wat er van je overblijft als er in je lichtkoepel van geborgenheid plotseling een
schuurmachine aanslaat die met grove korrel de opperlaag van geluk van je huid
afschraapt en de zenuwuiteinden van je gevoel sloopt om je zonder omhulling of
waarneming achter te laten
is je bodem,
is de rest waarin je bent en waarin tot je stomme verbazing gift ligt
opgeslagen, vrijheid, ruimte en ook de lucht waarmee je heel zacht en zonder
haat en afzender natuurlijk onbekend haar ziel aanrilt, zodat zij bijna zonder
het te merken nog een laatste keer huivert van jouw adem en opstijgt van het
verheugsel in jouw aanraking
hoezeer jouw bestaan ook dooft in de tocht die ruist onder het aanwezige waarin zij omloopt