de honderd artikelen in chronologische rangschikking, en per jaar alfabetisch




1931

J. Wille, ‘De gereformeerden en het tooneel tot omstreeks 1620’

1956

W.Gs Hellinga, ‘De commentaar’

1956-57

J.D.P. Warners, ‘Translatio-imitatio-aemulatio, 1-3’

1958-59

J.A. van Dorsten, ‘Huygens en de Engelse “metaphysical poets”’

1964

W.A.P. Smit, ‘Het Nederlandse Renaissance-toneel als probleem en taak voor de literatuur-historie’

1966

Jacob Smit, ‘Batave Tempe dat is 't Voorhout van 'sGraven-hage’

1967

Leonard Forster, ‘Iets over Nederlandse renaissancelyriek vóór Heinsius en Hooft’

 

S.F. Witstein, ‘Menanders Pleidooi’

1968

F. Veenstra, ‘Aristocratische moraal. Een facet van de Geeraerdt van Velsen’

1968-69

E. de Jongh, ‘Erotica in vogelperspectief. De dubbelzinnigheid van een reeks zeventiende-eeuwse genrevoorstellingen’

 

A. Keersmaekers, ‘De onbekende Bredero’

1970

Ben Albach, ‘De schouwburg van Jacob van Campen’

 

F. Veenstra, Een litterair kunstrechtelijk triumviraat en heroïsche poëzie

1972

Lieven Rens, ‘Samuel Coster als dramatisch experimentator’

1974

S.F. Witstein, ‘Het erotisch-ethische referentiekader in Bredero’s Stommen Ridder, en de betekenis daarvan voor het handelingsverloop van dit spel’

1975

S.F. Witstein, ‘Hoofts Achilles ende Polyxena

1975-76

Mieke B. Smits-Veldt, ‘Samuel Costers Teeuwis de Boer: “vol soeticheyt van sin en woorden”’

1976

H. de la Fontaine Verwey, ‘De geschiedenis van het Amsterdamse Caesar-handschrift’

 

L. Strengholt, ‘Bloemen in Gethsemané’

 

C.A. Zaalberg, ‘Moortje: vastenavond of driekoningen?’

1977

L. Strengholt, Dromen is denken. Constantijn Huygens over dromen en denken en dichten

1977-78

Marijke Spies, ‘Het epos in de 17e eeuw in Nederland: een literatuurhistorisch probleem’

1978

Arthur Eijffinger, ‘De dichter Hugo de Groot’

1980

E.K. Grootes, ‘Literatuurhistorie en Cats' visie op de jeugd’

1981

Rob Erenstein, ‘De invloed van de commedia dell’arte in Nederland tot 1800’

 

S. Groenveld, ‘Pieter Corneliszoon Hooft en de geschiedenis van zijn eigen tijd’

 

J. IJsewijn, ‘Theatrum Belgo-Latinum. Het neolatijns toneel in de Nederlanden’

 

P. Tuynman, ‘De const van rhetorike en Hoofts vroege poëzie’

1982

Arie Jan Gelderblom, ‘Jonge zieltjes, vlucht tot trouwen! Een nieuwe interpretatie van Jan Luykens Duytse lier

1982-83

E.K. Grootes, ‘De bestudering van populaire literatuur uit de zeventiende eeuw’

1983

Herman Roodenburg, ‘De autobiografie van Isabella de Moerloose. Sex, opvoeding en volksgeloof in de zeventiende eeuw’

 

M.A. Schenkeveld-van der Dussen, ‘De anti-idealistische poëtica van een christen-burger, Joannes Six van Chandelier’

 

Garmt Stuiveling, ‘Bredero's Groot Lied-boeck’

1984

Dirk Coigneau, ‘Rederijkersliteratuur’

 

Lia van Gemert, ‘De Haagsche Broeder-Moord: Oranje ontmaskerd’

 

George J. Möller, ‘Het album Pandora van Jan Six (1618-1700)’

 

Herman Pleij, ‘De laatmiddeleeuwse rederijkersliteratuur als vroeg-humanistische overtuigingskunst’

 

Karel Porteman, ‘“Aensiet de swackheyt dan van uwen armen dichter”. Een lectuur van Vondels Gebedt (1621)’

 

M.A. Schenkeveld-van der Dussen, ‘Poëzie als gebruiksartikel. Gelegenheidsgedichten in de zeventiende eeuw’

1985

M.A. Schenkeveld-van der Dussen, ‘Moraal en karakter: Lezingen van Moortje’

 

J.W. Steenbeek, ‘De dichter van de “Sonnetten van de schoonheyt”?’

 

P.E.L. Verkuyl, ‘Kosmos-beelden in Hoofts lyriek’

 

S.A. Vosters, ‘Spaanse en Nederlandse literatuur. De wederzijdse invloeden’

1986

Arie Jan Gelderblom, ‘De maagd en de mannen. Psychokritiek van de stadsuitbeelding in de zeventiende en achttiende eeuw’

 

L. Strengholt, ‘Over de Muiderkring’

1987

E.K. Grootes, ‘Het jeugdig publiek van de “nieuwe liedboeken” in het eerste kwart van de zeventiende eeuw’

 

H.J.M. Nellen, ‘Een Haags dichter over “de Delftse Cicero”. Hugo Grotius in de brieven en gedichten van Constantijn Huygens’

 

Marijke Spies, ‘Vondel in veelvoud. Het Vondel-onderzoek sinds de jaren vijftig’

1988

Ton Harmsen, ‘Gebruik en misbruik van de rhetorica door Nil Volentibus Arduum’

 

Maria-Theresia Leuker en Herman Roodenburg, ‘“Die dan hare wyven laten afweyen”. Overspel, eer en schande in de zeventiende eeuw’

 

Eric J. Sluijter, ‘Belering en verhulling? Enkele 17de-eeuwse teksten over de schilderkunst en de iconologische benadering van Noordnederlandse schilderijen uit deze periode’

1989

Karel Bostoen, ‘Vondel contra Smout. De calvinistische predikant Adriaan Joriszoon Smout in Vondels hekeldichten’

 

Anneke C.G. Fleurkens, ‘Leren met lust. Coornherts toneelspelen’

 

Arie Jan Gelderblom, ‘“Nieuwe stof in Neerlandsch”. Een karakteristiek van Coornherts proza’

 

W.M.H. Hummelen, ‘Toneel op de kermis, van Bruegel tot Bredero’

 

Ad Leerintveld, ‘Adonis en Christus, mythologie en christendom bij Revius’

 

Ilja M. Veldman, ‘Coornhert en de prentkunst’

1990

Marijke Barend-van Haeften, ‘Van scheepsjournaal tot reisverhaal: een kennismaking met zeventiende-eeuwse reisteksten’

 

Jan Konst, ‘De retorica van het “movere” in Jeremias de Deckers Goede Vrydag ofte het Lijden onses Heeren Jesu Christi

 

Tineke ter Meer, ‘Huygens en Harington. Over de bron van een serie sneldichten’

 

Bernard F. Scholz, ‘De “economische sector” in Roemer Visschers Sinnepoppen

 

B. van Selm, ‘“... te bekomen voor een Civielen prijs”. De Nederlandse boekprijs in de zeventiende eeuw als onbekende grootheid’

1991

Johan Koppenol, ‘“In mate volget mi”. Jan van Hout als voorman van de Renaissance’

 

H. Meeus, ‘In dees spieghel zal de domme jeucht met vreucht leeren’

 

P.J. Verkruijsse, ‘Holland “gedediceerd”. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw’

1991-92

H. Duits, ‘De levens der doorluchtige poeeten’

1992

Louis Peter Grijp, ‘De Rotterdamse Faem-Bazuyn. De lokale dimensie van liedboeken uit de Gouden Eeuw’

 

E.K. Grootes, ‘De ontwikkeling van de literaire organisatievormen tijdens de zeventiende eeuw in Noordnederland’

 

Marijke Meijer Drees, ‘Burgemeester Van der Werf als vaderlandse toneelheld; Een politieke autoriteit in belegeringsdrama’s’

 

J.H. Meter, ‘De structuur van Bredero’s Spaanschen Brabander

 

Karel Porteman, ‘Zeventiende-eeuwse dichters in last. “Op enen berg zo veer van huis”’

 

Mieke B. Smits-Veldt, ‘Het Brabantse gezicht van de Amsterdamse rederijkerskamer “Het Wit Lavendel”’

 

Marc van Vaeck, ‘Bredero’s liedboek. “De Tijdt, die niet en rust, verandert alle dinghen”’

1993

Johan Koppenol, ‘Een tegendraadse poëtica. De literaire ideeën van Jan van Hout’

 

Mark Meadow, ‘Volkscultuur of humanistencultuur? Spreekwoordenverzamelingen in de zestiende-eeuwse Nederlanden’

 

Jeroen Salman, ‘“Van sodanige Almanacken, die gevult zijn met ergerlijcke bijvoegselen en oncuyse en onstigtelijcke grillen”. Populaire leesstof in zeventiende-eeuwse almanakken’

 

Mieke B. Smits-Veldt en Hans Luijten, ‘Nederlandse pastorale poëzie in de 17de eeuw. Verliefde en wijze herders’

 

Marijke Spies, ‘Developments in Sixteenth-Century Dutch Poetics. From “Rhetoric” to “Renaissance”’

 

W. Vermeer, ‘“Den Nederduytschen Helicon”’

1994

Paul Dijstelberge, ‘De Cost en de Baet. Uitgeven en drukken in Amsterdam rond 1600’

1994-95

Els Stronks, ‘De “verborge werkkingh” van het zeventiende-eeuwse calvinistische liedboek’

1995

Lia van Gemert, ‘Hiding Behind Words? Lesbianism in 17th-Century Dutch Poetry’

 

C.L. Heesakkers, ‘De Nederlandse muze in Latijns gewaad. De bestudering van de Neolatijnse poëzie uit de Noordelijke Nederlanden’

 

Hans Luijten, ‘Gezien of gelezen? Realia en ontleningen in Jacob Cats' Sinne- en minnebeelden

 

Marijke Meijer Drees, ‘Patriottisme in de Nederlandse literatuur (ca. 1650-ca. 1750)’

 

Karel Porteman, ‘Het embleem als “genus iocosum”. Theorie en praktijk bij Cats en Roemer Visscher’

 

Paul Valkema Blouw, ‘Geheime activiteiten van Plantin, 1555-1583’

 

Werner Waterschoot, ‘Marot or Ronsard? New French poetics among Dutch rhetoricians in the second half of the 16th century’

1995-96

Werner Waterschoot, ‘De rederijkerskamers en de doorbraak van de reformatie in de Zuidelijke Nederlanden’

1996

Karel Bostoen, ‘Held in een bloedstollend drama’

 

H. Duits, ‘Hoofts Henrik de Grote. Een neostoïsche vorstenspiegel’

 

E.M. Grabowsky en P.J. Verkruijsse, ‘“Gadeloos, en onuytsprekelik van waerden”. Netwerken rondom de Amsterdamse schouwburg’

 

René van Stipriaan, ‘Gysbreght van Aemstel als tragische held’

 

Ton van Strien, ‘Inconsequent of inconsistent? Over de interpretatie van Bredero’s Moortje en Hoofts Ariadne’

 

Piet Visser, Godtslasterlijck ende pernicieus. De rol van boekdrukkers en boekverkopers in de verspreiding van dissidente religieuze en filosofische denkbeelden in Nederland in de tweede helft van de zeventiende eeuw

1997

Jan Konst, ‘“Het goet of quaet te kiezen”. De rol van de vrije wil in Vondels Lucifer, Adam in Ballingschap en Noah

 

René van Stipriaan, ‘Historische distantie in de Spaanschen Brabander’

1998

Martine de Bruin, ‘Het Wilhelmus tijdens de Republiek’

 

J.J. Kloek, ‘Burgerdeugd of burgermansdeugd? Het beeld van Jacob Cats als nationaal zedenmeester’

 

B.A.M. Ramakers, ‘De “Const” getoond. De beeldtaal van de Haarlemse rederijkerswedstrijd van 1606’