|
Gelukkig gedicht
- Ze kwam bij me in de gedaante van een hond van
- onduidelijk ras, er was niemand thuis in dat dorp.
- Ze kwam zo sloom als honden eigenlijk niet
- kunnen naast me lopen, raakte me met geen
- haar aan, keek niet omhoog. Bij het korenveld zei ik
-
- ga weg en ze antwoordde niet maar
- liet haar tanden zien. Ik zal je niet zal je
- nooit verlaten. Bofkont die ik was. Nam haar
- mee naar mijn huis bij de zee met water en brood,
- steekmuggen, leerde haar koken,
-
- schoonmaken, zingen. En nu met de zwaluwen, die ze
- sinds ze terug zijn nazwemt tot achter de zon
- is ze wanneer ze haar klittenvacht buiten hangt en
- denkt dat ik niet kijk een vrouw uit dat dorp,
- glad als een rots in zee, ze worden niet ouder,
-
- verbazend dunne benen, zware enkels.
-
-
- Eva Gerlach
‘Gelukkig gedicht’ zal verschijnen in het eerstvolgende nummer van Tirade (nr. 420, september/oktober 2007).
|
|