Een nieu Liedeken, Op de wijse: Rijck Godt wie sal ick claghen.
- Ghy Amoruese gheesten,
- Hier in des werelts present.
- Den minsten metten meesten,
- Elck met zijn Liefken ient
- Wilt reyne liefde draghen
- Hier in dit aertsche dal, V lieueken sal v dan behagen
- Want liefden is boue al.
-
- Wilt v tot liefden spoeyen
- Met v Lieueken so weest verblyt,
- Als die bloemkens bloeyen,
- Al inde nieuwen tijt, hout v al bedwongen,
- Malcander v ionste toe biet
- Maer wacht v van quade nyders tongen,
- Zo en wert ghy niet bespiet.
-
- Reyne liefden moetmen cronen,
- Hier ter werelt int openbaer
- Jacob ghinck met Laboam wonen
- Om zijn lief wel veerthien Jaer.
- Al eer hy wilde wijcken,
- Van Laboam zijnen Oom
- Met die schone Rachgel ginck hy strycken
- En met Lya ten is gheen droom.
-
- Valsche minne moet versmachten
- Luystert en hoort my na
- Als Sichem ghinck vercrachten,
- Jacobs dochter Dina, Alsulx ginck oock bedryuen
- Dauids zoon A[m]o[n]
- Daerom dede hem ontlijuen,
- Zijnen broeder Absolon.
-
[p. 61]
-
- Wilt ghy niet zijn bedroghen
- Zo ghaet wijslijck te ra
- Dat coste Samosan zijn ooghen,
- Die minne van Dalida
- So ons de Boecken leren
- Verstaet de reden mijn
- Sy ghinck hem zijn hayr afscheren,
- Ende doen vinghen hem die Phylistijn
-
- Princen ende Princieren,
- Malcanderen doch niet en schent
- En wilt toch vruecht hantieren
- Door liefde ist fondament
- De const van Retorijcken,
- Immer niet en versmaet
- Want trouwe moet blijcken
- O Heer comt my baet.
|