Een nieu Liedeken, Op de wijse: alsoot beghint.
- Den dach wil niet verborghen sijn,
- Het is schoon dach dat dunckt my,
- Maer wie verborghen heeft zijn lief,
- Hoe node is dat zy scheyden.
-
- Wachter nu laet v scheyrpen zijn,
- Ende laetse slapen die liefste mijn
- Een vingerlyn root sal ic v schencken
- Wildy den dach niet melden.
-
- Och melt hem niet, rampsalich wijf
- Het gaet den jonghling aen zijn lijf.
- Hebdy den schilt, ick heb die speer,
- Daer mede maeckt v van heer.
-
- Die jongeling sliep en hy ontspranck,
- Die liefste hy in zijnen armen nam
- En latet v niet zo na ter herten ghaen,
- Ick come noch tauont weder.
-
- Die iongeling op zijn vale ros trat,
- Die vrouwe op hogher tinnen lach
- Zy sach so verre t Noortwaert inne
- Den dach door die wolcken op dringhen
-
- Had ick den slotel vande daghe
- Ick werp hem in gheender wilder masen
[p. 33]
-
- Oft vander Masen inden Ryn,
- Al en soude hy nemmermeer vonden zijn.
|