terug  begin  verder

[p. 73]origineel

Ontydige en ongepaste eerzucht, is van slechte gevolgen voor de kinderen.

Keesje, de zoon van een verstandig Koopman in Holland, wierd opgeleid tot de studie. Hij leerde wel, maar was speelziek en niet vrij van eigen wijsheid; maar 't geen alles bedorf, hij kon niet lijden dat anderen hem te boven gingen in het leeren, omdat deze deugd in hem een ondeugd wierd, naardien hij zijne eerzucht ontijdig en ongepast den teugel gaf. Zo iemant van zijne mede scholieren minder fouten in een Thema had, alsdan moest deze staat maken om slagen van hem te krijgen, of hij moest vechten. De vader kreeg deze klagten aan huis, en besloot bij de eerste gelegenheid daar over recht

[p. 74]origineel

te doen. Die gelegenheid kwam welhaast.

keesje, misnoegd geworden op den knecht van zijn' vader, schold den knecht, en sloeg hem. De vader, dit vernemende, nam hem voor, en zeide, op een' vernederenden toon: ‘slechte jonge! is de knecht de uwe of de mijne? Weläan! gij zult, op het oogenblik, met ontblooten hoofde, den knecht om verschooning vragen. De man die dient is een mensch als gij zijt, en achtingwaardig, als hij zijne pligten doet. En genomen hij beledigde u, dan is het mijn zaak en niet uwe om hem te bestraffen.’ keesje moest, in tegenwoordigheid van zijn' broeder en zuster, zijn' vader voldoen, die toen nog tegen den knecht zeide: ‘jan! ik beveel u, wanneer deze stoute bengel u weder misdoet, hem niet als een jong Heer te behandelen, maar hem, als een baldadigen straatjongen, tot mij te brengen.’ Welk ee-

[p. 75]origineel

ne vernedering! hij klaagde aan zijne Mama, maar hij vond geen troost.

Kort daarna begon hij, uit ongepaste eerzucht, in de school twist met een zijner mede scholieren, die beter gewerkt had dan hij. Buiten de school tastte hij den jongeling geweldadig aan; doch dit bekwam hem kwalijk: deze was braaf, maar sterker, en dus kwam stoute en eerzuchtige kees met een bebloeden neus te huis. Hij zocht toen zijn toevlugt in een leugen, (want de verkeerde eerzucht ontziet zich geen kwaad;) maar hier over kreeg hij een sterke kastijding van zijn' braven vader, om hem het liegen af te leeren, en zijne mama zeide tot hem: ‘Kinderen die geen mededinger kunnen dulden, worden tirannen, of booswichten, omtrent menschen van deugd en bekwaamheid en zij worden leugenaars, om hunne eerzuchtige baldadigheden te bewimplen; zij vervallen dan van de

[p. 76]origineel

ééne boosheid in de andere. Verdraag uwe vernedering en uwe slagen, en word wijzer.’ De stoute bengel mogt in geen agt dagen spelen; of aan de tafel zijner oudren eeten. Zie daar de gevolgen van ontijdige en ongepaste trotsheid.

Lieve kinderen! gij, die dit leest! zegt, ware keesje wel zo slecht gevaren, als hij zijne meerder leerzame schoolmakkers had pogen te overtreffen door werksaamheid, en zijne speelzucht, en verkeerde trotsheid had weg gelaten? en zou hij wel voor den knecht van zijn' vader vernederd zijn geworden, zo hij begrepen had dat dit een bediende van zijn' vader was en niet van hem? Leert hieruit dat men zijne brave makkers door vlijt, oplettendheid en gehoorzaamheid moet overtreffen, en niet door geweld; en dat de dienstboden uwer lieve ouderen zijn aangenomen door hen, om u gemak te bezorgen, maar niet door u worden beloond

[p. 77]origineel

om hen te mishandelen. Vlijt, leerzucht, gehoorzaamheid, en menschlievendheid, ziet daar wat u geächt moet maken, en overäl bemind ten gelijken tijde. De eer is niets dan een schaduwe der deugd.

terug  begin  verder