de honderd artikelen in alfabetische rangschikking, en per afzonderlijke auteur chronologisch
Peter Altena, ‘De autobiografie van een Delfts patriot. Over Mijne vrolijke wijsgeerte in mijne ballingschap (1792) van Gerrit Paape’ 1990
Peter Altena, ‘Het Journal litéraire en de Poëtenoorlog in de Nederlandse literatuur’ 1986
Peter Altena, ‘“Liever een' arent dan een' kerkuil”. Over Den Adelaar (1735) van Jacob Campo Weyerman, De Hollandsche Spectator (1731-1735) van Justus van Effen en de geschiedenis van de “weekelyksche schriften”’ 1992
Peter Altena, ‘Literatuur als mogelijk bedrog. Over De Leevens Byzonderheden, van Johan Hendrik, Baron van Syberg (1733) van Jacob Campo Weyerman’ 1985
Peter Altena, ‘Van boekenhaat en “bibliomania”. De verbeelding van de bibliotheek in Nederlandse literatuur van de achttiende eeuw’ 1992
Arianne Baggerman, ‘Lezen tot de laatste snik. Otto van Eck en zijn dagelijkse literatuur (1780-1798)’ 1994
Arianne Baggerman, ‘Stank voor dank. Broodschrijvers in dienst van de Dordtse uitgeversfirma A. Blussé en zoon’ 2001
Rob Beentjes, ‘...En de man hiet Jan van Gyzen. Een verslag van tien jaar lief en leed in Jan van Gysens Weekleyksche Amsterdamsche Merkuuren (1710-1722)’ 1994
W. van den Berg, ‘Sara Burgerhart en haar derde stem’ 1981
W. van den Berg, ‘Van wonderkind naar total loss? Rijklof Michaël van Goens (1748-1810)’ 1996
Karel Bostoen, ‘Verzamelaars, bezitters, lezers van Weyermaniana in de achttiende eeuw’ 1996
Han Brouwer, ‘Rondom het boek. Historisch onderzoek naar leescultuur, in het bijzonder in de achttiende eeuw. Een overzicht van bronnen en benaderingen, resultaten en problemen’ 1988
Han Brouwer, ‘Sociale ideeëngeschiedenis en bestedingspatronen: de kopers van de Katechismus der Natuur in Zwolle, 1777-1785’ 1988-1989
P.J. Buijnsters, Imaginaire reisverhalen in Nederland gedurende de 18e eeuw 1969
P.J. Buijnsters, ‘Karakteruitbeelding in de roman Sara Burgerhart’ 1971
P.J. Buijnsters, ‘Kennis van en waardering voor Middelnederlandse literatuur in de 18de eeuw’ 1984
P.J. Buijnsters, ‘Nederlandse leesgezelschappen uit de 18e eeuw’ 1984
P.J. Buijnsters, ‘Sociologie van de spectator’ 1984
P.J. Buijnsters, ‘Tijd en plaats in de roman Sara Burgerhart’ 1970
Wiep van Bunge, ‘Philopater, de radicale Verlichting en het einde van de Eindtijd’ 2003
Joris van Eijnatten, ‘De man op het vale paard draaft steeds voort. Bilderdijk en het einde der tijden’ 1996
Joris van Eijnatten, ‘Het stamhuis van Oranje en de komst van het vrederijk. Illuminisme en literaire topoi in Bilderdijks vroege politieke gedichten, 1787-1793’ 1995
Joris van Eijnatten, ‘Willem Bilderdijk (1756-1831). De ideeënwereld van het gefnuikt genie’ 1996
Rob Erenstein, ‘Onno Zwier van Haren en “Agon, sulthan van Bantam”’ 1978
G.A. van Es, ‘Rotgans' Eneas en Turnus’ 1961
Myriam Everard, ‘In en om de (Nieuwe) Bataafsche Vrouwe Courant. Het aandeel van vrouwen in een revolutionaire politieke cultuur’ 2001
Myriam Everard, ‘Vrouwen voor 't vaderland: burgeres Van der Meer en de Bataafse politiek’ 1999
Willem Frijhoff, ‘Verfransing? Franse taal en Nederlandse cultuur tot in de revolutietijd’ 1989
C.M. Geerars, ‘Theorie van de satire’ 1972
Arie Jan Gelderblom, ‘Wolff en Deken als liedjesfabriek’ 1991
Lia van Gemert, ‘“Onwederstanelyken drang”: het vrouwelijk schrijverschap in achttiende-eeuws Nederland’ 1995
Lia van Gemert en Ans J. Veltman-van den Bos, ‘Schrijfsters in de literaire kritiek tussen 1770 en 1850’ 1997
Lia van Gemert, ‘De verlichte lezer’ 1999
E.M. Grabowsky, ‘J.F.M. Sterck “revisited”: een galante actrice’ 2002
E.M. Grabowsky, ‘Katharina Lescailje (1649-1711) en de “vrouwenzucht”. Schijn of werkelijkheid?’ 2000
Anna de Haas, ‘Frans-classicisme en het Nederlandse toneel, 1660-1730’ 1997
Anna de Haas, ‘“Wy openen de gordijn van ons bebloet Toneel”. Gruwelen op het achttiende-eeuwse toneel’ 1995
Edwina Hagen, ‘“Kloosterdwang”. Theater, antipapisme en nationaal besef (ca 1770-1800)’ 2002
A.J. Hanou, ‘Dutch periodicals from 1697 to 1721: in imitation of the English?’ 1981
A.J. Hanou, ‘Literaire en politieke vrijheidsstrijd 1780-1800: raakvlakken?’ 1996
A.J. Hanou, ‘Literaire euthanasie. Het sterven der schilders in Weyermans “Levensbeschryvingen der konstschilders”’ 1986
A.J. Hanou, ‘De literator als politiek commentator. Het geval: Janus (1787)’ 2002
A.J. Hanou, ‘1711. Pieter Langendijk debuteert met Don Quichot op de bruiloft van Kamacho. De bloei van de Nederlandse komedie’ 1996
A.J. Hanou, ‘Verlichte vrijheid. Over een denkbeeld in imaginaire reizen’ 2002
Dini M. Helmers, ‘“Tweedracht in hun huisselijk koningrijk”. Scheidende paren en huwelijkse deugden (1753-1810)’ 1993
Joke J. Hermsen, ‘Over de vrijheid. Belle van Zuylen en haar kritiek op de verlichte rede’ 1995
Ton Jongenelen, ‘De volmaakte Hollandse broodschrijver Jan Willem Claus van Laar’ 2001
J.J. Kloek, ‘Expressie versus imitatie - natuur tegenover natuur. Een literair-theoretische discussie in 1780’ 1985
J.J. Kloek, ‘Lezen als levensbehoefte. Roman en romanpubliek in de tweede helft van de 18e eeuw’ 1984
J.J. Kloek, ‘De lezer als burger. Het literaire publiek in de achttiende eeuw’ 1994
J.J. Kloek, ‘De onkenbare werkelijkheid van Doctor Schasz. Of: de Enigma-variaties van Gerrit Paape’ 2001
J.J. Kloek, ‘Rhijnvis Feith, het belang en de gevoelige lezer. Een receptie-esthetische problematiek avant la lettre’ 1981
J.J. Kloek, ‘Vielen de juffrouwen van 'erzelven? Of: is receptiegeschiedenis mogelijk?’ 1980
Jan Konst, ‘Nederlands toneel 1600-1730. Het onderzoek van de laatste twintig jaar’ 1999
Eveline Koolhaas-Grosfeld, ‘“Economische” schilderkunst. De verbeelding van broederschap in de laat achttiende-eeuwse genre-schilderkunst, in het bijzonder van Adriaan de Lelie’ 1996
Jan Koopmans, ‘De tendens in de “Willem Leevend” van Wolff en Deken’ 1910
Ellen Krol, ‘Over “den Meridiaan des huisselyken levens” in Sara Burgerhart’ 1991
José de Kruif, ‘“En nog enige boeken van weinig waarde”. Boeken in Haagse boedelinventarissen halverwege de 18e eeuw’ 1994
Frank van Lamoen, ‘Willem van Swaanenburg: halfmalle scribbelaar’ 1985
Kåre Langvik-Johannessen en Karel Porteman, ‘1700. Inauguratie van de Muntschouwburg te Brussel. Het theaterleven in de Zuidnederlandse hofstad van 1650 tot in de Oostenrijkse tijd’ 1996
B. de Ligt, ‘Uit de geschiedenis van een sonnet’ 1975
Willeke Los, ‘De travestie van de moraal: deugd en ondeugd als uitingen van mannelijkheid en vrouwelijkheid in het achttiende-eeuwse burgerlijke pedagogische discours?’ 1995
Jacqueline de Man, ‘De etiquette van het schertsen. Opvattingen over de lach in Nederlandse etiquetteboeken en spectators uit de achttiende eeuw’ 1993
Jacqueline de Man, ‘Zinnelijkheid en beschaving. Achttiende-eeuwse opvattingen over het Nederlands als literaire taal’ 1992
Thomas Mattheij, ‘De ontvangst van Richardson in Nederland (1750-1800)’ 1978-1979
Theo van der Meer, ‘Grouwelen onzer eeuwe. Jacob Campo Weyerman en de sodomietenvervolgingen van 1730’ 1993
Maaike Meijer, ‘Vrome en geleerde hartsvriendinnen in de achttiende eeuw in Nederland’ 1984
Marijke Meijer Drees, ‘Vaderlandse heldinnen in belegeringstoneelstukken’ 1993
Adèle Nieuweboer, ‘De populariteit van het vertaalde verhalend proza in 18e-eeuws Nederland en de rol van de boekhandel bij de praktijk van het vertalen’ 1982
Jan Oosterholt, ‘Kunstdrift en kunstbewerking. Nederlandse lyriekopvattingen in de jaren tachtig van de achttiende eeuw.’ 1994
Jan Oosterholt, ‘De smaak voor het “reële”. Opvattingen over de nationale smaak in een aantal poëticale verhandelingen uit de laatste decennia van de achttiende eeuw’ 1997
W.R.D. van Oostrum, ‘Julia (-) drukken vóór 1800 II’ 1979-1980
W.R.D. van Oostrum, ‘Kenau's erfdochters. Waarom Juliana Cornelia de Lannoy in 1770 eerherstel voor Kenau wilde’ 2000
W.R.D. van Oostrum, ‘De Lannoy's Aan myn Geest (1766): een ingenieus debuut?’ 1995
W.R.D. van Oostrum, ‘Sara's eerste kraambed: enkele opmerkingen over tijd en ruimte in Sara Burgerhart’ 1973-1976
A.N. Paasman, ‘Loopt geitevoeten! Over de interpretatie van De Maen by Endymion’ 1971
A.N. Paasman, ‘Reinhart, of literatuur en werkelijkheid’ 1979
S.D. Post, ‘De aantekeningen van Pieter de la Ruë. Een 18e-eeuwse bron voor receptieonderzoek op letterkundig gebied’ 1993
Brita Rang, ‘“Geleerde Vrouwen van alle Eeuwen ende Volckeren, zelfs oock by de barbarische Scythen”. De catalogi van geleerde vrouwen in de zeventiende en achttiende eeuw’ 1988
Peter Rietbergen, ‘Pieter Rabus en de Boekzaal van Europe.’ 1974
Herman Roodenburg, ‘“Venus minsieke gasthuis”. Over seksuele attitudes in de achttiende eeuwse republiek’ 1985
M.A. Schenkeveld-van der Dussen, ‘Bruilofts- en liefdeslyriek in de 18e eeuw: de rol van de literaire conventies’ 1974
M.A. Schenkeveld-van der Dussen, ‘Leven in de schaduw: Aagje Deken (1741-1804)’ 2002
M.A. Schenkeveld-van der Dussen, ‘Liefdestalen van vrouwelijke auteurs’ 1995
Ariadne Schmidt, ‘Van de lusten geproefd. Wellust in het weduwebeeld in de vroegmoderne periode. Twee eeuwenoude weduwebeelden’ 2000
Kees Singeling, ‘Sociable men of letters. Literary sociability in the Netherlands in the second half of the eighteenth century’ 1996
Jos Smeyers, ‘Van traditie naar vernieuwing. De Zuidnederlandse letterkunde in de Oostenrijkse tijd’ 1987
A. Agnes Sneller, ‘Utopia of een vrouwenuniversiteit omstreeks 1700’ 1988
Dorothée Sturkenboom, ‘Thermometers voor mannelijkheid en vrouwelijkheid. De betekenis van sekse in de spectatoriale geschriften’ 1994
Bert Thobokholt, Het taal- en dichtlievend genootschap ‘Kunst wordt door arbeid verkreegen’ te Leiden, 1766-1800 1983
Judith Vega, ‘Het Beeld der Vryheid; Is het niet uwe Zuster?’ 1989
J.J.V.M. de Vet, ‘Chronomastix kastijdt zijn eeuw: een blik in een curieuze zedenspiegel’ 1990
J.J.V.M. de Vet, ‘Maecenaat in de pruikentijd’ 1984
J.J.V.M. de Vet, ‘Spinoza's “systema” afgewezen in de Examinator. Een moralist in het geweer tegen de cartesiaanse erfenis en op de bres voor de “proefkundige demonstreerwys” ’ 2003
R.P.W. Visser, ‘Natuurwetenschap en poëzie bij enige Nederlandse literatoren uit de 18e eeuw’ 1972-1973
Marleen de Vries, ‘Dichten is zilver, zwijgen is goud; vrouwen in letterkundige genootschappen, 1772-1800’ 1999
Marleen de Vries, ‘Dichten voor de eeuwigheid. Over eerzucht en onsterfelijkheid in de achttiende-eeuwse literaire genootschappen’ 1995
Marleen de Vries, ‘Een staaltje Feliciaanse diplomatie. Het departement letterkunde van Felix Meritis tijdens en na de patriottentijd (1779-1795)’ 1991
P.W. van Wissing, ‘“Heethooftige en speculateur”. Petrus de Wacker van Zon (1758-1818)’ 1992
S.F. Witstein, ‘Met het oog op de doctrine. Het Frans-clasicisme in Huydecopers “Achilles”’ 1980
Brigitte van der Zijde, ‘Gysbert Tyssens (1693-1732). Een broodschrijver in de achttiende eeuw’ 1996
|