Een nieu Liedeken. Op de wijse: alzoet beghint.
- Hoe soudy hem verblijden,
- Die altijt leeft in teghenspoet.
- Onschuldich veel moet lijden.
- Door nydicheyt en ouervloet.
- Die als met verghiffentinck fenijn
- Die minnaers doen onrecht met pijne swaer
- Waer door eylaas dat ic verdwijn
- Als sne op velt door sonne schijn
- En ik moet deruen haer
- Mijn Lief eerbaer.
-
- Als andere minnaren.
- Met haer liefkens reyn
- In vrolickheyt vergharen
- So vint ick mijn heel alleyn
- Bedroeft als Tortelduyfken siet
- Dat van zijn gaeyken is berooft vol rou,
- Ellendicheyt en swaer verdriet
[p. 63]
-
- Certeyn eer my nu onrecht gheschiet
- Nochtans blyf ick ghetrou
- Mijn Lief mijn vrou.
-
- Och mocht den tijt nu gheuen
- Dat ick met mijn Liefken delicaet
- Mocht steruen ende leuen
- So wist ick my gheen beter daet,
- Dan eendrachtighe liefde met vreetsaamheyt
- So datmen by ons vint altijt met vruecht
- Haet ende nijt ons beyden scheyt
- Daer door ghy my veel drucx bereyt,
- In mijnen ionghe ieucht
- Door onghenuecht.
-
- Edel Princesse schoone,
- Aenmerckt doch mijn verstant
- Doe v liefden ydone
- Die in mijn herteken is gheplant
- So bid ick v lief geeft mijnder geen schult
- Dat ick van v dus lang moet zijn absent
- Ick hoop den tijt is haest vervult
- Dat ghy my ghetrou vinden sult
- Dus laet v liefden ient,
- Van my niet nemen een endt.
|