[p. 48]
origineel
De bloeityd.
Men zing de bloeizelrijke Mei,
Die bosch en hof, en dreef, en wei,
Het allerschoonste siraad schenkt,
En de aard' met vruchtbre dropplen drenkt;
Die liefde in aller adren giet,
Zo ver haar malsche hand gebiedt.
Zij kondigt heil en voorspoed aan,
Bij 't vruchtbaar licht van zon en maan;
Zij lokt de zachte windjes uit,
Wijl ze aller ketens blij ontsluit,
De woestheid van de vlaktens vaagt,
Het talloos heir ten leven daagt
De blijde jeugd kuscht hare hand,
Tewijl zij het hofje blij beplant,
En zich verheugt in al den glans
Van elken rijken bloemenkrans;
Nu deelt zij met vermaak den tijd,
Daar gij haar rijk in lering zijt.
Gij leidt haar op 't 's Makers lof,
Wen gij alom, het dorre stof
[p. 49]
origineel
Brengt tot gewenschte vrugtbaarheid
En zegen, die zich wijd verspreit;
Gij wekt het heilig offervuur,
Bij 't mild ontwikklen der natuur.
Gij leert de jeugd in 't kleinste werk,
Het onverganglijk zegelmerk,
Van 't groot en heerlijk Schepping woord;
Zo vloeit het leven zalig voort;
Zo wijst gij aan de lieve jeugd
Het spoor der wijsheid en der deugd.
Gij zegt ons, hoe des levens bloei
Moet pralen, met den fieren groei
Van nutte wetenschap en kunst;
Zo deelt zij steeds in aller gunst,
De blijdschap lacht uit aller oog,
En welvaart regent van omhoog.
Wees ons dan welkom! blijde Meit!
Wij juichen u door dreef en wei;
U, die de schoonste lessen schenkt,
En 't jeugdig hart met wijsheid drenkt,
Of deugd in welige adren giet,
Waar 't land eens voorspoed van geniet.