audio

oude gedichten in nieuwe gedaante

De dbnl maakt een begin met het aanbieden van geluids- en videofragmenten. Jean Pierre Rawie leest Bredero, Dullaert, Hooft, Huygens, Revius en Van den Burg. De Dichters uit Epibreren vertolken in hun eigen toonzetting het geuzenlied ‘Slaet op den Trommele’, en werk van Hein Boeken en Paul van Ostaijen.


De opnamen van het voorlezen door Jean Pierre Rawie werden gemaakt tijdens het jaarlijkse congres van de Werkgroep Zeventiende Eeuw, op 30 augustus 2002 in het Rijksmuseum te Amsterdam.
 

De opnamen van De Dichters uit Epibreren (Bart FM Droog en Jan Klug) werden gemaakt tijdens de officiële presentatie van de website van de dbnl, op 21 juni 2002 te Leiden.

 

Jean Pierre Rawie leest voor:

- G.A. Bredero, Liedeken (uit: Groot lied-boeck, 1622)
- Hermanus van den Burg, Weest jonge maagden wel bedacht; geeft op geen' minnaars eeden acht (geciteerd naar Gerrit Komrij, De Nederlandse poëzie van de zeventiende en achttiende eeuw in duizend en enige gedichten, 1986)
- Heiman Dullaart, Aan myne uitbrandende kaerse (geciteerd naar Gerrit Komrij, De Nederlandse poëzie van de zeventiende en achttiende eeuw in duizend en enige gedichten, 1986)
- P.C. Hooft, Sonnet (geciteerd naar Gerrit Komrij, De Nederlandse poëzie van de zeventiende en achttiende eeuw in duizend en enige gedichten, 1986)
- Constantijn Huygens, Gebed over des Heeren avond-mael (geciteerd naar Gerrit Komrij, De Nederlandse poëzie van de zeventiende en achttiende eeuw in duizend en enige gedichten, 1986)
- Jacobus Revius, Aenvechtinge (uit: Over-Ysselsche sangen en dichten, 1630)
 

Gedichten op muziek gezet door De Dichters uit Epibreren:

- Hein Boeken, Een stad (uit: De Nieuwe Gids, Vijfde jaargang (1890))
- Paul van Ostaijen, Vers 6 (uit: De feesten van angst en pijn, 1918-1921)
- M. Arent Dircxz. Vos, Slaet op den trommele (uit: Het Geuzenliedboek, zj)



geluidsbestand

G.A. Bredero, CXLVII Liedeken   

Op de Wyse: Wellustige jongelingen, dat eedele
 
Snachts rusten meest de dieren,
Oock menschen goet, en quaat,
En mijn Lief goedertieren
Is in een stille staat:
Maer ick moet eensaam swieren,
En cruysen hier de straat.
 
Ick sie het swierich dryven,
Ick sie de claare Maan
Ick sie dat ick moet blyven
Alleen mistroostich. staan,
Ach lief wilt my gheryven
Met troostelijck vermaan.
 
Ach Lely hoogh verheeven
Verheven in mijn sin,
Mijn hoope van mijn leven,
Ghewenste, schoon Vriendin,
Wilt my u jonstich gheven
Een lieve weder min.
 
Met hoop en vrees bevanghen
Met een ghestaeghe stryt
Van sorghen en verlangen
Verwacht ick nu ter tijdt
Van u myn troost t'ontfangen
t'Woort, daar men lang om vrijt.
 
Myn vruchteloos verwachten
Myn commer niet en blust,
Sult ghy my heel verachten
Och voester van mijn lust
Maer siet ick onbedachte
Claagh nu, sy leyt en rust.
 
Och slaapt ghy myn behagen,
Dewyl ick doe myn clacht?
Wat baat my dan myn claagen
Nu ghy den dooven slacht,
Ick salt gheduldich draagen,
Ick wensch u goede nacht.
 
Adieu Prinsesge jeughelijck
Mijn Vrou van mijn gemoet:
Adieu en droomt gheneughelijck,
En slaapt gerust en soet:
Ach tis my soo onmeuchlijck,
Te rusten als ghy doet.

geluidsbestand

Hermanus van den Burg,
Weest jonge maagden wel bedacht;
geeft op geen' minnaars eeden acht

Hoe menigmaal heb ik myn Fillis, niet gezwooren:
   Dat gy alleen van my op 't krachtigst wierd bemind;
   Dat uwen heldren glans myne oogen had verblind;
En dat ik was alleen voor u op aard' geboren?
 
Ik noemde u steeds myn lust, myn vreugd, myn uitverkoren;
   Gedroeg my menigmaal van liefde als gantsch ontzind,
   En storte op eenen dag, meêr traanen dan een pint,
Of zwoer, dat zonder u, 'k voor eeuwig was verloren.
 
   Dan riep ik: welk een mond! wat Goddelyk albast!
   Ach Venus! maak my doch altoos aan Fillis vast;
Zy is voor my, en ik alleen voor haar geschapen!
 
   Maar, zoo gy weeten wilt, wat dat de waarheid zy?
   Ik minde wel uw' schoon maar niet myn slaaverny:
Myn pooging was alleen, om eens by u te slaapen.

geluidsbestand

Heiman Dullaart, Aan myne uitbrandende kaerse

O haast gebluschte vlam van myne kaers! nu dat
Gy mynen voortgang stut in 't naerstig onderzoeken
Van nutte wetenschap, in wysheidvolle boeken,
   Voor een leergierig oog zoo rykelyk bevat,
   Verstrekt gy my een boek, waar uit te leeren staat
Het haast verloopen uur van myn verganklyk leven;
Een grondles, die een wys en deuchtzaam hart kan geven;
   Aan een aandachtig man, wien zy ter harte gaat.
   Maar levend zinnebeeld van 't leven dat verdwynt,
Gy smoort in duisternis nu gy uw licht gaat missen;
En ik ga door de dood uit myne duisternissen
   Naar 't onuitbluschlyk licht, dat in den Hemel schynt.

geluidsbestand

P.C. Hooft, Sonnet

Gheswinde Grysaert, die op wackre wiecken staech
   De dunne lucht doorsnijt en, sonder seyl te strijcken,
   Altijt vaert voor de wint, en yder nae laet kijcken;
   Doodtvyandt van de rust, die woelt by nacht by daech;
Onachterhaelbre Tijt, wiens heeten honger graech
   Verslockt, verslint, verteert, al watter sterck mach lijcken;
   En keert, en wendt, en stort Staten en Koninckrijcken;
   Voor yder een te snel hoe valdy my soo traech?
Mijn Lief sint ick u mis verdryve'ick, met mishaghen,
   De schoorvoetighe tijdt, en tob de langhe daghen
   Met arbeydt avondtwaerts; uw afzijn valt te bangh.
En mijn verlanghen kan den Tijtgod niet beweghen,
   Maer 't schijnt verlanghen daer zijn naem af heeft ghekreghen,
   Dat ick de Tijt die ick vercorten wil, verlangh.

geluidsbestand

Constantijn Huygens, Gebed over des Heeren avond-mael

Ghij maeckte Water Wijn: dat's klaer als wijn of water;
   En 'twas een wonder-werck. Ghij noemde Brood uw Lijf,
   En Wijngaerd-sap uw Bloed, en 'twas een tucht-bedrijf
Tot uw' geheughenis: soo lees ick, en soo staet'er.
Mijn ziel vergaept sich niet aen wat vele eewen later
   De grove gronden leij van eewelick gekijf;
   Wie u 'tmirakel, Heer, of aen-schrijv' of ontschrijv,
Houd ick voor even boos van opsett en van snater.
   Gunt mij het recht, het slecht, het oud, het all-gemeen,
Het onbemorst gebruijck van wat ghij hebt gesproken;
En dit mirakel toe: O God voor mij gebroken,
   Breeckt nu dit lichaem oock en dese ziel van een.
Neen, neen, verworpen steen, ghij zijt er van gewroken;
Maeckt maer mijn' steen tot vleesch, en maer mijn vleesch tot steen.

geluidsbestand

Jacobus Revius, Aenvechtinge.

Ick heb om u genaed' o grote God, gebeden,
Maer och! ghy hebtse my in mijnen druck ontseyt.
Ick heb geroepen om u milde goedicheyt,
Maer hebse niet gevoelt in mijn ellendicheden.
   Ick heb om uwe liefd' geworstelt en gestreden
Maer hebbe te vergeefs daer lange na gebeyt.
Ick hebbe dick gesocht u mede-dogentheyt,
Maer en verneemse niet tot op den dach van heden.
   Hoe licht cost u genae bekeren mijn gemoet.
U liefd'en goedicheyt my trecken tot het goed'.
U mede-dogentheyt vant quade my bevrijden.
   Eylaes! wat seg'ick Heer! dewijl mijn herte tracht
Na uwe soeticheyt, so heeft daer in gewracht
U goetheyt, u genae, u liefd', u medelijden.

geluidsbestand

Hein Boeken, Een stad

Schoon is 't geslacht der menschen, daar ze loopen,
     Hooge gestalten door de straten voort,
     En vrouwen dalen naar den breeden boord
Van de rivier in 't midden, dompel doopen
 
De kannen in het water, hel omdropen
     Van 't schitterende vocht, - een enkel woord
     Wordt helper-vliegend door de lucht gehoord, -
En heel de stad ligt vol van zonlicht open.
 
En kindren leeren 't leve' in spel en zangen,
     Schoon opgebloeide menschen lieflijkheid,
     En leeren trouw de eerwaardige geboden.
 
En knapen voelen naar al 't ver verlangen,
     Meisjes der zuchten geheimzinnigheid,
     En hooren 's nachts de aanwezigheid der goden.

geluidsbestand

Paul van Ostaijen, Vers 6

Ik kan geen postzegels verzamelen
ik kan geen vrouwefoto's verzamelen
ik kan geen amourettes kollektioneren
en geen wijsheid
ik kan niets meer
 
   ik   kan   niets   meer
 
Waarom doof ik de lamp niet
     en ga ik niet te bed
 
Ik wil beproeven
     naakt te zijn
     bloot wie weet wel gevroren purper
                                        en bleekheid
 
Is zo niet het gans beginnende begin
Ik wil niets weten
ik wil niet vragen
     waarom
     ik niet werd een postzegelkollektioneur
 
Ik zal beginnen mijn débâcle te geven
ik zal beginnen mijn faljiet te geven
ik zal mij geven een stuk gereten arme grond
                                een vertrapte grond
                                een heidegrond
                                een bezette stad
 
Ik wil bloot zijn
   en beginnen

geluidsbestand

M. Arent Dircxz. Vos, Slaet op den trommele

Op de wijse Bedructe hertekens, etc.
 
Slaet op den Trommele van dirredomdeinne,
Slaet op den Trommele van dirredomdoes:
Slaet op den Trommele van dirredomdeine,
Vive le Geus, is nu de Loes.
 
De Spaensche pocken ,, licht als sneeuw vlocken,
De Spaensche pocken,, loos ende boos:
De Spaensche pocken,, onder sPaus rocken,
De Spaensche pocken,, groeyen altoos.
 
De Spaensche Inquisitie,, voor Godt malitie ,
De Spaensche Inquisitie,, als Draecx bloet fel:
De Spaensche Inquisitie,, ghevoelt punitie ,
De Spaensche Inquisitie,, ontvalt haer spel .
 
Vive le Geus, wilt Christelick leven,
Vive le Geus, houdt fraye moet:
Vive le Geus, Godt behoed u voor sneven,
Vive le Geus, edel Christen bloet.
 
De Paus en Papisten, Godts handt doet beven,
De Paus en Papisten, zijn teynden haer raet:
De Paus en Papisten, wreet boven schreven,
Ghij Paus en Papisten, soect nu Oflaet.
 
Oflaet in tijts noch,, Godts woort te krencken,
Oflaet in tijdts noch,, u godtloos spel:
Oflaet in tijts, och,, wilt u bedencken,
Oflaet in tijts, en valt Godt niet rebel.
 
Tswaert is getrocken, certeyn Gods wraec,, naect,
Tswaert is ghetrocken, daer Joannes aff schrijft:
Tswaert is getrocken, dat Apocalipsis maect,, naect,
Tswaert is ghetrocken, ghy wert nu ontlijft.
 
Tonschuldich bloet, dat ghy hebt verghoten,
Tonschuldich bloet, roept over u wraeck:
Tonschuldich bloet te storten heeft u niet verdrooten.
Tonschuldich bloet dat dronct ghy met den Draeck.
 
U Vleyschen arm, daer ghy op betroude,
U vleyschen arm, beswijckt u nu:
U vleyschen arm, die u huys boude,
U vleyschen arm, wijckt van u schou.
 
Prince.
Princen, der Princelijcker Geusen Prince,
Princelick met u Gheest haer doch regeert:
Princelick drijvense u Eer, aldus bemintse,
Princelick wert u Rijck alsdan vermeert.