| |
Grieks pasen
-
- Een stropop wordt verbrand
- om middernacht. Bang ben ik.
- Zij niet. Zij grijnst
- en lacht. Het zijn háár vlammen
- waarmee ze aan het verdwijnen is, in wezen
- neemt van haar niets af.
- De kinderen springen
- er zingend omheen.
- De jongens knallen,
- nog noemen ze de meisjes
- liever laf dan lief.
- Neus, bril en borstkruis
- van de pope glimmen.
- Wat is mevrouw Sotiropoulou vrolijk!
- Ik krijg een papaverrood geverfd ei.
- Het bevatte andere mogelijkheden
- voordat het werd gekookt.
- Het bevat andere mogelijkheden
- voordat het wordt gegeten.
- Hetzelfde geldt voor brood en wijn,
- als voor alles wat verandert.
- En alles verandert. Ik
-
- ben bang en tegelijk ga ik op
- in de pracht van de sterrennacht,
- teruglopend door de bloemenwei
- zonder kleuren, waarbij
- als een nietige reus ik
- ongetwijfeld veel
- vertrap en knak en kneus,
- maar wat een kruidige geuren
- komen daarbij vrij!
-
- Stel dat over enkele uren
- de zon niet opkomt.
- Maar over enkele uren
- komt de zon op.
- Maar stel de zon komt op
- en toch blijven de klaprozen zwart,
- niet slechts in hun hart,
- de grassen worden niet groen
- en de witjes dwarrelen
- als herfstduisterblad.
-
- Van zulke gedachten
- word ik bang. Maar
- nauwelijks minder dan
- van deze: dat over enkele uren
- de zon bloedmooi op zal komen,
- bijna gelijk met het zoemen
- boven de wei met paaseirode bloemen,
- zoals dat zich mij nu al
- meer dan een half mensenleven
- voordoet in het voorjaar.
- Alsof het altijd al zo was.
- Alsof er niets verandert
- of aan de hand is. Niets,
- mevrouw Sotiropoulou.
- Het is een schande!
- Alles.
-
-
- Huub Beurskens
Het gedicht ‘Grieks Pasen’ maakt deel uit van een afdeling met nieuwe poëzie in Huub Beurskens' hybride essaybundel De school aan zee die komend najaar zal verschijnen bij uitgeverij Vantilt.
|