[Lied]eken Van een Grauen [Dochterkij]n, Op de wijse: Ick [......] een keyserin.
- Ick weet noch een sGrauen Dochterkijn,
- Zy woont te Straesburch op den Rijn.
- Zy hade een boelken verborghen
- maer door der clappers tonghen fenyn,
- Quamen zy beyde in sorgen.
-
- Dat smaechdelijn was drie seuen iaer oudt
- Sy hadde een Vryer van herten stout,
- Sy en woude niet langer beyden,
- Sy nam den Lansknecht bi der hant
- Sy ghingen haer vermeyen.
-
- Hy leydese onder den Rosegaert,
- Daer menich cleyn voghelken verghaert
- Sy songen van herten blijde
- Doe datter so eedelen Grauen dochterken
- Sal comen in groot lijden.
-
- Die ruyter spreyde zijn mantel int gras
- Dat smaechdelijn sprack opt selue pas
- Mijn soete lief wtvercoren
- Als ghy v wille hebt ghedaen
- Zo laet my niet verloren.
-
[p. 83]
-
- Die Ruyter sprack sonder verdriet,
- Mijn schoon lief en sorght doch niet
- Dat ick v sou laten in schande
- Ic wil veel lieuer mijn leuen lanck
- Ghaen dolen achter lande.
-
- Zy sprac so menich vriendelick woort
- Dat hebben die nyders tongen gehoort,
- Tot den Graue zijn zy ghegangen
- Hoe datter zijn ionckste dochterkijn.
- Ginck spaceren met een manne.
-
- Die Graue wort een so toornigen man
- Hy heeftet also balde verstaen
- Hy ginc met zyn ruyters en knechten coene
- Daer vant hy zijn iongste dochterken
- Met den Ruyter in dat groene
-
- Den Graef met een so toornigen moet,
- Hy werp den ruyter onder de voet
- Zijn knechten namen die ruyter gevangen,
- Die Graue sprack hebt ghoeden moet
- Eer morghen middach sult ghy hangen.
-
- Dat woordeken heeft de ruyter verstaen
- Hy liet so menighen natten traen,
- En dat moet Godt erbermen,
- Dat ick arme ionghe man
- Om een schoon Vrouwe moet steruen.
-
- T'gheschiede op eenen maenendach
- Datmen de ruyter voor den Graue bracht.
- Al en soude hem zijn hooft afhouwen
- Die ionge man wordt zo zeere beschreyt
- Van maechden en ionghe vrouwen.
-
- Men sach de ruyter knielen al voor dat sweert
- sgrauen dochterken quam onuerueert
- men hoordet volck schreyen en kermen,
- Staet op sprack zy mijn soete lief
- En ick wil voor v steruen.
-
- Zy tooch haer lief al op een zy
- [Zy] knielde selfs voor tsweert zeer bly
- Och vader laet my mijn hooft afhouwen
- En spaert die alder liefste mijn
- Dat sprack die ionghe vrouwe.
-
- Die Ruyter sprack tot die liefste zijn
- Staet op gaet thuys Jongvrou fijn
- Ick wil zo vromelick voor v steruen
- Al draechtse zo cleynen kindeken van my
[p. 84]
-
- En laet v niet verderuen.
-
- Die graue sprack met woorden goet,
- Staet op staet op weest welghemoet
- Dijn leuen sulstu behouwen,
- Ende ick geue v mijn ionckste dochterken,
- Tot eender echter vrouwen.
-
- Oorlof ghy Meyskens en iongesellen saen
- die by nachte int heymelijck vryen gaen
- Al hebdy een Rijcmans dochter voorhande
- Wacht v al voor clappers tongen fenijn
- Sy en coomdy ghy niet ter schande,
|