Nieuwe gedichten     |     mei 2001     |     
 

 

 

Grieks pasen

 
Een stropop wordt verbrand
     om middernacht. Bang ben ik.
Zij niet. Zij grijnst
     en lacht. Het zijn háár vlammen
waarmee ze aan het verdwijnen is, in wezen
     neemt van haar niets af.
De kinderen springen
     er zingend omheen.
De jongens knallen,
     nog noemen ze de meisjes
liever laf dan lief.
     Neus, bril en borstkruis
van de pope glimmen.
     Wat is mevrouw Sotiropoulou vrolijk!
Ik krijg een papaverrood geverfd ei.
     Het bevatte andere mogelijkheden
voordat het werd gekookt.
     Het bevat andere mogelijkheden
voordat het wordt gegeten.
     Hetzelfde geldt voor brood en wijn,
als voor alles wat verandert.
     En alles verandert. Ik
 
ben bang en tegelijk ga ik op
     in de pracht van de sterrennacht,
teruglopend door de bloemenwei
     zonder kleuren, waarbij
als een nietige reus ik
     ongetwijfeld veel
vertrap en knak en kneus,
     maar wat een kruidige geuren
komen daarbij vrij!
 
Stel dat over enkele uren
     de zon niet opkomt.
Maar over enkele uren
     komt de zon op.
Maar stel de zon komt op
     en toch blijven de klaprozen zwart,
niet slechts in hun hart,
     de grassen worden niet groen
en de witjes dwarrelen
     als herfstduisterblad.
 
Van zulke gedachten
     word ik bang. Maar
nauwelijks minder dan
     van deze: dat over enkele uren
de zon bloedmooi op zal komen,
     bijna gelijk met het zoemen
boven de wei met paaseirode bloemen,
     zoals dat zich mij nu al
meer dan een half mensenleven
     voordoet in het voorjaar.
Alsof het altijd al zo was.
     Alsof er niets verandert
of aan de hand is. Niets,
     mevrouw Sotiropoulou.
Het is een schande!
     Alles.
 
 
Huub Beurskens

Het gedicht ‘Grieks Pasen’ maakt deel uit van een afdeling met nieuwe poëzie in Huub Beurskens' hybride essaybundel De school aan zee die komend najaar zal verschijnen bij uitgeverij Vantilt.