terug  begin  verder

[p. 30]origineel

De nagtegaal.

 
piet.
 
Hoor, jonge! hoor! hoe zingt dat Sijsje,
 
Daar gindsch in 't hoog en dich gebomt,
 
jan.
 
Ja, wel, het mogt, op zulk een wijsje
 
Zingt nooit geen Sijs neen maat gij droomt.
 
piet.
 
Wel! welk een beest mag het dan wezen?
 
Zeg mij, wat is 't, om dat ik dwaal?
 
Zijn zang dient boven al gepreezen.
 
jan.
 
Wel jonge! 't is een Nagtegaal.
 
Dees vogel heeft geen fraaië veren;
 
Hij heeft geen schoonheid voor 't gezicht,
 
Zijn' zang doet hem zo hoog waarderen,
 
Waar al het vooglenheir voor zwicht.
[p. 31]origineel
 
de meester.
 
Gewis, ô jeugd! geen schijnvertoning
 
Hoe opgesierd, heeft ooit waardij;
 
Een rieten dak, een slegte woning
 
Kweekt Helden, voor de maatschappij.
 
Een nedrig kleed dekt deugd en zeden
 
Meer, dan het trotsche pronkgewaed;
 
Tracht dus in 't spoor der deugd te treden,
 
En nedrigheid zij uw cieraad.

terug  begin  verder