[p. 44]
origineel
Het slagtvee.
De jeugd vindt veeltijds zoet vermaak
In elke zaak,
Die zij niet daaglijks ziet geschieden;
Al is 't bedrijf slechts wreed en ruw,
Geen kind is schuw,
Nog zal het slagten angstig vlieden.
't Getier van het onmagtig zwijn,
Zijn angst en pijn,
Schenkt vreugd en blijdschap aan de knapen;
Het arme slagtvee wordt geplaagt,
Gestuwd, gejaagd,
Waar uit zij zoet genoegen rapen.
Ô Jeugd! zoek nimmer zoete vreugd,
Noch hartsgeneugt
In ruwe en wrede handelingen.
Beledig geen onschuldig dier
Wiens droef getier
Verwijtend in uw oor moet dringen.
[p. t.o. 44]
origineel
Geen kind leer' immer wreed te zyn
.
[p. 45]
origineel
Het slagten is der dieren lot,
Om 't blij genot
Van heilzaam voedzel ons te schenken;
Maar wreedheid past den menschen niet;
Dien dood geschied'
Zo ligt men immer uit kan denken.
Geen kind lere immer wreed te zijn,
En haat den schijn
Van onbarmhartig zich te tonen;
Het denk' God schiep den dierenrij
Zo wel als mij;
Laat beter drift mijn wandel kronen.