wachsen lassen..." Het drong niet tot haar door. Neen, ze herkende me niet. Ze keiek niet eens vragend of verbaasd. Voor haar was ik een S.A.-man, die onbegrijpelijke ,dingen zei, een van d,e vele juichers van zooeven. Trotsch afwijzend was haar gelaatsuitdrukking, maar oak alsof ze aan totaal andere dingen dacht. En hoe meer ze me zoo aankeek vanonder die schippersmuts, die haar scheef op het hoofd stored, des te sterker werd mijn verlangen terug te gaan en haar op te geven, haar over te laten aan een carriere en een yolk waarme,e ik niets gemeen had. Steinmann naderde, levendigen met jeugdige, veerkrachtig wringende stappen. Zelfbewust stak zijn neusje voor - uit, de pruik wuif-de en danste. Tusschen hem en Else was een afstand van misschien nog zes meter. Een laatste poging: ,,Else, kennsst du mich nicht? Ich bin es doch. was, Quatsch!" Tweemaal hoekig molenwiekend, nog altijd op dezelfde manier als toen ze mijn buurmeisje was en bij Erkelens diende, tweemaal, met beide armen, liep ze Steinmann tegemoet. Nu kleurde de roode das vlak onder de leeuwenmanen. Steinmann pakte haar vast en hartelijk bij haar schouders en zei lets dat ik niet verstond. (Tijdens de rechtzitting heeft Else verklaard, dat hij haar een contract aanbood voor de heele tournee ; haar optre-den op deze avond was een proef geweest.) Ik zag hoof dzakelijk zijn bril en de lachrimpeltjes er omheen, -de openhangende mond van beduimelde stopverf. Maar jaloersch was ik niet. Ik steldee vast, da-t men mij overwonnen had, dat ik terug moest gaan. Op dit oogenblik, juist toen de muziek zweeg en het applaus vanuit de zaal weer begon aan te zwellen, stak Else Bohler haar rechterarm omh,00g, draaide zich met een snelle, enthousiaste beweging even kwart slag om, haar oogen glinsterden dol, en daar hoorde ik boven al het rumoer uit van stamper e voeten, „Heil"-kr-eten en ,,Doll - fuss, verrecke !" voor de tweede maal van mijn leven het woord ,Schutzkaffee" of wat het geweest kan zijn, uitgeschaterd met dezelfde uithaal als vroeger: een uitdagend rein van jeugd en luchthartige levensluust, dat mij evenwel onmiddellijk verplaatste in tijd en gemoedstoestand van een half jaar terug, toen ik met Else v000r het laatst in het park had geloopen. De spanning tusschen het nu en het toen ontlaadde zich in de wensch alles te verdelgen wat niet met dat park te maken had. Als ik alleen met haar was, dan zou ieder raadsel opgelost worden en iedere kloof , tusschen schijn en werkelijkheid gedempt ! Steinmann's beeld als zoodanig wekte geen wioed,e op, maar Steinmann stond het dichtst bij Else, in de halo van het wooed. ,,Schützkaffee" en zijn verschrikkingen, hij was het die die tijd belette terug te stroomen, hij belette mij jaloersch te zijn meer dan ik het op hem was! Een koud, razend ongeduld, maar vooral het onvermogen om de aanwezigheid van den derde nog als logisch verdedigbaar te zien, bepaalde mijn greep naar de revolver. De pal overgehaald; zes Joffe, h,out-achtig klinkende schoten, die elkanders echo schenen te zijn; van Else geen indrukken meer; gegil van de oms,tanders, Oostenrijk, Belgie en joego-Slavie**, die het .tooneel opvlogen met de handen voor het gezicht; het bemoeilijkte gebrom van den in buik en borst getroffene, dat mij nog deed d,enken aan de manier waarop hij ,,bedaure" gezegd had, een wijd, toch snel inkrimpend geluid, belachelijk contrast tot de karige bloeddruppels, die zooveel kleiner waren dan het geluid en de kruitlucht en de springende gestalten om mij been. Ik heb van dit alles weinig gemerkt. Alleen wat woorden flitsten door mijn brein: ,Karwendel," „verzeihe," en inzond ,erheid het goed-Hollandsche: ,dat gesodem... moet uit zijn," telkens opnieuw op huilerige toon herhaald, een diepe afkeer uitdrukkend van de Duitsche taal en van Duitsche dienstmeisjes en van alle verwikkelingen waarvan die zes knallen me hadden bevrijd. Pas de schroef om mijn rechterarm bracht mij tot een ondubbelzinniger werkelijkheid terug, en de diep verbaasde gorgels!telm van den brandweerman: ,,Du... du... du... Schwein!" .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . ja, nu ben ik aan het eind gekomen van mijn voo,rraad. De drie dagen, die mij nog resten, kan ik besteden met alles nog eens over te lezen; ik zou dit geschrift willen lezen als een tragische en hier en daar humnoristische roman, een echte „roman" inderdaad, met een Jiteraire" verzorgdheid die ik niet vermijden wilde, omdat men tenslotte niet met bl,oed en etter schrijft, zelfs als gevonniste, maar met gewone inkt, een roman, die mij twee weken lang voor de dood beveiligd heeft, en die de dood van den ander, van Steinmann, niet lernstiger schijnt te nemen dan de m,evrouwen op de Waalweg en de aapmensch en de dwerg. Zij alien zijn op hetzelfde plan gekom. en : warreling van beelden, die nu opmerkzaam stilstaan in mijn bewustzijn. Graag zou ik nog wat over Steinmann mededeelen, maar ik weet niets van hem of dan ik reeds opgeschreven heb. Door de autoriteiten is alles wat een schandaal zou kunnen verwekken op vastberaden wij ze onderdrukt: zijn relaties met Roehm en al het andere. Zoo onbetwijfelbaar kwam door de getuigenverklaringen der studenten vast te staan, dat jaloezie de drij f veer van de moord was geweest, dat er niet eens aandacht werd geschonken aan mijn door Else's voordracht beleedigd nationaal gevoel ! Het woord ,Schutzkaffee" hanteerde men omzichtig, als een curiositeit. Else wist van niets. Zij kende dit woord niet. Het gaf een pijnlijk moment van verwondering, toen zij ook het woord , SchUtzstaf f el", dat er iets op lijkt, niet bleeek te kennen, maar men verontschuldigde dit door te wijzen op haar verbiijf buitenslands juist in het jaar der nationale Erhebung. Het woord ,Schu-tz ,enfest" kende zij wel, maar dat is het ook niet geweest. Ik moet dus aannemen, dat het woord ,Schutzkaffe,e" niet bestaat, of beter gezegd: niet in staat is een zelfstandig bestaan to leiden buiten mijn herseneen. Des te beter. Niemand hoeft verder onder dit woord te lij den. Ontmoet ik haar nog, een dezer laatste dagen, maar dan moet het snel gebeuren en nu twijfel ik er toch weer aan, 'dan zal ik er niet naar vragen. Dat hoort trouwens bij de tactiek. Om Else niet te belasten of te vernederen heb ik gezwegen zooveel ik kon en de belooning ligt hier vaor me, want ik begin langzamerhand te gelooven, dat men mij deze schrijfben,00-digdheden heeft toegestaan hoof dzakelijk uit dankbaarheid omdat ik niets ,,onthuld" heb en, misschien, omdat ik de staatspoliti,e van een lastige taak heb ontheven. Ik was ,onschuldig, on partijdig, „unpolitisch," en nu laat men mij mijn gang gaan. Deze papieren komen nog wel over de griens. Vaarwel, Peter. En nu? Ik zou graag nog willen weten of zij ,,unberuhrt" en mij trouw gebleven is, maar ook dit eigenlijk alleen uit nieuwsgierigheid. Haar verklaringen over haar verhouding tot Steinmann zijn even vaag gebleven als die van Frau Koch. Zij bevestigde, dat hij haar ten huwelijk had gevraagd; over alles wat daarmee samenhing sprak zij met een minachtend,e spot, getemperd slechts door haar verlegenheid. Maar tot driemaal toe heeft ze gezegd, dat ze altijd van mij was blijven houden... Het doet er ook zoo weinig toe. Helderder dan ooit te voren zie ik in, dat liefde en haat geen drijfveeren zij ,n voor onze handelingen, drijfveeren om jets naar ons toe te halen of van ons of te stooten, in bezit te nemen of te verdelgen, maar verschijningsvormen van de macht die ons in de banen leidt onzer bestemming, en deze bestemming, al weer, ligt hier voor me, in de gedaante van dit koortsachtig volgeschreven papier. Dit papier is het, dat de ^onvoorwaardelijke overgave mogelijk heeft gemaakt, die ik eens tegenover Peter's scepticisme verdedigde! Want ni-et aan de schijngestalten kan men zich overgeven, die al onze med,emenschen, dus ook de vrouwen, voor ons zijn, doch alleen aan de innerlijke realiteit. Else Bohler heeft in haar eigen irreeel wereldje geleefd; geh,eimzinnige krachten, waar zij niets van afwist, bereikten mij. Maar ze bereikten mij om omgezet te word,en in realiteit, om hun zinnelooshei,d te verliezen ! Laat Peter's formule juist zijn, die van het ,moedercomplex". Een woord als een an,der, even duister en onred;elijk als „Schiitzkaffee". Moet ik niet blij zijn, dat het zinnelooze, dat iedere liefde aankleeef t, mij tegemoet is getreden in dit symbool: dat ik het heb kunnen neerschrij ven en uit mij bannen? Alles wat ik in het begin schreef over de liefde en de Corinthiers herroep iknu,,enwatoverschiet is niets antlers dan wat dankbaarheid voor Else Bohler, omdat zij mij tot de daad gebracht heeft, die mij van haarzelf verloste, niet van haar beeld, maar van de werkelijkheid (O'nwerkel"kheid) waarin ze ............ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De cipier was hier. B,ez,oek. Snel schrijven. ,Kitzliges Gefühl in Nahe Herzens." Vooruitzicht van de barm,eidenoogen, de k-orte beentjes, het lachje van Waalweg, verloren paradijs. Zoo kan men niet sterven, 'dit is beter dan pen en papier. Liefde? Ja, het zal wel liefde zijn. Laat niemand zich ooit daar meer voor schamen, voor dat woord. Deuren, voetstappen, rinkelen van sleutelbos. Snel. ja, gekwetter ,en gesnater! Nog tien tellen misschien! Doorschrijven. Else Bohler. Else Böhler. Else. Else Else Else Else El... N IJG H & VAN DITMAR N.V. DRUKKERS ROTTERDAM