| |
Het ongerede
- Toen radio's nog bakken waren
- kon je op hun dashboard reizen,
- kon je naar verlichte steden.
- Al die steden, mooi op rijtjes,
- kwamen door de kamer kraken,
- bazelden met blikken bakkes
- en bedoelden te bedoelen.
- En wij hoorden, met de oren
- bloot getrokken door een knipje,
- mannenklanken zonder hoofden.
- Kruissteekhandwerk broeide
- op de stoelen onder ons.
-
- Buiten, links en rechts een hoek om,
- bij een standbeeld van drie palen
- die op dunne doden leken
- stonden mensen met gezichten.
- Grote mensen huilden, buiten,
- en ze mochten niet bewegen,
- omdat niemand nog mocht zwichten.
- Ook de tijd mocht niet bewegen.
- Iedereen op heel de wereld,
- heel de wereld van het dashboard
- deed zijn mond dicht, maar de vogels,
- wisten die veel, floten door.
-
- Benen die verdwenen waren,
- kon dat van het zwichten komen?
- Werden die alvast begraven,
- wachtend op wat verder leefde
- en er later bij kwam liggen?
- Doden, daaraan moest je denken,
- maar ik kende nog geen doden
- en we hadden zelf geen dieren.
- Alle mensen droegen namen,
- in het hoofd gegrifte namen,
- n ht hfd ggrfte nmn.
- Iedereen viel bijna om.
-
- Wat ze aan elkaar begingen,
- zweeg in dingen, alledaagse,
- soms beschilderd en soms nuttig,
- rond wat niet meer blijven zou.
-
- Nieuw moet alles, nieuw en
- nieuw en aan gebouwen
- in de steden hangen rimpelloze
- vrouwen, navels als de
-
- ingang van een groeve, hun
- gezichten, gaaf gewonnen uit een
- menigte van stipjes, smuilend
- om wat wij behoeven.
-
-
- Joke van Leeuwen
‘Het ongerede’ zal in februari verschijnen in de nieuwe bundel Wuif de mussen uit. Gedichten
en beelden, bij uitgeverij Em. Querido's Uitgeverij.
|