terug  begin  verder

[p. 46]origineel

De sneeuw.

 
De dikke sneeuw bedekt de wegen;
 
De jeugd, tot vrolijkheid genegen,
 
Maakt dezen tijd zich recht ten nut:
 
Zij schuift alom in ligte sleden;
 
Op 't vlakke baantje, glad gegleden,
 
Vindt haren radden voet geen stut.
 
 
 
De sneeuwbal, wel te saam gewrongen,
 
Vliegt uit de hand van oud' en jongen,
 
Wijl elk van die beweging gloeit.
 
Zie hoe de jongens dartel sollen;
 
Elkander in den sneeuwhoop rollen,
 
Steeds rusteloos en onvermoeid.
 
 
 
Gindsch vormt men van de sneeuw, figuren,
 
Niet om de tijden te verduren,
 
Maar slechts zo lang geen zonneschijn
 
Het beeld tot water doet ontbinden;
 
Dus kan de jeugd vergnoeging vinden,
 
En laat zich alles dienstbaar zijn.
 
 
[p. 47]origineel
 
't Is goed o jeugd! zoek dus vermaken,
 
Maar leer ook beter, nutter zaken,
 
En waartoe God de sneeuw ons schenkt:
 
Hij geeft ze aan ons, om 't land te dekken,
 
In felle vorst ten kleed te strekken,
 
Voor 't veldgewas, 't welk hij gedenkt.
 
 
 
Leer dan uw Schepper hier voor danken;
 
Hij hoort de blijde kinderklanken,
 
Die vloeïen uit een deugdzaam hart.
 
Verheug. vermaak u met dien zegen;
 
Leer deugd en wijsheid op uw wegen,
 
Eer ge in der bozen strik verwart.

terug  begin  verder