| |
KREKELLYRIEK OP HET DORPSKERKHOF
- Campagnol Lucien, zeg maar Lucien Kokkerd
- (zeg maar niets... Priemt daar niet zijn puntneus
- achter de hoek vandaan waar hij zijn adem
- inhoudt?), Lucien dus, die Lucien, ligt ook
- onder de zoden. Soms steekt tussen de zerken
- iets naaldscherps onder arduin of marmer uit;
- dan fezelen de doden: ‘Dat is 'm, 't is Lucien!
- Je weet wel: Lucien Kokkerd! Hij heeft geen rust
- voor hij erachter komt wat al dat dorpsvolk
- hier ligt uit te spoken. Doe of je hem niet ziet,
- en geen kwaad woord over de buren!’
-
- Trinquecoste, Romain voor wie hem beter kent,
- houdt tot op het kerkhof even koppig uitverkoop:
- Alles moet weg! Hij is zo ongedurig, vindt geen vrede
- vóór de hele bups de deur uit is: gebreide truitjes,
- van het wachten op een klant verschoten, speeltjes
- waar sinds jaar en dag alleen de houtmaden mee
- spelen, de roerzeef die dat hevig middaglicht moet
- zeven, een knuffelbeest voor peuters uit een tijd
- die mét geschiedenis en al is opgeruimd, één paar
- espadrilles, weggelopen uit La Grande Vadrouille
- met Bourvil, die cactusachtige waar men gerust
- een blad van af mag knijpen - stop het in een pot
- vol magere aarde en het spul schiet uit...
-
- Troulat, Pierrette, die Gasconse kwebbelkont
- die ook onder de grond haar draai niet vinden kan,
- meldt dat de klanten staan te dringen in de straat,
- net nu de winkel is gesloten wegens overlijden. Ach,
- was Romain een blad, een stek van eigen cactus,
- hij schoot geen wortel in gewijde akkergrond
- maar bleef gedijen in die aardse schraalte!
-
- Escabasse Nadine, met haar meisjesnaam
- Bottemanne, doet nog een rondgang met
- haar maaivoeten. Ze heeft een geldtas vol
- facturen, nog niet getekend voor voldaan
- (hoe groter praler, hoe kwader de betaler!).
- Pand neemt ze niet, geen vingerkootje, nee,
- geen knekel; zij komt ontvangen wat men
- haar man verschuldigd is: Escabasse Marcel,
- bij leven doodbidder. Hoe vindt hij rust
- voor zijn ziel tussen al dat marmer
- dat hier staat te glanzen op de pof?
-
- Calmejane Gisèle houdt zich spitsmuisstil;
- in haar nieuwe stulp hier is het ook geen leven...
- De buren zijn wel wijzer dan dat ze nog maar eens,
- als de burgemeester, na vruchteloos aankloppen
- aan dodemans deur, om de brandwacht roepen,
- vragen om een jakobsladder, de blinden open-
- breken, een hemelruit inslaan, voor de doven
- preken, dat Calmejane Gisèle - als antwoord
- op haar naam: Gisèle Pradat - nóg een keer
- van kiekeboe! kan doen.
-
- Maïté Vigouroux hompelt als een zombie
- rond, ze waagt zich maar eens buiten huis,
- die kluis waarin ze levend werd begraven
- omdat ze, eigenzinnig, kippig, het ei wou
- én het kuiken én die vreemde haan. Maïté
- verrijst als zus van Lazarus, bij elke stap
- is 't of ze valt en nooit meer op zal staan.
-
- Dorpsmuzenzoon Peire Lagarrigue keert weer
- tot stof voor een nieuw krekellied
- uit as van troubadours en dwaalgeesten
- in de keerzang van de eeuwen,
- met een mond vol stomme e's
- en in zijn Frans de discant van Oc.
-
- Ginds rust Durut Arsène, hij ligt er in een plooi
- die niemand glad kan strijken; bij leven liep hij al,
- zijn kop op zijn knieën, zich een weg te knippen
- als een heggenschaar, met twinkellichtoogjes
- onder eigen romp omhoog- en rondspiedend,
- met z'n stokbrood op pad naar de meisjes
- uit jongere jaren toen hij nog kaarsrecht
- achter ze aan liep, achter z'n snikkel, achter
- al die meiden die hem deden buigen en die
- hij liet dansen: Arsène en Madeleine, Arsène
- en Marie-Reine, Arsène die in scène
- zet wie hij wil zijn: Don Juan Arsène
- (al die ogen in zijn rug doen pijn).
-
- Daar pijpt Magere Hein en Durut Arsène
- walst nu met zijn zeis, hij ligt al dubbel -
- geheel in zijn eentje -, hij lacht nog,
- maar groen, onder het gazon.
-
-
- Stefaan van den Bremt
‘Krekellyriek op het dorpskerkhof’ zal verschijnen in het eerstvolgende nummer van De Brakke Hond (De Brakke Hond 89)
|