[p. 26]
origineel
Paasch vreugd.
't Is Paasch, wie zou niet vrolijk wezen?
Wij hebben braaf en wel geleerd,
Om prijs gedongen, in het lezen
En schrijven, en de pot verteerd.
‘Ziet Jongens! welke schone prijzen
Van boeken, prenten en nog meer,
Nu moet gij op de proef bewijzen
Hoe goed en net dat ik u leer.’
Dus riep de Meester; en de dagen
Vervlogen rasch, door onze vlijt;
En onzes Meesters welbehagen
En gunst, schonk ons vacantie tijd.
Wij streken met de prijzen henen
Door vlijt, of door het lot beslist;
Maar, Domöor zat van spijt te wenen;
Hij had zich in een prijs vergist.
[p. 27]
origineel
Onze Ouders vulden onze handen:
Wij vlogen naar den Meester toe,
Met koek en eijers in de manden,
En bragten hem dit blij te moê.
‘'t Is Paasch, nu moet gij vrolijk wezen,’
Sprak bij, wijl gij naar deugden tracht;
Gaat voort, in 't reek'nen, schrijven, lezen,
Zo wordt van u wat groots gewacht.’
Komt jongens, laat ons wandlen, spelen,
Dees dagen wordt 'er niet geleert;
De Meester wilde ons prijzen delen;
Zijn Keuken is door ons gesmeert.