6. Mijn zonen zijn op reis: 1534 en 1536

De gebruikelijke informatie naar het welbevinden van de familie gaat op St. Pancrasdag, d.i. 12 mei, 1534 vergezeld van een attentie: een hoeveelheid paling voor Geert ten Water (vader Gerrit woont in de vissersplaats Harderwijk!) en een tabbaard en garen voor Cecilia. Een tabbaard, in de vertaling weergegeven met het woord japon, was een zijden of wollen kledingstuk, waarvan lijf en rok meestal een geheel vormden. Het werd in de 16de eeuw gedragen door vrouwen van de hogere standen en de rijke koopmansstand 26  . Kostbare tabbaarden liet men wel na en dit is kennelijk ook bij de Van Spuldes het geval: het betreft een tabbaard van de overleden moeder van nicht Van Spulde. In Zwolle is nicht Van Spulde aanwezig, die nadrukkelijk uitgenodigd wordt om samen met Cecilia en Geert rond St. Olef, d.i. 12 juni, naar de kermis in Harderwijk te komen. De kermis, oorspronkelijk het feest van de kerkwijding, was een belangrijk evenement met een jaarmarkt en diverse attracties. Aan het eind van de brief blijkt dat mevrouw Van Scerpenseel, die ook in brief 1 en 2 werd gegroet, in een familierelatie tot de Van Spuldes te staan: ze wordt nu aangeduid als myn nichte Van Scerpenseel.

Het verdere nieuws betreft de zonen Gerrit en Johan, die geregeld op reis zijn. Gerrit heeft een klein reispaard gekocht en wil naar Overland, een aanduiding voor Duitsland of meer specifiek Rijnland-Westfalen: ‘myn soen Gheryt heft een clein clepper ghecoft ende vil na Overlant to bij den hoep’. Het is niet met zekerheid te zeggen waar de aanduiding ‘bij den hoep’ naar verwijst. De betekenis ‘bij de groep’ (eventueel: bij het regiment) geeft - net als andere betekenissen die in de overwegingen zijn betrokken - weinig zin binnen de context van de brief. Omdat plaatsaanduidingen en namen in de oorspronkelijke brief niet met een hoofdletter worden geschreven (zie afb. 10) zou men ‘bij den Hoep’ ook als een nadere, geografische aanduiding kunnen opvatten, die door ons echter niet op geraadpleegde kaarten is aangetroffen 27  . Johan is in de brief van 1534 in Elburg en in de daaropvolgende van 1536 te Wageningen. In Wageningen moet in elk geval land bekeken worden. Land dat volgens het Oud Rechterlijk Archief in het bezit was van Gerrit van Spulde en zijn kinderen. De kinderen hadden in 1513 zelfs nog 7 morgen land van hun grootmoeder Geertruida van Hueckelum gekregen 28  .

In de brief van 30 juni 1536 - de vrijdag na de feestdag van St. Petrus en St. Paulus - verschijnt de eerste indicatie dat de gezondheid van zoon Johan te wensen overlaat: hij gaat ook naar Wageningen om van de koliek, een benaming voor allerlei buik- en ingewandsaandoeningen, af te komen. We kunnen slechts gissen wie hij daarvoor bezocht: een arts of wellicht iemand uit de hoek van de gebedsgenezers. Van die laatste categorie blijkt Johan later (vgl. brief 6) niet afkerig te zijn .

In brief 4 roept een formulering in de regels 6 en 7 vragen op: vader Van Spulde, de schrijver van de brief, wordt daar als hij aangeduid. Is dit een bewust afstandelijke zegswijze of moet hieruit worden afgeleid dat deze brief, en in dat geval dan ook al de voorafgaande, die in hetzelfde handschrift zijn geschreven, niet door Gerrit van Spulde zelf op papier zijn gezet? We houden het op het eerste, omdat de ondertekening van alle brieven een handschrift laat zien dat overeenkomt met de brieven 1 tot en met 4 zelf. Een wat afstandelijke, ambtelijke formulering kan er doorheen zijn geslipt bij vader Van Spulde, die als magistraatslid met ambtelijk taalgebruik vertrouwd moet zijn geweest.



afbeelding 10: brief 3, BPL2853 fol. 3

 

 26  De tabbaard of mantel is een van de meest karakteristieke kledingstukken van de 16de eeuw en werd zowel door mannen als door vrouwen gedragen. Vgl. onder meer J.R. ter Molen e.a., Huisraad van een molenaarsweduwe, Rotterdam/ Amsterdam 1986, p. 62 en R. Kistemaker & M. Jonker, De smaak van de elite, Amsterdam 1986, p.50-57.
 27  Een plaatsnaam Hoep of Hoop hebben we niet aangetroffen in Overland (Rijnland-Westfalen). Hoep kan in het Middelnederduits ook een wijde monding van een rivier of bocht als naam van een zeegebied zijn, wat Mevr. Drs. C.M. van Rossem in haar afstudeerscriptie ‘Brieven van de familie van Spulde’ (RU Leiden 1985) deed veronderstellen dat bij den Hoep zou kunnen slaan op het gebied dat nu de Bocht van Helgoland heet, bij de monding van Weser en Elbe. Op de door mij geraadpleegde 16de- en 17de-eeuwse kaarten is die aanduiding echter niet terug te vinden.
 28  Vgl. ORAH, rec. 132, fol. 202 verso voor een acte, gedateerd 7 maart 1513, waarin Geertruyt van Hueckelum met haar zoon en momber Willem van Hueckelum aan de kinderen van Gerrit van Spulde en haar dochter Geertruyt zaliger zeven morgen land in Wageningen geeft en waarin ook over land van Gerrit en zijn kinderen wordt gesproken.

Brief 3


a An juffer Cecilie
b ten Vater, myn lyef
c dochter, frentelyck
d gescreuen.
   
1 Eerverdighe, lyef dochter, v lyefden sullen
veten, dat vij altosaemen ghesunt synnen,
als ick hoep van der genaden Godes, dat
myn lyef soen ende myn lyef dochter oeck sint.
5 Ende ick sende myn lyef soen een ael voer een
cleyne grote ende sende myn lyef dochter myn
nicht Van Spulde haer zelige moder tabbert
mijt vat blau garens. Ende myn soen Johan ys
ter Elbruch ende myn soen Gheryt heft een
10 clein clepper ghecoft ende vil na Over-
lant to bij den Hoep/ hoep. Ende begeer vrentelyck,
dat myn lyef soen ende myn lyef dochter
teghen sunte Olef to kermisse villen
comen ende vergete myn lyef nichte Van Spulde
15 neet, se en coem mede. Ende groet mij myn
lyef soen ende myn nichte Van Scerpenseel ende
myn lyef nichte Van Spulde. Gode beuolen, de v
lanck frolyck, ghesunt sparen vil. Ghescreuen vp
sunte Pancraes dach anno XXXIIIJ.
   
Gheryt van Spulde, v lyef vader.

 

Vertaling brief 3


a Aan mevrouw Cecilie
b ten Water, mijn geliefde
c dochter, hartelijk
d geschreven.
   
1 Waarde, geliefde dochter, u beiden moeten
weten, dat wij allemaal gezond zijn,
zoals ik hoop door de genade Gods, dat
mijn geliefde zoon en mijn geliefde dochter [dat] ook zijn.
5 En ik stuur mijn geliefde zoon een hoeveelheid paling als een
kleine groet en ik stuur mijn geliefde dochter
de japon van mijn nicht Van Spulde's overleden moeder
met wat blauw garen. En mijn zoon Johan is
in Elburg en mijn zoon Gheryt heeft een
10 klein paard gekocht en wil naar Overland
toe bij de Hoep/ groep. En ik vraag met nadruk,
of mijn geliefde zoon en mijn geliefde dochter
tegen de feestdag van St. Olef naar de kermis willen
komen en mijn geliefde nicht Van Spulde moet niet nalaten
15 ook te komen. En groet mijn
geliefde zoon en mijn nicht Van Scerpenseel en
mijn geliefde nicht Van Spulde van mij. In Gods hoede aanbevolen, die u
lang in vreugde, in gezondheid moge sparen. Geschreven op
de feestdag van St. Pancras in het jaar [15]34.
   
Gheryt van Spulde, uw liefhebbende vader

 



afbeelding 3 (herhaling): brief 4, BPL2853 fol. 4

 

Brief 4


a Desen breef sal hebben
b Cecilie van den Vater, myn
c lyef doc[h]ter, ffrentelyck ghescreuen.
   
1 Eerwerdighe, lyef dochter, v Eerwerdighe lyefden sullen veten, dat vij noch
altosaemen gesunt synnen, als ick hoep van der genaden Goes, dat
myn lyef zuager ende myn lijef dochter ende myn lyef nycht oeck
synnen. Ende syn[n]en vrentelyck begerende, dat myn lyef dochter mijtten
5 eersten eens auercomen vil, vant myn lyef dochter in langre tyt
bij vns neet gheuest en ys. Ende van den lesten breef de hij v lyefden
sende, daer en heft hij haer noch neet of to kennen gegeuen.
Ende myn soen Johan ys to Vagenynge vm dat lant to besyen ende de
collyck to sceyden ende cumt tauent of merghen to hus, vil God.
10 Ende myn soen Gheryt en hebben vij nyet zekers, dan ick hoep
dat hij haest comen sal. Ken God, de myn lyef soen en[de] zuager
ende myn lyef dochter ende myn lyef nij[c]ht lanck frolyck, ghesunt
sparen vil. Ghescreuen des vridages na sunte Peter ende sunte
Pouuels dach anno XXXVI.
   
Gheryt van Spulde, v lyef vader.

 

Vertaling brief 4


a Deze brief moet krijgen
b Cecilie van den Water, mijn
c geliefde dochter, hartelijk geschreven
   
1 Waarde, geliefde dochter, u beiden moeten weten dat wij nog altijd
allemaal gezond zijn, zoals ik hoop door de genade Gods, dat
mijn geliefde schoonzoon en mijn geliefde dochter en mijn geliefde nicht [dat] ook
zijn. En wij vragen met nadruk of mijn geliefde dochter bij de eerste de beste gelegenheid
5 eens wil komen, omdat mijn geliefde dochter lange tijd
niet bij ons geweest is. En wat de laatste brief betreft die hij u
stuurde, daarin heeft hij haar daarover niets doen blijken.
En mijn zoon Johan is te Wageningen om het land te bekijken en om
van de koliek af te komen en hij komt vanavond of morgen thuis, als God het wil.
10 En wat mijn zoon Gheryt betreft weten wij niets met zekerheid, maar ik hoop
dat hij spoedig zal komen. Ken God, die mijn geliefde zoon en schoonzoon
en mijn geliefde dochter en mijn geliefde nicht lang in vreugde, in gezondheid
sparen moge. Geschreven vrijdags na de feestdag van St. Petrus en
Paulus in het jaar [15]36.
   
Gheryt van Spulde, uw liefhebbende vader