[p. 32]
origineel
Het schaapscheren.
schaapscheerder
.
Ja Jonkertje! men scheert de Schapen,
Met zulk een wonderlijke schaar;
Dat doen wij, slegte boerenknapen
Heel vaardig, zonder dat gevaar
Van kwetzen, 't stille Schaap doet vrezen,
't Is voor die beesten ook zeer goed
Hun zou die hitte lastig wezen,
Daar nu hun wol mijn zorg verzoet.
Uw rok, uw vest, en al de kleêren
Der groten, komt van dezen wol.
De weidsche pragt der grote Heren
Betaald den Schapenscheerder tol.
jongling
.
Wel Baas! het zijn wel nutte dieren:
Hun vleesch is lekker voor den smaak;
Hun kaas zie 'k onze tafel sieren:
De Veebouw geeft wel zoet vermaak!
[p. t.o. 32]
origineel
Een Herder moet dus 't kosje winnen
.
[p. 33]
origineel
schaapscheerder
.
Ja, als het alles wel wil vleugen!
Doch zomtijds gaat dit maar zo wat:
Door 't ongans zal de wol niet deugen;
Door ziektens gaat de teelt niet rad.
Een Herder moet dus 't kostje winnen
Met zorgen en in zoberheid.
jongling
.
Niets beters kunt gij ooit beginnen,
Als dat ge aan allen nut bereid.
'k Wou liefst een braven Herder wezen
ô Man! als wel een slechten Heer.
Men leert mij, 't kwade steeds te vrezen,
En zegt mij, deugd geeft altijd eer.