Een nieu Liet, Van Paris tot Helena

 Lief wtvercoren, Lief triumphant
 Wiens liefd te voren
 Mijn hart doorbrant
 Eer ic anschouwe, v claer aenschijn
 Weest my ghetrouwe, Vrijt my van pijn
 En neemt doch acht, op mijn gheclacht
 Want Venus macht, dunct mij by v te zijn.
  
 Tgeen ick beginne, Is niet om niet
 Twas een Goddinne, Die my dit riet
 Al zydy verheuen, Schoonder dan schoon


[p. 52]

 
 My zydy gegeuen, Voor mijn eygen soon
 Weest niet verstoort, Lief om dit woort
 Maer geeft confoort
 Ghy spant in thert de Croon.
  
 Mijns Vaders tijcke, groot en playsant
 Heeft gheen ghelijcke, In Griecken lant
 Een Conincx Soone: Ben ick bekent
 Mijn Rijc mijn Crone, En heeft geen end
 Troyen is mijn, Het salder v zijn
 V schoon aenschijn, Maect ghyt weerdich bent
  
 Wilt my niet versmaden, Eer ghy kent
 Al ben ick beladen, Met groot torment
 V schoon Figuere, Heb ick bespiet
 Dat doet mijn trueren, Ja swaer verdriet
 Maer hooch van moet, Machtich van goet
 Edel van bloet, Ben ick al weet ghijt niet.
  
 Groot is v macht: En groot v goed
 Hooch is v gheslacht: Edel v bloet
 Maer v Vader machtich, Diet al regeert
 Door liefde crachtich, Is dick verkeert
 Venus bestaen, Heeft hem doen gaen
 Wit als een swaen, Daer hem die liefde keert
  
 Princes der minne, Aensiet den brandt.
 Die een Godinne, In mij heeft geplant
 Het is te vooren: Ghepropheteert
 Ick ben verlooren, Soo ghyt begeert
 Weest mijn ghetrou, Schoon eedele vrou
 Als ick v sou: Soo suldy zijn gheeert.