[p. 42]
origineel
De jagttijd.
De jager schuwt geen weêr of wind,
Maar rent door bosschen en door dreven,
Hij speurt het wild, en wat hij vindt,
Schiet hij ter neêr, en laat niets leven
Wat smaaklijk is; - hij vult zijn tasch
Met snip, patrijs en schone bouten;
Hij zwerft op heuvlen, door moeras,
Of staat gindsch met een boer te kouten,
Terwijl zijn oog in 't ronde tuurt,
En hij het ligt geweer laat rusten
Op d' arm, en 't kleine knaapje gluurt,
Wien dit bedrijf wel mag gelusten.
Beweging is het lichaam goed;
Men moet zich aan het weêr gewennen,
't Zij 't west of noord' met buien woedt,
Of mist of damp geen land doet kennen.
't Is nuttig dat de jeugd ook deelt
In zulle forsche bezigheden;
Daar koestring enkel zwakheid teelt,
Leert moedig jagen, vaster zeden.
[p. t.o. 42]
origineel
-
Beweging is het ligchaam goed
.
[p. 43]
origineel
Zo wijkt het al te laf bestaan
Van 't hart der jeugd, om in de kringen
Des levers, stouter voorttegaan,
Gehard in 's waerelds wisselingen.
Alleen zorg toch dat matigheid,
ô Jeugd! u hier in leide en hoede,
Eer losheid u den val bereidt,
En smart, de onmatigheid vergoede.
Schuw dan o jeugd! geen weêr of wind;
Ren vrij door bosschen en door dreven,
Maar rust, als ge u vermoeit bevindt;
Zo zal de Jagttijd voordeel geven,
Van Vaderlandsche kundigheên,
En radheid voor uw frissche leên.