Nieuwe gedichten     |     juni 2009      |
 

 

Veergeld
 
1
 
 
Liggen we 's nachts met de doden die op ons gaan zitten
ons strelen met handen van talk bergamot en citroen
 
bij elke beweging levender: Han met de tanden
Mentja met puilende ogen, iets in ons haalt ze over
 
door te gaan, toe dan, aderen zwellen op
vellen als gedroogd bloemblad, een schrift van verwarring
 
verwijzing: nu wil ik mijn oma
Tsjoetsjoe, trillend, het ei van de struma beweegt
 
in haar hals en de hel breekt los, rent ze
met loshangend haar, de doden klemmen zich vast
 
wie zich verstopt kan nooit meer weg, blijft daar
dubbelgevouwen steken zwart in zwart - : liefje
 
slaap je? ik moet je smoren, jij mij tegelijk!
waar is je kussen, hoe laten ze anders los -
 
De ochtend wekt ons met geluid van vracht
wagens door de straat, de muren trillen
 
en we kijken naar buiten, het raam hangt scheef, in de verte
zien we de bergen, maar op de manier van de vlieg.
 
 
Eva Gerlach

 

‘Veergeld 1’ maakt deel uit van een reeks die te lezen is in het tweede nummer van de achtste jaargang van poëzietijdschrift Awater, dat in de tweede week van juni zal verschijnen.