|
- Veergeld
-
- 1
-
-
- Liggen we 's nachts met de doden die op ons gaan zitten
- ons strelen met handen van talk bergamot en citroen
-
- bij elke beweging levender: Han met de tanden
- Mentja met puilende ogen, iets in ons haalt ze over
-
- door te gaan, toe dan, aderen zwellen op
- vellen als gedroogd bloemblad, een schrift van verwarring
-
- verwijzing: nu wil ik mijn oma
- Tsjoetsjoe, trillend, het ei van de struma beweegt
-
- in haar hals en de hel breekt los, rent ze
- met loshangend haar, de doden klemmen zich vast
-
- wie zich verstopt kan nooit meer weg, blijft daar
- dubbelgevouwen steken zwart in zwart - : liefje
-
- slaap je? ik moet je smoren, jij mij tegelijk!
- waar is je kussen, hoe laten ze anders los -
-
- De ochtend wekt ons met geluid van vracht
- wagens door de straat, de muren trillen
-
- en we kijken naar buiten, het raam hangt scheef, in de verte
- zien we de bergen, maar op de manier van de vlieg.
-
-
- Eva Gerlach
‘Veergeld 1’ maakt deel uit van een reeks die te lezen is in het tweede nummer van de achtste jaargang van poëzietijdschrift Awater, dat in de tweede week van juni zal verschijnen.
| |