terug  begin  verder

[p. 63]origineel

Gesprek tuschen een gouvernante en haar kleine leerlinge.

Gouvernante.

Heugt u de tijd nog wel dat uw Moeder jonge Juffer was? -

Kind.

Neen mijn lieve Bonne! -

G.

Hoe komt dit! gij hebt anders zulk een goed geheugen?

K.

Ik was toen nog niet in de waereld.

G.

Hebt gij dan niet altijd geleefd? -

K.

Neen!

G.

Zult gij altijd blijven leeven?

K.

Ja.

G.

Zijt gij jong, of oud?

K.

Ik ben jong.

G.

En uw groot Mama, is die jong of oud?

K.

Groot Mama is oud.

[p. 64]origineel
G.

Is zij jong geweest?

K.

Ja

G.

Waardoor is zij dit nu niet meer?

K.

Zij is nu oud

G.

Word gij ook oud, even als groot Mama?

K.

Ik weet het niet.

G.

Waar zijn uw kleederen die gij voorleden Jaar hebt gedragen?

K.

Die zijn vermaakt.

G.

Waarom?

K.

Om dat zij te klein waren.

G.

En waardoor waaren zij te klein?

K.

Om dat ik gegroeit ben.

G.

Word gij nog grooter?

K.

ô Ja

G.

Wat worden groote meisjes?

K.

Vrouwen.

G.

En wat worden Vrouwen?

K.

Zij worden moeders.

G.

En hoe worden moeders? -

K.

Zij worden oud.

[p. 65]origineel
G.

Dan zult gij eindelijk ook oud worden?

K.

Ja, na dat ik moeder worde

G.

En wat worden oude menschen?

K.

Dat weet ik niet.

G.

Mijn kind! waar is uw grootvader?

K.

Die is dood.

G.

En waardoor?

K.

Om dat groot Papa oud was.

G.

Wat word 'er dan van oude Menschen?

K.

Zij sterven.

G.

Als gij nu ook oud word, wat...?

K.

(Haar in de reden vallende) Ach mijn lieve Bonne! ik wil niet sterven!

G.

Mijn kind! niemant wil sterven, maar wij moeten allen sterven.

K.

Hoe, mijn lieve Mama! moet dan ook? -

G.

Zo als ieder een. Wij Vrouwen worden oud, de Mannen ook, en de ouderdom geleid ons tot de dood.

K.

Wat moeten wij doen om niet ras oud te worden

[p. 66]origineel
G.

In onze jeugd wijs en verstandig leeven.

K.

Ik zal altijd deugdzaam en verstandig zijn

G.

Des te beter voor u; maar denkt gij, altijd te blijven leeven?

K.

Ik hoop oud, heel oud te worden dan..

G.

Welnu?

K.

Eindelijk, gij zegt dat als ik heel oud ben, dat ik dan zal moeten sterven!

G.

Gij sterft dan toch?

K.

Helaas! ja.

G.

Wie leefde vóór u?

K.

Mijn Vader en mijn Moeder.

G.

Wie leefde voor hun?

K.

Hun Vader en hun Moeder.

G.

En wie zal na u leeven?

K.

Mijne kinderen.

G.

En wie zal weder na hen leeven?

K.

Hunne kinderen.

terug  begin  verder