4. De taal van de brievenTussen de taal waarin de brieven geschreven werden en het huidige Nederlands ligt een periode van ruim vierenhalve eeuw. We komen dan ook woorden tegen die nu onbekend zijn of bekende woorden die nu een andere betekenis hebben dan in de 16de eeuw. Een voorbeeld van het laatste is het woord zwager, dat gebruikt kon worden als aanduiding van elk aangetrouwd familielid, dus ook voor de schoonzoon Geert ten Water. De taal van de brieven is, wat men noemt: oostelijk gekleurd. Een soort van standaard-Nederlands bestond nog niet in de eerste helft van de 16de eeuw. Een grote mate van uniformiteit in de schrijftaal, zoals we die nu kennen, was dan ook afwezig en er zijn duidelijke verschillen te signaleren tussen teksten uit het westen, Holland met name, en teksten uit Gelderland, de Ysselstreek en nog oostelijker gebieden 15 . Voorbeelden van typisch oostelijke vormen, die in de Van Spulde-brieven worden aangetroffen, zijn: quemen tegenover de westelijke vorm quamen (zgn. umlaut van lange vocalen); vrenden tegenover vrienden en vrunden; breef tegenover brief; neet tegenover niet; sint en synnen als vormen tegenover [wi, si] sijn; avercomen tegenover overcomen; to i.p.v. te. Het oostelijk Nederlands vormt een overgangsgebied naar het Nederduits 16 . In de brieven komen dan ook woordvormen voor die Duits aandoen, zoals ghesunt en wolde, ghehalden, oostelijke vormen voor ghesont, woude, ghehouden. Eveneens kan gewezen worden op het gebruik van sich begeven met de betekenis ‘plaatsvinden’ en het aanduiden van het toekomstige met behulp van het werkwoord werden/ worden: zie brief 8, regel 5 begeuen ward (= zou plaatsvinden).
Het zal bij nadere beschouwing opvallen dat de spelling van de brieven, ook wanneer het om een en dezelfde briefschrijver gaat, weinig consequent is. Zelfs eigennamen worden verschillend gespeld: Zesilie naast Cecilie en Zecilie, Ghoert naast Ghoedert, de achternaam to Vater, ten Vater, van den Vater, van den Water. De spellingen van de naam van den Water laten ook zien dat de ‘w’ vaak met een ‘v’ (of ‘u’) werd aangegeven. Andere voorbeelden zijn: vij (=wij), vant (=want), vil (=wil), vel (=wel). De brieven vertonen de in oudere teksten gebruikelijke afwisseling van u met v en van i met j: v (=u), vm (=um: om), ingheuallen (= ingevallen), geuen (=geven), jn (=in), js (=is), jck (=ick: ik) en iaerghetijde (=jaerghetijde). Bij de uitgave van teksten wordt het gebruik van u / v en i / j vaak aan het hedendaags gebruik aangepast. Wij hebben dat hier niet gedaan, omdat een spellingsaanpassing niet tot die twee punten beperkt zou kunnen blijven (u en v kunnen immers ook voor de ‘w’ staan; de ‘w’ treedt soms ook op voor de ‘v’ etc.), zodat gekozen moest worden tussen een veel rigoureuzere aanpassing en integrale handhaving van de gehanteerde spelling. De keus voor het laatste betekent dat de lezer zicht houdt op de gehanteerde spelling en de verschillende briefschrijvers op dit punt kan vergelijken. Eigenaardigheden springen dan in het oog. Het gebruik van veel dubbele medeklinkercombinaties, zoals in lijeff, ffrentelick, dess, gaff is bijvoorbeeld een typerend spellingskenmerk van de briefschrijver Johan van Spulde. De in het totaal twaalf brieven zullen in zes hoofdstukken gepresenteerd worden, voorzien van toelichtend commentaar en ingebed in het verhaal over de wederwaardigheden van de familie. In de brieven wordt de spelling niet gewijzigd, maar enkele andere aanpassingen hebben wel plaatsgevonden, zoals men uit vergelijking met de foto's van de brieven, die als illustratie zijn opgenomen, kan opmaken. De brieven zijn voorzien van interpunctie en er zijn wijzigingen aangebracht wat betreft het hoofdlettergebruik en het aan elkaar danwel afzonderlijk schrijven van woorden. Zo verschijnen in brief 2, regel 1 Erenst vesten en bij sunder als Erenstvesten en bijsunder, terwijl vander genaden in regel 2 wordt weergegeven als van der genaden. Ook zijn afkortingen opgelost, zowel die met abbreviaturen staan aangegeven (bijvoorbeeld de superscripte komma in docht' = dochter, het superscripte streepje in bij sder = bij sunder, de d met een lange haal in genad = genaden) als gevallen waarin bijvoorbeeld een enkele l voor het woord lyef staat 17 . Omdat de oostelijke kleuring en de oudere taal van de brieven de hedendaagse lezer voor problemen kunnen stellen, wordt ter ondersteuning naast de 16de-eeuwse teksten ook een vertaling gegeven. In de vertalingen is de soms wat gebrekkige zinsbouw van de brieven gehandhaafd, omdat die juist heel kenmerkend is. Zo wordt veel ‘en’ gebruikt om zinnen aan elkaar te rijgen. Ook kloppen soms bepaalde vergelijkingen niet en dat is niet in de vertaling gecorrigeerd. Een voorbeeld van dat laatste is te vinden in de tweede brief, regel 3, waar de juiste vergelijking zou moeten luiden: zoals u en mijn lieve dochter, naar ik hoop, ook in goede gezondheid verkeren. In de tekst is echter de vergelijking met ‘ik hoop’ getrokken en conform daarmee wordt vertaald: zoals ik hoop dat u en mijn lieve dochter ook in goede gezondheid verkeren. De adressering wordt meestal met een vaste formule uitgedrukt, zoals bij brief 1: An de veerdijge Zesilie to Vater, myn lyef dochter, vrentelyck ghescreuen (= Aan de waarde Zesilie to Water, mijn geliefde dochter, hartelijk geschreven) 18 . Dezelfde formule leidt in de afwijkende adressering van brief 4 tot een kreupel geheel (Desen breef sal hebben Cecilie van den Vater, myn lyef dochter, ffrentelyck ghescreuen) en dat is in de vertaling terug te vinden (nl.: Deze brief moet krijgen Cecilie van den Water, mijn geliefde dochter, hartelijk geschreven). De brieven, die op een na alle gedateerd zijn, komen in chronologische volgorde aan bod (de ongedateerde brief als laatste). Bij de datering speelden heiligedagen een rol: een brief werd bijvoorbeeld geschreven op St. Maartensdag in het jaar 39 (=1539). De datum van een heiligedag levert over het algemeen geen probleem op. Ook de datum waarop bijvoorbeeld de vrijdag na de feestdag van St. Petrus en Paulus in het jaar 1536 viel, is te bepalen met behulp van de tabellen in de gebruikelijke handboeken 19 . |
15 Zie voor de
dialectsituatie in de 16de eeuw en de geleidelijke ontwikkeling van een standaardtaal: Marijke
van der Wal (in samenwerking met Cor van Bree), Geschiedenis van het Nederlands,
Utrecht: Het Spectrum 1994, 2e dr., p. 108-121; 183-208. Voor meer informatie over de
kenmerken van oostelijk gekleurde taal wordt verwezen naar de pagina's 112-115 en naar de
volgende publicaties:
H.J. Leloux, ‘Kenmerken van het middeleeuws Noordoostnederlands’, in: Driemaandelijkse Bladen N.S. 26 (1974), 121-147. H.J. Leloux, ‘Middeleeuws Oostgelders. Een oriënterende verkenning’, in: Taal en Tongval 34 (1982), 8-23. H. Niebaum, ‘Noordoostmiddelnederlands-noordwestmiddelnederduits-(west)middelnedersaksisch’, in: Driemaandelijkse Bladen 38 (1986), 153-177. 16 Het is een geforceerd iets om een scheidslijn
te trekken tussen het Nederlands en het Nederduits in de Middeleeuwen en de 16de eeuw.
Met Niebaum 1986 (zie noot 15) kunnen we het best de neutrale term nedersaksisch
gebruiken als woord voor oostnederlands en westnederduits tezamen.
17 Afhankelijk
van de spellingsgewoonten van een bepaalde briefschrijver wordt eenzelfde afkorting soms
verschillend opgelost. Bijvoorbeeld de aanduiding v.l. in brief 8, regel 10 als v lyfde en in
brief 10, regel 11 als v liefde. De in de adressering gebruikte afkorting wordt wisselend
opgelost als ghescreuen, gescreuen, gheschreuen.
18 Dergelijke vaste
uitdrukkingen worden ook in andere brieven uit die tijd aangetroffen (vgl. P. Gerbenzon (ed.),
Friese brieven uit de vijftiende en zestiende eeuw, Groningen 1967). Hetzelfde geldt voor
bepaalde standaardformuleringen aan het slot van de brieven.
19 Vgl. H. Grotefend, Zeitrechnung des
deutschen Mittelalters und der Neuzeit, 2 Bd., Hannover 1891-98 en Eg. I. Strubbe & L.
Voet, De chronologie van de Middeleeuwen en de Moderne tijden in de Nederlanden,
Antwerpen/ Amsterdam 1960. Een inleidend boekje is: W. Wijnaendts van Resandt, Dagen,
maanden, jaren, tijdrekenkunde in kort bestek, Den Haag 1979.
|