8. Een erfenis en enkele andere financiële afwikkelingenEr valt een erfenis te verdelen en vader Gerrit van Spulde roept Geert ten Water in een brief van 3 juli 1539 op om hem ter plekke ‘des dijnxdaichs na sunt Jacop naestcomende’, d.w.z. op dinsdag 29 juli, te adviseren en te assisteren. Er zijn familieleden uit Zutphen en Deventer bij betrokken en de verdeling zal plaatshebben op het goed Ter Hunder te Twello 34 . Het betreft goederen ‘heerkomende van de tuchtmeyster Gerrit Sweeffkes zelijger huissurou’. Deze formulering is dubbelzinnig omdat zelijger betrekking kan hebben op Gerrit Sweeffkes of op huissurou: het kan zijn dat de goederen afkomstig zijn van de echtgenote van de onderwijzer Gerrit Sweeffkes zaliger of van de overleden echtgenote van de onderwijzer Gerrit Sweeffkes, die dan zelf nog leeft. Uit een archiefstuk, dat hieronder ter sprake komt, blijkt dat het laatste het geval is.
Gerrit Sweeffkes of Swaefken is geen onbekende naam in die tijd in Deventer: bij de vermelding van magistraatsfuncties duikt hij herhaaldelijk op. Omdat in de eerste helft van de 16de eeuw verschillende personen in Deventer die naam blijken te dragen, is zonder verdere gegevens niet te bepalen wie nu met de Gerrit Sweeffkes uit de brief gelijk gesteld kan worden 35 . De precieze familierelatie tussen de Van Spuldes en Gerrit Sweeffkes en zijn vrouw is in de correspondentie niet duidelijk. Het onderzoek in de archieven heeft daar ook geen uitsluitsel over gegeven, maar het leverde wel een document op waarin zowel de Van Spuldes als Swaefken en zijn vrouw voorkomen 36 . Op 28 maart 1504 vindt er een transactie plaats, waarbij grootvader Gerrit van Spulde optreedt, die ook gevolmachtigde is voor zijn vrouw Jacob, voor zijn zoon Gerrit van Spulde en diens vrouw Geertruida, en voor zijn zonen Gerrit jr. en Claes van Spulde (vgl. de stamboom in hoofdstuk 3). Hij draagt een huis in Deventer gelegen aan de brink, tussen een huis van het Cybekeloeklooster en dat van Herman van Kesselen, over aan Gerrit Swaefken en diens vrouw Machteld, die zich verplichten jaarlijks een bedrag aan de Van Spuldes en aan de ook in het stuk genoemde Averengks te betalen. Nu de naam van Sweeffkes' echtgenote bekend is, valt ook vast te stellen dat vijfendertig jaar na de bovengenoemde overeenkomst Machteld is overleden en Gerrit Sweeffkes zelf nog leeft. In het Gemeentearchief van Deventer treffen we namelijk een stuk aan van 5 februari 1539, waarin Coran Risen, Andries Bonnyen en Anna, zijn vrouw meedelen dat Gerrit Swaefken hun allerlei zaken heeft doen toekomen: renten, roerende en onroerende goederen, die zij geeërfd hebben van ‘zalijge Mechteld, de vrouw van Meester Gerryt Swaeffken’ 37 . De verdere afwikkeling van de erfenis vond kennelijk maanden later plaats; de brief van Gerrit van Spulde getuigt daarvan.
|
34 Het huidige huis Hunderen bij Twello dateert uit de 19de eeuw. Sinds 1656 is
Hunderen een Gelders leen (vgl. E. Zandstra, Kastelen en huizen op de Veluwe, s'
Gravenhage / Rotterdam). Het zou in de 16de eeuw eigendom zijn geweest van het geslacht
Van Doetinchem als een allodiaal (vrij) eigen goed. Over andere 16de- of 15de-eeuwse
eigenaars heb ik geen gegevens kunnen vinden. In Deventer acten uit 1544 en 1550 worden
erve ende goet die Hunder en het gueth the Hunder genoemd, maar zonder dat er een
relatie met de Van Spuldes of de Swaefkens wordt gelegd.
35 We kunnen zo ook niet vaststellen of de in de brief vermelde persoon de
Gerrit Swaefken is die op 18 september 1527 in Apeldoorn, als afgevaardigde van Deventer,
heel krachtig en uitvoerig reageert op de nieuwe veeleisende punten van de hertog van Gelre.
Zie W. Nagge, Historie van Overijssel dl. 2, Groningen 1975 (anastatische herdruk van
Zwolle 1908-1915), p. 86-7.
36 Het betreft een
document in het Deventer Liber Renunciationum 1501- 1505, fol. 209-211, d.d. 28-3-1504
(Gemeentearchief Deventer), waarop Mr. H.J. Nalis, de gemeentearchivaris van Deventer, mij
attendeerde. Wat de familierelatie tussen de Van Spuldes en Gerrit Swaefken betreft, zou men
uit de condities van het stuk betreffende het huis (de bepaling nl. dat Gerrit Swaefken na het
overlijden van Machteld meer rente moet betalen) slechts kunnen afleiden dat Machteld een
familielid van de Van Spuldes is. Vergelijkbare bepalingen komen ook in andere testamenten
voor.
37 Vgl. de Renunciatiën van Deventer over de jaren 1524-1549, fol.
409-2, d.d. 5-2-1539.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Brief 8
Vertaling brief 8
Er is iets merkwaardigs aan de hand met de brief over de erfenis: hij is niet in dezelfde hand als de andere brieven van vader Van Spulde geschreven. Ook de spelling is afwijkend van die in de eerdere brieven (vgl. bijvoorbeeld lyue in regel 1 en lyff in regel 11 tegenover lyef in de andere brieven). Deze brief moet voor hem op papier gezet zijn; alleen de ondertekening is in het vertrouwde handschrift. Gerrit van Spulde sr. zal zelf nog één brief schrijven: de brief van St. Maartensdag, 11 november, 1539, waarin allerlei niet geheel doorzichtige financiële transacties aan de orde komen. Er worden verschillende Gelderse munten genoemd: klimmers, rijders en snaphanen 39 . Klimmers en rijders zijn gouden munten ter waarde van resp. 29 stuivers en resp. 21 of 24 stuivers. Snaphanen zijn zilveren munten ter waarde van 5 à 6 stuivers. De voorts nog gehanteerde term slaper wordt gebruikt voor een schuldbrief waarvoor voldaan is. Vader Gerrit bevestigt de ontvangst van een bedrag in klimmers en rijders en van acht afgedane schuldbrieven. Hij stuurt op zijn beurt zijn dochter Cecilia een bedrag in snaphanen met daarbij nog de instructie dat Geert ten Water aan Johan Voet 10 rijders moet geven. In een korte zin wordt nog iets uit het dagelijks leven meegedeeld: wanneer de brouwkuip arriveert, zal Gerrit van Spulde de losse bodem ter plekke laten maken. Er werd in die tijd vaak thuis bier gefabriceerd. In de brouwkuip, de kuip waarin het mout met water vermengd wordt, hoort een tweede, losliggende, met gaten doorboorde bodem te zitten om het ongerezen zetmeel uit het beslag van het bier te laten bezinken.
|
38 Etcetera staat voor: domini nostri iesu christi.
39 Zie H.E. van Gelder, De Nederlandse munten, Utrecht/ Antwerpen 1965
en H.E. van Gelder, Munten en geld in de 16e eeuw, Leiden 1976.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Brief 9
Vertaling brief 9
|