| |
- Die achternacht kwam ik mij tegen op een plek
- waar ik mij gewoonlijk niet vertoon.
- Ik stelde mij teleur. Sprak te luid
- tegen mensen die mij zichtbaar niet vertrouwden.
- Ik wilde dat ik vond dat ik naar huis toe wilde
- en sprak mij aan om hiervandaan te gaan
- maar dat was zo gemakkelijk nog niet. Ik verloor mij
- in gesprekken die ik al zo vaak gevoerd had
- zonder zicht op toonzaamheid
- of zelfs maar dunne trucs
- waarmee je doorgaans
- een kapotte nacht doorkomt.
-
- Het eindigde ermee dat ik van alles
- in mijn oor siste wat ik maar half verstond.
- Wat doe je op zulke momenten? Ik liet mij
- voor wat ik was; het had geen zin mij het zwijgen
- op te leggen, ik was berstensvol op mij gebeten
- en toen het eenmaal ochtend was
- zag ik mij als zo vaak in tongen terug
- als het legioen dat vreemden streelt.
- Spreekwoord was ik dat niet snapt,
- gaandeweg de dag werd ik weer opvoeding
- die ouders voor hun kinderen uitdenken
- en in het holst van alle bruikleen
- was ik wat ik telkens na zo'n achternacht in corvee
- en klatering moet zijn: voor dag en dauw de bijbel,
- met stofomslag en in voldongen esperantoklanken,
- een man om van kaft tot kaft uit voor te lezen
-
-
- Joost Zwagerman
Dit gedicht zal worden opgenomen in Joost Zwagermans nieuwe bundel Roeshoofd
hemelt, die in november 2004 verschijnt bij De Arbeiderspers.
|