11. De verdere lotgevallen van CeciliaCecilia blijft in de schaduw als ontvangster van de brieven, als dochter op wie een beroep gedaan wordt in noodsituaties, als zus die wel iets met de procurator kan regelen of die een aankoop op de jaarmarkt kan doen. Zij heeft ook zelf brieven geschreven, waarnaar soms gerefereerd wordt (vgl. brief 6, regel 2), maar die zijn helaas niet bewaard gebleven. Tussen de Van Spuldepapieren bevindt zich wel een kwitantie met haar handtekening:
De kwitantie van 29 augustus 1544 is geschreven en ondertekend door haar broer Gerrit, van wie het handschrift duidelijk overeenkomt met dat in brief 10. De tekst luidt, met aanpassingen wat interpunctie en hoofdlettergebruik betreft, als volgt:
Om te begrijpen waar het hier om gaat, moeten we de huwelijksvoorwaarden van Cecilia en Geert naslaan, waarin onder meer werd bepaald dat Geert ten Water (en Cecilia) gelijk met de andere kinderen mochten delen in de nalatenschap van vader Gerrit van Spulde, wanneer Geert de 100 van vader Gerrit ontvangen philipsgulden weer in zou brengen (vgl. hoofdstuk 2). Dat heeft Geert kennelijk gedaan en vandaar de formulering ‘de hondert gulde de mijn zuager veder om inbrengen solde ende sol als dan gelijck mede tho deyle gaen’. Het eerste gedeelte, 50 philipsgulden, is op 29 augustus 1544 betaald. Cecilia is de verbindende factor in de correspondentie. Wat gebeurt er met haar, wanneer de briefwisseling in 1540 stopt? Ze wordt enkele jaren later weduwe. Geert ten Water, overlijdt in 1544, om preciezer te zijn: tussen 2 september 1544, de datering van zijn in het Zwols Gemeentearchief teruggevonden testament, en eind oktober van datzelfde jaar 45 . Op donderdag 30 oktober 1544 verklaart Johan Holthuys namelijk een som gelds ontvangen te hebben van Johan van Haersolte, die ‘de selijghe Goert ten Waeter ghegeuen heeft dat gaesthuys tot enen testement’, zoals de formulering op de ondertekende kwitantie luidt 46 . Het plaatselijke gasthuis was dus een van de liefdadigheidsinstellingen die een legaat kregen. Het huwelijk van Cecilia en Geert is kinderloos gebleven en daarom zijn de belangrijkste erfgenamen in het testament drie neven van Geert ten Water: Steven, Jacob en Simon van Haerst, kinderen uit het huwelijk van zijn zuster Elisabeth ten Water en Johan van Haerst 47 . Zijn zuster Wobbeken ten Water, die in het St. Cecilia-klooster als moeder van het kinderhuis fungeert, krijgt een jaarlijkse toelage van 25 goudgulden en het klooster ontvangt ook elk jaar 20 goudgulden. De voorwaarde is echter dat Wobbeken en het klooster Geerts neef Lodewijk van Munster zijn leven lang ‘in kost ende kleidingen redtlicher wijsen sullen eerlijck underholden ende doen versorgen’; het op een gepaste wijze verzorgen van voeding en kleding voor een familielid is de conditie. Cecilia krijgt jaarlijks 20 philipsgulden, zoals in de huwelijksvoorwaarden was overeengekomen. Voorts geeft Geert aan Cecilia als morgengave 150 philipsguldens uit zijn goederen, waaraan nog 50 philipsgulden wordt toegevoegd. De morgengave is dus indertijd na de huwelijkssluiting niet overhandigd, maar in het vooruitzicht gesteld. De daadwerkelijke uitkering geschiedt wanneer Cecilia weduwe wordt. Dat gebeurde overigens vaker en het maakte weduwen tot aantrekkelijke huwelijkspartners 48 . Van de afwikkeling van de nalatenschap getuigen diverse kwitanties, zoals die waarin Wobbeken ten Water de ontvangst van haar toelage bevestigt (zie afb. 21) 49 .
Problemen zijn er echter ook geweest: er liggen in het Zwols Gemeentearchief meer dan 130 pagina's aan processtukken 50 . Naast een proces in 1546 van de weduwe en de erfgenamen van Geert ten Water gemeenschappelijk tegenover een zekere Evert Everts van Vaesen, zijn er twee die van onderlinge verdeeldheid blijk geven. In 1555 procedeert de weduwe van Lodewijk van Munster tegen een van de ervende neven, Simon van Haerst. Dezelfde Simon van Haerst is jaren later, in 1563, ook in een proces verwikkeld met Cecilia, die dan niet wordt aangeduid als weduwe van Geert ten Water, maar staat vermeld als ‘weduwe van Essen’. Cecilia blijkt op 7 maart 1547 te zijn hertrouwd met de weduwnaar Lucas van Essen; een huwelijk waarmee ze, zoals wel te verwachten was, in dezelfde kringen bleef verkeren als voorheen, want Lucas van Essen heeft ook deel uitgemaakt van de Zwolse magistraat 51 . Cecilia heeft ook haar tweede echtgenoot overleefd, zodat zij niet alleen als ‘huysfrou van Lucas van Essen’ in verscheidene stukken wordt aangetroffen, maar later ook als ‘Cecilia van Spoell, weduwe van Lucas van Essen’ 52 . Haar financiële transacties kunnen we in de loop van de jaren voor een deel volgen. Er zijn documenten (charters) van jaarrentes die de stad Zwolle verkocht om bepaalde zaken te kunnen bekostigen. Het verkopen hield in dat de stad zich verplichtte om jaarlijks een bepaald bedrag, de rente, te betalen, in ruil waarvoor de stad als koopsom een veelvoud van de rente ontving 53 . Zo verklaren op 29 januari 1573 burgemeesters, schepenen en raad van Zwolle dat zij om de Duitse soldaten van het regiment van stadhouder Hierges, die in Zwolle in garnizoen liggen, te kunnen betalen, aan juffer Cecilia, weduwe van Lucas van Essen, en haar erfgenamen, een jaarrente van 12 goudguldens uit de stadsgoederen, tollen, accijnzen, renten en andere inkomsten, verkocht hebben. Een jaarrente, die elk jaar op 11 januari uitbetaald zal worden en die na een opzeggingstermijn van een half jaar is af te lossen met 200 goudguldens 54 . Cecilia's geldelijk beheer blijkt daarnaast uit anderssoortige acten, die haar giften aan instellingen tonen. Zo schenkt zij op 17 mei 1582 aan de lijders aan pest en andere besmettelijke ziekten in het pest-gasthuis in Harderwijk 50 Carolus guldens, die haar erfgenamen na haar overlijden moeten betalen 55 . Cecilia regelde haar zaken tijdig: er is een testament van 19 juni 1573 te Zwolle opgesteld, waarop nog een latere wilsbeschikking van 2 februari 1579 is gevolgd 56 . In de verschillende versies van haar testament passeert de hele familie, met name de neven en nichten die haar erfgenamen werden, de revue. Het zijn de kinderen van haar zuster Lucia en van haar broer Gerrit. We kunnen konkluderen dat Lucia van Spulde en Johan Voet rijkelijk gezegend waren met elf kinderen 57 . Cecilia's eigenzinnigheid of mildheid blijkt uit het feit dat zij in haar testament van 1579 één van hen, haar nichtje Janneke Voet, ondanks het feit dat zij tegen de raad van ouders en familie getrouwd is, toch - zij het met enige beperkingen - laat erven 58 . Gerrit van Spulde blijkt vier zonen, Herman, Gerbert, Gerrit, Jan, en twee dochters Geertruyt en Bette (Elisabeth) te hebben. Dochter Geertruyt geeft indirect de sleutel niet alleen tot het verkrijgen van gegevens over haar vader, van wie we de indruk hebben dat hij als briefschrijver in 1540 nog niet gehuwd was, maar ook voor belangrijke informatie over Cecilia zelf. Cecilia's nichtje, Geertruyt van Spulde, trouwde met een zekere Willem van Hueckelum, zoon van Sweer van Hoeckelum en Elisabeth van der Lauwyck. Willem van Hueckelum en zijn zoon Gerhart hebben de geboorte-, huwelijks- en sterfdata van hun familie in een schriftje aangetekend, dat ook is voorzien van diverse wapenschilden. Dit wapenboekje, dat wordt bewaard in de Haarlemse Stadsbibliotheek, verschaft ons de nodige informatie 59 . Er blijkt uit met wie en wanneer Gerrit van Spulde in het huwelijk is getreden: hij trouwde in 1541 met Ghese ten Busch, die behoorde tot een van de belangrijkste regentenfamilies van Zwolle 60 . Gerrit van Spulde blijkt zijn woonplaats Harderwijk verwisseld te hebben voor Zwolle: hij verkrijgt in 1547 het burgerrecht van die stad, wat betekent dat hij daarvoor al verscheidene jaren in Zwolle zal hebben gewoond 61 . Tien jaar later, in 1557, bedankt hij daar voor een magistraatsfunctie en betaalt de bij weigering verschuldigde boete. Zijn zonen Herman en Gerrit vervullen overigens later wel diverse magistraatsfuncties in Zwolle. Sporen van financiële transacties, waarbij Gerrit en zijn vrouw Ghese betrokken waren, zijn ook terug te vinden: zij kopen, net als Cecilia, jaarrentes van de stad Zwolle 62 . Gerrit van Spulde overlijdt op ons onbekende leeftijd 22 oktober 1575 blijkens de notitie van Willem van Hueckelum: ‘onse lieve vader Garrit van Speulde is gestorven den 22. octob. des avons omtrent 10 uijren op een maendagh anno 1575’. De cirkel sluit zich: combinatie van de gegevens uit Cecilia's testament en van de vermeldingen in het Haarlemse geschriftje leveren de genoemde ontbrekende feiten en een beeld van de volgende generatie op. Dat laatste, hoe interessant ook voor de genealoog, wordt hier niet verder uitgewerkt: het is niet van direct belang voor de Van Spulde-brieven en de daarin genoemde personen. Wel zijn er nu tenslotte aan de eerder opgestelde stamboom in hoofdstuk 3 gegevens toe te voegen, die in dit hoofdstuk en deels ook in eerdere hoofdstukken naar voren kwamen: namen, huwelijks- en overlijdensdata. De belangrijkste aanvulling moet echter nog genoemd worden. Deze is gebaseerd op een aantekening in het Haarlemse schriftje: Cecilia, tante (moei, moy of meuij) van Geertruit van Spulde en Willem van Hueckelum, staat ook zelf vermeld. Op pagina 5 recto is de volgende aantekening te vinden: Onse moij van Essen is gestorven den 8. september
Zo kennen wij tenslotte nog de geboorte- en sterfdatum van Cecilia van Spulde, die in de gezegende ouderdom van 84 jaar blijkt te zijn overleden. Een afbeelding van haar wapen, met de vermelding ‘meuij van Essen’, ontbreekt niet.
|
45 Het
testament Geert ten Water is in het Zwols Gemeentearchief te vinden onder KA 003; het is
een charter van 2 sept. 1544.
46 Zie de Van Spulde-collectie BPL 2853 in de UB
Leiden, die, afgezien van de brieven, ook een hoeveelheid kwitanties bevat, die vnl. de
afwikkeling van de nalatenschap van Geert ten Water betreffen. Uit een dergelijke kwitantie
blijkt ook dat Albert Verker, vicarius van het Heilige-Geestklooster in Zwolle, van de
weduwe van Geert ten Water een mud rogge gekregen heeft vanwege een verrichting ‘op
salige sijn sterff daech’.
47 Behalve de drie zonen Jacob, Steven en Simon of Sijmen hadden Elisabeth ten
Water en Johan van Haerst vijf dochters, Bessele, X (gehuwd met Wolff Mulert), Agnes
(gehuwd met Jan van Wullen), Anna en Lutgart (beiden religieuze te Brunnepe). Zie voor
deze gegevens de Genealogie van het geslacht Van Haersolte in 30 tabellen, Zwolle
1881.
48 Vgl. B.H.D. Hermesdorf, Rechtsspiegel, Een rechtshistorische
terugblik in de Lage Landen van het herfsttij, Nijmegen 1980, hs. XIII. De vrouw in recht en
rechtsleven, i.h.b. de pagina's 290-2. Zie ook de in noot 6 genoemde publikatie.
49 Wobbeken
of Webken krijgt volgens de kwitanties UB in 1545, 1546, 1548 (of 1547) een bedrag van
Cecilia. Er is ook een ongedateerde kwitantie waarop staat vermeld: ontvangen van Lucas
van Essen en mijn zuster Cecilia, zijn vrouw.
50 De stukken zijn in het Gemeentearchief Zwolle te vinden
onder RA 001 00485, blz. 49-110; RA 001 00488, blz. 315-360; RA 001 00720, blz.
973-998.
51 Lucas van Essen was in 1557 schepen en in 1557 en 1558 keurmeester. Uit
de Nederlandse Leeuw 1967, kol. 88 en O. Schutte, Familiepapieren Van Essen afkomstig
van het huis Vanenburg, 's Gravenhage 1968 (gestencilde uitgave) blijken nog de volgende
gegevens. Lucas van Essen was weduwnaar van Helena Spaen van Camphuysen, die na hun
huwelijk in 1538, in 1539 - waarschijnlijk in het kraambed - overleed. Hun zoon Hendrik van
Essen trouwde in 1559 met Evermoeth Voet, dochter van Johan Voet en Lucia van Spulde.
Lucas van Essen overleed voor 12 maart 1560, gezien de acte van 12 maart 1560 (Schutte p.
73, regest nr.89), waarin de regeling van de nalatenschap van Lucas van Essen wordt bepaald
tussen Cecilia, weduwe van Essen en Hendrik van Essen.
52 Vgl. bijvoorbeeld de acte over een jaarrente
(Gemeentearchief Zwolle Inv. AAZO1 no: ch. 907b), gedateerd 8 februari 1569, waarin
Cecilia als weduwe van Lucas van Essen wordt aangeduid.
53 Vgl.
voor deze wijze van financiering Vijftiende-eeuwse rentebrieven van Noordnederlandse
steden, ed. J.H. Kernkamp, Groningen 1961, p.5-7.
54 Gemeentearchief Zwolle, Inv.
AAZO1 no: Ch.no. 159.
55 Vgl. ORAH, inv. nr. 789, fol.
170. Carolusguldens zijn gouden en zilveren munten geslagen onder Karel V.
56 Vgl. voor het
testament van 1573 RA 001- 00110 GA Zwolle, fol. 280-283. Zie O. Schutte,
Familiepapieren Van Essen afkomstig van het huis Vanenburg, 's Gravenhage 1968 voor
het testament van 1579, dat zich bevindt in het familiearchief van Mr. F.H. baron de Vos van
Steenwijk genaamd Essen van Windesheim. De inhoud van dat testament wordt eveneens
genoemd in Nederlandse Leeuw 1967: kol. 88-89.
57 Lucia en Johan Voet blijken de volgende kinderen te hebben gekregen die als
erfgenamen worden genoemd: Dirk, Gerrit, Geerlof en Jan; Geertruyt, Celiken, Luytken,
Gouken, Janneken en Machteld, vrouw van Wilhelm Luytgens. Daarnaast is bekend dat hun
dochter Evermoet, gehuwd was met Hendrik van Essen, Cecilia's stiefzoon, die ook in het
testament wordt genoemd. In het testament van 1573 worden veel meer namen genoemd dan
in dat van 1579, waar slechts Janneke, Dirk, Machteld en Geertruida worden aangetroffen.
Ook een van de kinderen van broer Gerrit, zijn zoon Jan, ontbreekt in 1579.
58 De beperking bestaat
hieruit dat alleen Janneke zelf en niet haar man of kinderen kunnen erven, terwijl bij de
andere neven en nichten het erven bij representatie wel mogelijk is.
59 Het
geschriftje wordt genoemd in Nederlandse Leeuw 1909, kol. 148. Het wordt bewaard in de
Haarlemse Stadsbibliotheek onder signatuur 187 B 59.
60 Het huwelijk is in
1541 gesloten en niet in 1545, zoals in het artikel ‘Bijdrage tot de genealogie van het
Geslacht van Hoeckelom’ in Nederlandse Leeuw 1909: 146-156 staat vermeld. Bij
raadpleging van het wapenboekje blijkt dat er aanvankelijk 1542 stond en dat dat jaartal is
veranderd in 1541. Ook op andere punten blijken de gegevens in het betreffende artikel niet
geheel juist te zijn. Geese ten Busche werd geboren op 25 april 1514 en overleed 2 juni 1607.
Zij was een dochter van Herman ten Bussche Gerbertsz. en Bette Snaevel (vgl. Nederlandse
Leeuw 1941: 5).
61 Zie Gemeentearchief
Zwolle, Burgerregister 1423-1657, blz. 49. Voor het verkrijgen van burgerrecht, dat zowel
rechten als verplichtingen gaf, moest men een eed afleggen en een som gelds betalen. Men
werd dan vervolgens ingeschreven in een register, het burger- of poorterboek. Het
burgerschap was erfelijk.
62 Er is een charter van 1
juni 1573 (Inv. AAZ01 no: ch 931a GA Zwolle) en een van 11 november van datzelfde jaar (
(Inv. AAZO1 no: ch. 161a GA Zwolle). In de charter van 11 november verklaren
burgemeesters, schepenen en raad dat zij om de doorgebroken dijk in Mastebroeck te kunnen
herstellen, en de Duitse soldaten van Hierges te kunnen betalen aan Gerrit van Spoell en
Geese, zijn vrouw, en hun erfgenamen, een jaarrente van 21 goudguldens verkocht
hebben.
|