stromingen en tijdschriften
stromingen
algemene literatuurbeschouwingen | Frans-classicisme | verlichting | sentimentalisme
J.J. Kloek, ‘Expressie versus imitatie - natuur tegenover natuur. Een literair-theoretische discussie in 1780’ 1985
Jan Oosterholt, ‘Kunstdrift en kunstbewerking. Nederlandse lyriekopvattingen in de jaren tachtig van de achttiende eeuw.’ 1994
Jan Oosterholt, ‘De smaak voor het “reële”. Opvattingen over de nationale smaak in een aantal poëticale verhandelingen uit de laatste decennia van de achttiende eeuw’ 1997
Frans-classicisme | verlichting | sentimentalisme | algemene literatuurbeschouwingen
Anna de Haas, ‘Frans-classicisme en het Nederlandse toneel, 1660-1730’ 1997
Anna de Haas, ‘“Wy openen de gordijn van ons bebloet Toneel”. Gruwelen op het achttiende-eeuwse toneel’ 1995
Jan Konst, ‘Nederlands toneel 1600-1730. Het onderzoek van de laatste twintig jaar’ 1999
S.F. Witstein, ‘Met het oog op de doctrine. Het Frans-clasicisme in Huydecopers “Achilles”’ 1980
verlichting | sentimentalisme | algemene literatuurbeschouwingen | Frans-classicisme
Wiep van Bunge, ‘Philopater, de radicale Verlichting en het einde van de Eindtijd’ 2003
A.J. Hanou, ‘Verlichte vrijheid. Over een denkbeeld in imaginaire reizen’ 2002
Joke J. Hermsen, ‘Over de vrijheid. Belle van Zuylen en haar kritiek op de verlichte rede’ 1995
J.J. Kloek, ‘Rhijnvis Feith, het belang en de gevoelige lezer. Een receptie-esthetische problematiek avant la lettre’ 1981
sentimentalisme | algemene literatuurbeschouwingen | Frans-classicisme | verlichting
J.J. Kloek, ‘Rhijnvis Feith, het belang en de gevoelige lezer. Een receptie-esthetische problematiek avant la lettre’ 1981
J.J. Kloek, ‘Vielen de juffrouwen van 'erzelven? Of: is receptiegeschiedenis mogelijk?’ 1980
Jan Oosterholt, ‘Kunstdrift en kunstbewerking. Nederlandse lyriekopvattingen in de jaren tachtig van de achttiende eeuw.’ 1994
Jan Oosterholt, ‘De smaak voor het “rele”. Opvattingen over de nationale smaak in een aantal poëticale verhandelingen uit de laatste decennia van de achttiende eeuw’ 1997
W.R.D. van Oostrum, ‘Julia (-) drukken vóór 1800 II’ 1979-1980
A.N. Paasman, ‘Reinhart, of literatuur en werkelijkheid’ 1979
tijdschriften
Peter Altena, ‘Het Journal litéraire en de Poëtenoorlog in de Nederlandse literatuur’ 1986
Peter Altena, ‘“Liever een' arent dan een' kerkuil”. Over Den Adelaar (1735) van Jacob Campo Weyerman, De Hollandsche Spectator (1731-1735) van Justus van Effen en de geschiedenis van de “weekelyksche schriften”’ 1992
Rob Beentjes, ‘...En de man hiet Jan van Gyzen. Een verslag van tien jaar lief en leed in Jan van Gysens Weekleyksche Amsterdamsche Merkuuren (1710-1722)’ 1994
P.J. Buijnsters, ‘Sociologie van de spectator’ 1984
Myriam Everard, ‘In en om de (Nieuwe) Bataafsche Vrouwe Courant. Het aandeel van vrouwen in een revolutionaire politieke cultuur’ 2001
A.J. Hanou, ‘Dutch periodicals from 1697 to 1721: in imitation of the English?’ 1981
A.J. Hanou, ‘De literator als politiek commentator. Het geval: Janus (1787)’ 2002
Frank van Lamoen, ‘Willem van Swaanenburg: halfmalle scribbelaar’ 1985
Jacqueline de Man, ‘De etiquette van het schertsen. Opvattingen over de lach in Nederlandse etiquetteboeken en spectators uit de achttiende eeuw’ 1993
Peter Rietbergen, ‘Pieter Rabus en de Boekzaal van Europe.’ 1974
Dorothée Sturkenboom, ‘Thermometers voor mannelijkheid en vrouwelijkheid. De betekenis van sekse in de spectatoriale geschriften’ 1994
J.J.V.M. de Vet, ‘Spinoza's “systema” afgewezen in de Examinator. Een moralist in het geweer tegen de cartesiaanse erfenis en op de bres voor de “proefkundige demonstreerwys” ’ 2003
|