Noch een ander nieu Liedeken, Op de wijse: Ick heb de werelt zeer bemint.
- Die winter compt aen die Mey is wt
- Die bloemkens en staen niet meer int groene,
- Die nachten zijn lanck door des winters vertuyt
- Die lust om wat nieus te doene
- Mijn ionghe iuecht is int zaisoene,
- Mijn man en is niet wel mijn vrient
- Ey ende grijsert, al slaept ghi totter noene
- Want ghy en hebt niet dat my dient.
-
- Het was my wel van te voren geseyt,
- Dat hy was van slutsers bende
- Syn spoel my oock niet wel en [gest]reyt
- Int beghintsel noch int ende
- Waer ick my kere, waer ick my wende,
- Mijn man en is niet wel mijn vrient
- Ey ende Grijzert, dat ick v opt kende
- Want ghy en hebt niet dat my dient.
-
- Vermaledijt so moeten zy zijn
- Die dat houwelick van hen voert brochte,
- Het schoon coluer, den reynen maechdom
- Dat die Grieck aen my versochte[..] mijn
- My vreest als ick hoor zijn gherochte
- Mijn man is niet wel mijn vrient,
- En oude Grijsert, v vleysch is dier cochte
- Want ghy hebt niet dat my dient.
-
- En meent niet meer mijn zoete lief
- Ick hebbe genoech voor v te behaghen
- Siluer ende Gout van alles v gherief,
- Daer toe bereyt v leve daghen
- Van my en muecht ghy dan niet claghen,
- Ghy segt ick ben niet wel v vrient
- Ey oude Grijzaert, dat beenken moet ghy knagen
- Want ghy en hebt niet dat mi dient.
-
- Had ick papier schoon perkement,
- Penne ende inct, ick schreue daer inne
- Aen die Liefste Prince bekent,
- Dat hy soude comen tot zijn vriendinne,
- Want hy ist die ick met herten beminne
[p. 27]
-
- Mijn man en is niet wel mijn vrient
- Ey oude Grijsert, al soudt noch ontsinnen
- Ick hebbe wat anders dat my dient.
|