Een nieu Liedeken, Op die wijse: Mijn hert is my ontween gheclooft, wie sal my,
- Ick heb die Werelt bemint,
- Sy heeft my heel van Godt getoghen
- Nu heb ick oock al versint,
- Hoe my die Werelt heeft bedroghen
- O Godt het is in v vermoghen
- Wat my nu ontfermen noch
- O valsche werlt ghy heb my al geloghen
- In v en is niet dan bedroch.
-
- O werlt ghy zijt toch een partye,
- Teghens Godt het is claer beseuen
- Want Nijdicheyt en Houerdye
[p. 109]
-
- Sijn ter werelt al verheuen
- Niemant en soecket dat eeuwich leuen
- Dat mach ick wel segghen noch
- O valsche werelt ick heb v wel beseuen
- In v en is niet dan bedroch.
-
- Gulsicheydt en ouerdaedt,
- En zijn al ter werelt gheen sonden
- Ouerspel seer fornicaedt,
- Al zijn die ouer ghevonden
- Om gelt om goet ontbintmen alle sonden
- Dat mach ick wel seggen noch
- O valsche werlt als ic v wel doorgronde
- In v en is niet dan bedroch.
-
- Als ick die werelt wel besiet,
- En bekenne haer ghebreecken
- Laet ons dan tot Christum vlien. Ende de werlt heel versteecken //
- Aen hem en sal ons niet gebreken //
- Want hi is der menschen soch,
- O valsche werelt ick heb v al doorkeecken
- In v en is niet dan bedroch.
-
- O Hemelsche vader ghebenedijt
- Wilt my van dit vlees verlaten
- Dat wy door Christum worden bevrydt
- Want wy zijn al broossche vaten,
- Die werelt met haer ondersaten //
- Heeft my nu bevangen noch,
- O valsche werelt ten mach v al niet baten.
- In v en is niet dan bedroch
-
- O Vader inder eewicheyt,
- Wilt my uwen geest in geuen,
- Die werelt heeft my heel verleyt,
- Sy doet my na den vleesche leuen
- Het welcke de ziele brengt in sneuen,
- Verlooren inder hellen troch
- O valsche werelt ic heb v claer beseuen,
- In v en is niet dan bedroch.
|