| |
Halverwege, de liefde; halverwege, de dood
Halverwege, de liefde
- Nooit is het goed,
- nooit is het zo goed,
- nooit is het goed zo,
- nee, nooit is het goed.
-
- Zoals een doffer loopt,
- koerend over het binnenplein,
- roekeloos over de rand van de goot,
- kop omlaag, staart omhoog -
-
- Of zoals een woerd kruist
- door het veld of het riet,
- blindelings oversteekt,
- voor geen jager of wagen wijkt -
-
- Zo gaat het nooit en zo gaat het niet,
- zo ging het ooit, maar ooit ging het mis,
- met hen en met ons, zo moest het wel gaan,
- behalve met jou en met mij.
Halverwege, de liefde
- Zoals een boekenplank doorbuigt,
- maar niet breekt, zoals de slaap wel komt,
- maar de stem in de nacht niet zwijgt,
-
- eerder wankelt de stapel, eerder
- valt de stroom uit en wordt weer hersteld,
- opdat van uur tot uur het nieuws vernieuwt,
-
- zelfs al bouwt men een schoorsteen
- van catalogi precies in het midden,
- laat de radio dag en nacht aanstaan,
-
- buigt men mee, hoort men aan:
- men is die men was, men eet wat men at,
- men ligt waar men lag en vindt wat men vond,
-
- en herinnert zich allen en alles en telkens,
- - zeshonderdveertig, tweehonderdeenendertig,
- honderd, eenennegentig en duizenddrie, duizenddrie -
-
- men is keer op keer die ene, nooit te kennen,
- nooit te torsen, nooit te verstaan, bemint
- zwijgzaam en buigzaam, jetsam and flotsam.
Halverwege, de liefde
- En altijd moet, bijvoorbeeld, Troje dringend bevrijd,
- moet Rome vandaag nog gesticht of tot de orde geroepen,
- moet de boodschap beslist nu beantwoord, de oproep
- gehoorzaamd, de groente gewassen en de was nog gedaan.
-
- En terwijl ik nog maar net aan haar tepel proef
- hoont op het nachtkastje een mobiele telefoon,
- terwijl mijn hand nog pas zoekt in haar schoot,
- sommeren rode cijfers zich en tellen de nacht af.
-
- Wat hebben wij om ’s lichts wil op te staan,
- die om het donker niet het bed in zijn gegaan?
- Een beest, twee koppen, jawel, maar ook:
- een borst met op zijn minst twee zielen -
-
- dat is twee borsten met een legioen, het bed
- een bijeenkomst, de nacht een agenda.
Halverwege, de liefde
- Nooit stort men zich zo vol overgave
- op haar staart, om haar hals en moeiteloos
- neer op haar bed, legt het hoofd
- in haar schoot, de buik in haar billen,
- de handen als rijglijf om haar borsten,
-
- en ook nooit zal zij zo geduldig ontvankelijk,
- noch mededeelzaam en mild en tevreden,
- evenmin goed gemutst en opgeruimd,
- van belangstellend naar gretig naar gulzig,
- naar ruggelings buitelend in vergetelheid,
-
- Men is de vogel en de vogelaar, de twijfel
- en de twijfelaar, het scherm en de kijker.
- Men loopt als een eend en koert als een duif,
- men paart als een reiger en schreeuwt als een meeuw.
Halverwege, de factor t
- Giet twee duim zwarte peper in een kolf,
- daarna, voorzichtig, twee duim zout erop,
- schudt dan de kolf met vaste hand naar grijs.
-
- Nooit zal men zo lang kunnen schudden,
- dat alle korrels hun plaats hernemen en grijs
- weer wit op zwart, of zwart op wit geworden is.
-
- Ook valt een beker melk wel in een plas
- en scherven op de grond, maar nooit een
- plas en scherven in een beker melk bijeen.
-
- Er is geen wet die het verbiedt. Als kind
- spoelden wij filmpjes terug; herstelden
- de toestand, maakten de schade ongedaan.
-
- De som te maken is zo simpel als die film te keren:
- de factor t hoef ik er niet uit te elimineren,
- er is geen reden en geen richting voor de tijd.
-
- De weg loopt hellend naar de oever,
- schuift rimpelloos het grijze water in.
- Hoe ik ook zoek, ik vind geen ommekeer.
Halverwege, de factor t
- Staand voor de spiegel, is alleen
- links rechts en omgekeerd. Voor
- blijft voor en achter achter -
-
- maar is dan de voorwaarts afgelegde weg
- niet ook even lang als wat achterwaarts nog rest?
-
- Niet over mijn schouder, keek ik,
- ik boog en week om achteruit te kijken,
- ik kronkelde om te zien wat er nog komen ging.
-
- Steeds kleiner de gestalte, steeds smaller de weg.
- En onooglijk de verborgen diepte,
- het vermoeden van bloed en gevecht -
-
- de paling die in de Carriben begint,
- de zalm uit de Schotse rivier -
-
- zij weten het, ja, zij weten het:
- ten halve gekeerd.
Halverwege, de dood
- Tot gisteren waren wij even oud, zij en ik.
- Nu sta ik hier en ligt zij daar, koud, zij -
- en ik bezweet van zomer, haast en gêne.
-
- Zij lijkt een beetje op een zonnebloem:
- gebruind gezicht, blonde haren,
- nog lang niet uitgebloeid, toch geknakt.
-
- Zij ligt voor schut; slaap noch diepe rust.
- Niet stuk, niet beschadigd, niet ziek:
- kan nog heel goed bloeien in een vaas.
-
- Bij alle zinnen moet nu nagedacht, de tijd
- verspringt een klinker. Ik ben al uren ouder.
Halverwege, de dood
- Er verstreek geen week of wij spraken
- de doodstille nacht aan, vonden blindelings
- code en toon. Ik sprak over lezen en leven,
- ik hoorde van het verre voortbestaan -
-
- ’t was avond, ’t was laat, een zacht zoemen
- opende verten, kamers die ik kende, een stoel
- waarin ik zat, een glas waaruit ik dronk,
- al in geen honderd jaar is afstand een bezwaar.
-
- Mijn lieve kalme vriend, wie heeft dat ene wel
- heel onbenullige adertje in jouw nog lang niet grijze kop
- kapot geprikt, die dunne wand gescheurd en al dat
- doodgemoedereerde bloed door jouw hersens
-
- heen gejaagd, je liefde en je kalmte verzopen
- tot een hopeloze black pudding, die had ik niet besteld?
-
- Een man stierf op een donderdag in mei,
- rond middernacht. Zijn lijk lag onderaan
- de trap en lag daar al toen ik die nacht
- mijn laptop afsloot en mijn glas vol schonk.
-
- Het duurde maanden. Omstreeks dat trouwe uur
- klonk in zijn lege almaar kouder wordend huis
- dat vriendelijke en uitnodigende, nieuwsgierig makende -
- want geen zee en geen hemel, geen dalen nabij.
-
- Ik wil een toestel in zijn graf, dat bel ik dan,
- zodat, al kan hij niet meer spreken, hij weet
- dat ik hem spreken moet. De wormen die hem slopen
- een maal per dag aan het schrikken maken kan.
Michaël Zeeman
‘Halverwege, de liefde; halverwege, de dood’ is een selectie uit een cyclus. Deze selectie zal verschijnen in het eerstvolgende nummer van Optima.
|