5. Wij kunnen niet komen...: twee brieven uit 1530

De vroegste brieven uit de Van Spulde-verzameling dateren uit 1530. Het zijn twee brieven geschreven respectievelijk op de avond voor de feestdag van St. Margaretha, d.w.z. op 12 juli, en op de dinsdag na Divisio Apostolorum, 19 juli 20  . Ze lijken inhoudelijk sterk op elkaar, al richt de ene brief zich in eerste instantie tot dochter Cecilia en de andere tot schoonzoon Geert ten Water. De brief aan Cecilia is op sommige punten wat explicieter: de datum van de beloofde komst, nl. op de feestdag van St. Anna, d.i. 26 juli, wordt vermeld en myn lyef suster wordt met de achternaam Van Wijnbergen genoemd. In de zo kort daarop volgende tweede brief staat daarentegen een extra bericht over zuster Merelle en heer Zijwert. De adressering ontbreekt weliswaar op de brief van 19 juli, maar de vouwen en de gaatjes in de brieven wijzen erop dat ze beide dichtgenaaid en voor verzending gereed zijn gemaakt. Wellicht deed de gelegenheid zich voor om ze achtereenvolgens met verschillende personen mee te geven, zodat men er zeker van was dat het bericht van verhindering de familie in Zwolle bereikte.

Nadat de brieven met de nodige epitheta zijn begonnen (Veerdyge, lyefue dochter To Vater, Erenstvesten, frome, bijsunder lyef soen ende zuager) worden Cecilia en Geert samen en ook afzonderlijk aangesproken met de aanduiding u liefden resp. u liefde, een gebruikelijke zestiende-eeuwse aanspreekvorm in brieven. In de tweede brief wordt daar nog de kwalifikatie frome aan toegevoegd en in de eerste brief een keer veerdighe. De inhoud van de brieven is duidelijk: we kunnen niet komen, hoewel dat beloofd was. De belangrijkste belemmering vormt de ziekte van mijn lieve zuster Van Wijnbergen. Andere familieleden die worden genoemd zijn mijn zuster Merelle en mijn broer die bij mijn zuster is. Het is moeilijk om de identiteit van deze drie personen te achterhalen, zelfs wanneer een achternaam staat vermeld. De aanduidingen zuster en broer kunnen ook voor schoonzuster en zwager gebruikt worden. Mijn lieve zuster Van Wijnbergen kan een zuster of schoonzuster van vader Gerrit zijn, die met een Van Wijnbergen is getrouwd. Mogelijk schoonzus Stijne van Hueckelum, die getrouwd was met Sywert van Wijnbergen. Een schoonzuster die van zichzelf Van Wijnbergen heet, is echter ook niet uit te sluiten (m.n. na het overlijden van de echtgenoot wordt in stukken de oorspronkelijke naam wel weer gehanteerd). De stambomen in hoofdstuk 3 laten zien dat in dat geval zelfs nog twee schoonzusters in aanmerking komen: Golde van Wijnbergen, de vrouw van stiefbroer Gerrit van Spulde, en eventueel Zwedera van Wijnbergen, de vrouw van zwager Willem van Hueckelum. De aanduiding in de brief is onvoldoende om een keus mogelijk te maken. Alleen wanneer het nieuws dat heer Zijwert bij zijn moeder is, verband houdt met de eerdere vermelding van de zieke zuster Van Wijnbergen is er duidelijkheid. Heer Zijwert moet namelijk wel Zijwert van Wijnbergen zijn, die zijn moeder Stijne van Hueckelum bezoekt en wiens vader Sywert van Wijnbergen in 1530 zou zijn overleden 21  . Wanneer die mededeling echter los staat van de eerdere, is mijn lieve zuster Van Wijnbergen nog steeds niet overtuigend geïdentificeerd.

Tegen het eind van de brieven krijgen nog twee personen in de Zwolse omgeving de groeten van vader Van Spulde: de zuster van Geert ten Water, juffer Van Haerst, en juffer Van Scerpenseel. De aanduiding juffer, die, zoals we in de derde brief kunnen zien, ook voor Cecilia werd gehanteerd, was in gebruik voor gehuwde en ongehuwde vrouwen van zekere stand. De zus van Geert ten Water, juffer Van Haerst, is - dit in tegenstelling tot juffer Van Scerpenseel - goed thuis te brengen: het gaat om de in hoofdstuk 3 genoemde Elisabeth ten Water, die getrouwd was met de in 1529 overleden Johan van Haerst 22  .



afbeelding 8: brief 1, BPL2853 fol. 1

 

 20  Divisio Apostolorum, 15 juli, viel in 1530 op een vrijdag, zodat de datering dinsdag na Divisio Apostolorum staat voor dinsdag 19 juli 1530. De datering van St. Margaretenavond is een probleem, omdat de datum van feestdag van St. Margaretha varieert van 12 tot 20 juli. De ordes hielden bijvoorbeeld 20 juli aan, terwijl in de meest westelijke strook van Duitsland (van Bremen via Keulen tot Trier) 13 juli gebruikelijk was. Dat betekent dat de datering van de brief geschreven op St. Margeretenavond, d.w.z. op de vooravond van de feestdag van St. Margaretha, kan schommelen tussen 11 en 19 juli. Waarschijnlijk hield men in Harderwijk eveneens 13 juli aan (vgl. dateringen in P. Berends, Het oud-archief van Harderwijk, Harderwijk 1935, dl. 2., p.281, regest 750), zodat de brief in kwestie op 12 juli geschreven zal zijn.
 21  De identificering van heer Zijwert dank ik aan de heer J. van Hell, archivaris van het Gemeentearchief Harderwijk.
 22  Johan van Haerst behoorde eveneens tot een familie die generatieslang magistraatsleden in Zwolle leverde. Voor hem was het een tweede huwelijk: hij was eerder getrouwd geweest met Lutgart van Uterwyck. Bij zijn overlijden ontstaan problemen over de nalatenschap tussen zijn zoon Hendrik uit het eerste huwelijk en de kinderen uit zijn tweede huwelijk.

Brief 1


a An de veerdijge Zesilie to
b Vater, myn lyef dochter,
c vrentelyck ghescreuen.
   
1 Veerdyge, lyefue dochter To Vater, v lyefden sullen veten dat vij noch
van der genaden Godes vel to pas bynnen, soals ick hoep, dat myn
lyef zuager ende myn lyef dochter mijt de vrenden oeck sint. Veerde, lyef dochter To Vater, soals ick
v veerdighe lyefden gelouet hadde sunte Anne bij v lyefden to comen,
5 so ys myn lyef suster Van Wynberghen vat vekelyck ende can neet comen,
ende oeck een vekelijke tijt ijs, ende myn broeder tot myn suster ijs, vant
an beijde sijden van syn hus ghebreck ijs. Ende, veerde, lijef dochter, begeer
daervm, dat v lijefden vp dese tyt daermede tovreden villen vesen,
vant het vns nu so neet gelegen en ys, dan, vil God, vp een
10 anderen tijt vil ick myt den vrenden ouercomen. Ende gruet mij
myn lyef zuager, v lyef man, ende syn lyef suster, juffer Van Haerst,
ende juffer Van Scerpenseel myt de vrenden. Ken God, de v lyefden
lanck frolyck, gesunt sparen vil. Ghescreuen vp sunte Mergareten
avent anno XXX.
   
Gheryt van Spulde, v lyef vader.

 

Vertaling brief 1


a Aan de waarde Zesilie to
b Water, mijn geliefde dochter,
c hartelijk geschreven.
   
1 Waarde, geliefde dochter To Water, u beiden moeten weten dat wij nog altijd
door de genade Gods het goed maken, zoals ik hoop, dat mijn
geliefde schoonzoon en mijn geliefde dochter met de familieleden ook
in goede gezondheid verkeren. Dierbare, geliefde dochter To Water, hoewel ik
u beiden beloofd had op de feestdag van Sinte Anna bij u te komen,
5 is mijn geliefde zuster Van Wynberghen wat ziekelijk en kan ik niet komen 23  ,
terwijl het bovendien een moeilijke tijd is, en mijn broer bij mijn zuster is, omdat
er aan beide kanten van zijn familie narigheid is 24  . En, dierbare, geliefde dochter, ik verzoek [u]
daarom, dat u beiden op dit moment zich daarin willen schikken,
omdat het ons nu niet zo gelegen komt, maar, als God het wil, zal ik
10 op een andere tijd met de familieleden (over)komen. En groet van mij
mijn geliefde schoonzoon, uw geliefde man, en zijn geliefde zuster, mevrouw Van Haerst
en mevrouw Van Scerpenseel met de familieleden. Ken God, die u beiden
lang in vreugde en gezondheid moge sparen. Geschreven op de avond voor
de feestdag van St. Margaretha, in het jaar [15]30.
   
Gheryt van Spulde, uw liefhebbende vader.

 



afbeelding 9: brief 2, BPL2853 fol. 2

 

 23  Bij can is het subject niet expliciet genoemd. Er zijn twee mogelijkheden: het onderwerp myn lyef suster Van Wynberghen is samengetrokken of het onderwerp ik is weggelaten, zoals dat ook in brief 2: r. 6 Ende begeer gebeurt. In de vertaling is voor het laatste gekozen.
 24  De woorden vekelyck (regel 5) en ghebreck (regel 7), die enigszins algemeen zijn vertaald met resp. ‘moeilijke’ en ‘narigheid’ kunnen ook specifiek duiden op ziekte.

Brief 2


1 Erenstvesten, frome, bijsunder lyef soen ende zuager, v frome lyefden
sullen veten, dat vij noch van der genaden Godes vel to passe
bynnen, als ick hope dat v frome lyefde ende myn lyef dochter oeck
bynnen. Ende soals v frome lyefde ende myn lyef dochter gheerne hadden
5 dat vij daer quemen myt de vrenden, so en konnen vij dat neet
bij brengen, vant myn lyef suster noch al syeck ijs. Ende begeer
daervm vrentelyck dat v frome lyefde ende myn lyef dochter jnt
beste villen nemen. Ende myn suster Merelle jn een dach
of tue ende heer Zijwert ijs hyer bij syn moeder. Ende groet
10 mij v lijefe suster ende juffer Van Scerpenseel. Ghescreuen des dyndages
na Diuisio Apostolorum anno XXX.
   
Gheryt van Spulde

 

Vertaling brief 2


1 Waarde, geachte, zeer geliefde zoon en schoonzoon, u beiden
moeten weten, dat wij nog altijd door de genade Gods het goed
maken, zoals ik hoop dat u en mijn geliefde dochter ook in goede gezondheid
verkeren. En hoewel u en mijn geliefde dochter graag zouden hebben
5 dat wij daar kwamen met de familieleden, kunnen wij dat niet
ten uitvoer brengen, omdat mijn geliefde zuster nu nog ziek is. En ik verzoek [u]
daarom vriendelijk dat u en mijn geliefde dochter zich erin willen
schikken. En mijn zuster Merelle [komt] in een dag
of twee en heer Zijwert is hier bij zijn moeder 25  . En groet
10 uw geliefde zuster en mevrouw Van Scerpenseel van mij. Geschreven dinsdags
na Divisio Apostolorum in het jaar [15]30.
   
Gheryt van Spulde

 

 25  In de zin Ende myn suster...moeder (r. 8-9) ontbreekt een persoonsvorm. Ik neem aan dat comt is weggevallen. Dat lijkt de meest acceptabele oplossing tegenover mogelijkheden die zijn overwogen bij een eventuele andere interpunctie.