De Violieren

Antwerpen, Antwerpen

Opgericht: ?

Opgeheven: ?


Nadere informatie over organisatie

Anne-Laure Van Bruaene, Repertorium van rederijkerskamers in de Zuidelijke Nederlanden en Luik 1400-1650 (2004)

Informatie over leden van De Violieren in de dbnl

Pieter Baltens (1540-1611)
Jan van den Berghe (?-1559)
Theodoor Roodenbosch Bets (?(17de eeuw)-?)
Frederico Cornelio de Conincq (1606-1649)
François Diertyds (?(16de eeuw)-?)
Roeland van Engelen (?(17de eeuw)-?)
Alexander van Fornenbergh (ca. 1600-ca. 1675)
Frans Fraet (ca. 1505-1558)
Hans of Jan Goossens (?-?(17de eeuw))
Willem van Haecht (ca. 1530-voor 1612)
Ludolph van Hattum (ca. 1580-1616?)
Peter de Herpener (?(16de eeuw)-?)
Peter Meulewels (?-1664)
Jacob de Mol (?(16de eeuw)-)
Guilliam van Nieuwelandt (1584-1635)
Willem Ogier (1618-1689)
Erasmus Quellijn (1607-1678)
Gheleynsen van Schelle (?-?(17de eeuw))
Jan Smeken (ca. 1450-1517)
Jan Thieullier (?(17de eeuw)-?)
Sebastiaen Vrancx (1573-1647)


Teksten uit kring van De Violieren in de dbnl

Willem van Haecht, ‘6. Een nieu Liedeken, ghesonghen van de Cameristen der Violieren tot Antwerpen. ’ In: Geuzenliedboek (1574)
Willem van Haecht, ‘7. Noch een Liedt ghesonghen by de selve Cameristen der Violieren. ’ In: Geuzenliedboek (1574)
Peter de Herpener, ‘Een factie oft spel,’ In: Belgisch museum voor de Nederduitsche tael- en letterkunde en de geschiedenis des vaderlands. Deel 2 (1838)
J.F. Willems, ‘Aenhangsel. Ordonnantie van de Gulde van de Violiere, ghevoecht by de Gulde van Sinte Lucas, int jaer duysent vier honderd tachtentich, alsdoen den selven naem ghecregen hebbende metten woorde: Vuyt jonsten versaemt.’ In: Belgisch museum voor de Nederduitsche tael- en letterkunde en de geschiedenis des vaderlands. Deel 8 (1844)
Willem van Haecht, ‘- LX - [O opperste waerheyt, diet al regeeren // moet]’ In: Refereinen en andere gedichten uit de XVIe eeuw (1879-1881)
Willem van Haecht, ‘447. Hoe salich sijn die landen. (O. 1573)’ In: Het oude Nederlandsche lied. Deel 2 (1905)
Florimond Van Duyse, ‘426. Rijst wt den slape, die sijt beswaert. (Vrede van Cateau-Cambresis, 1559)’ In: Het oude Nederlandsche lied. Deel 2 (1905)
Willem van Haecht, ‘7. Noch een Liedt ghesonghen by de selve Cameristen der Violieren. ’ In: Geuzenliedboek (1924-1925)
Willem van Haecht, ‘6. Een nieu Liedeken, ghesonghen van de Cameristen der Violieren tot Antwerpen. ’ In: Geuzenliedboek (1924-1925)
Jan van den Berghe, ‘Het Leenhof der Gilden’ In: Dichten en spelen van Jan van den Berghe (1950)
Jan van den Berghe, ‘De Refreinen’, ‘I Hantwaerpen int vroede’ In: Dichten en spelen van Jan van den Berghe (1950)
Jan van den Berghe, ‘Hanneken Leckertant’, ‘Item Hier volcht Een prologe vant naervolgent Esbatement van Hanneken Lecker tant’, ‘Prologe’ In: Dichten en spelen van Jan van den Berghe (1950)
Jan van den Berghe, ‘De Wellustige Mensch’, ‘Item hier begint een spreeckende Prologe vant tspel genaempt Den wellustigen mensch.’ In: Dichten en spelen van Jan van den Berghe (1950)
anoniem Gentse Spelen, De, ‘Antwerpen’ In: De Gentse Spelen van 1539 (2 delen) (1982)


Secundaire literatuur over De Violieren in de dbnl

Willem Cornelis Ackersdijck, ‘Geschiedenis der rederijkkamers der hoofdstad en meyerye van 's Hertogen-bosch.’ In: Proeve van oudheid-, taal- en dichtkunde (1775)
J.F. Willems, ‘Zesde afdeeling. Tael- en Dichtkunde der Belgen in de zestiende eeuw.’ In: Verhandeling over de Nederduytsche tael- en letterkunde, opzigtelyk de Zuydelyke provintien der Nederlanden (1819-1824)
Peter Jozef Visschers, ‘Een woord over de oude Rhetorykkamers in het algemeen, en over die van Antwerpen in het byzonder.’ In: Belgisch museum voor de Nederduitsche tael- en letterkunde en de geschiedenis des vaderlands. Deel 1 (1837)
J.F. Willems, ‘Chronologische lyst Van oorkonden, de kamers van rhetorica te Antwerpen betreffende.’ In: Belgisch museum voor de Nederduitsche tael- en letterkunde en de geschiedenis des vaderlands. Deel 1 (1837)
C.P. Serrure, ‘Kamers van rhetorika.’ In: Vaderlandsch museum voor Nederduitsche letterkunde, oudheid en geschiedenis. Deel 1 (1855)
[tijdschrift] Neerlandia, ‘Een Liersche Quinten-Metsys.’ In: Neerlandia. Jaargang 2 (1898)
P. Leendertz (jr.), ‘VII. Dichters, tijd en plaats van vervaardiging.’ In: Middelnederlandsche dramatische poëzie (1907)
Willem Ogier, De tooneelwerken (3 delen) (1921-1955)
Willem Ogier, De tooneelwerken (3 delen) (1921-1955)
Jan Willem van Steenbergen, ‘Het spel der Violieren op het Gentse ‘landjuweel’.’ In: Jaarboek De Fonteine. Jaargang 1946-1947 (1948)
Jan van den Berghe, ‘Inleiding’ In: Dichten en spelen van Jan van den Berghe (1950)
anoniem De bekeeringe Pauli, ‘III. De auteur en de rederijkerskamer waartoe hij behoorde’ In: De bekeeringe Pauli (1953)
A.A. Keersmaekers, ‘Drie rebus-blazoenen van de Antwerpse ‘Violieren’ (1618-1619-1620) Door Dr. A.A. Keersmaekers’ In: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1957 (1957)
P.E.L. Verkuyl, ‘Hoofdstuk III Het ‘Spel van Amaril’ 1628 of eerder’ In: Battista Guarini's 'Il pastor fido' in de Nederlandse dramatische literatuur (1971)
A. van Elslander, ‘Les Chambres de Rhétorique aux Pays-Bas sous les ducs de Bourgogne’ In: Septentrion. Jaargang 7 (1978)
E. van Autenboer, ‘Een ‘Landjuweel’ te Antwerpen in 1496? door E. van Autenboer’ In: Jaarboek De Fonteine. Jaargang 1978-1979. Deel I (1980)