Jan en pieter waren twee broeders, beide kinderen van goeden aart, maar jan was levendiger, en dus losser. Op zekeren dag vroegen zij hunnen vader om in den tuin te spelen? Het wierd hen toegestaan, onder beding dat geen van beide persikken van de schutting zou plukken. Beiden beloofden zij het. Maar één boom droeg zulke schoone persikken, dat pieter in verzoeking raakte om 'er één van te snoepen. Hij tukkelde aan zijn' broeder, om hem over te halen daarmede van te eeten. ‘Om geen geld! zei jan; vader heeft het ons verboden, en om al de persikken der waereld wil ik hem door ongehoorzaamheid niet bedroe-
ven’ Wel!antwoordde pieter, gij zult hem niet bedroeven, want hij kan daarvan nooit iets te weten komen. ‘Bedrieg u niet, hernam jan; Vader kan al de persikken hebben geteld; doch al ware dat zo niet, dan zijn wij nog ongehoorzaam en trouwloos te gelijk en ik wil geen van beide wezen. God verbied het ons, en de mensch verfoeit het.’ pieter, vervoert door zijne lusten, greep een persik, maar scheurde zich een' vinger op aan een spijker der schutting. Te huis gekomen, vroeg de vader hoe die wond aan den vinger kwam? pieter, benaauwd, gelijk alle ongehoorzame kinderen, begon op eene onwaarheid te denken, (de leugen is altijd aan de misdrijven gehecht;) en zeide dat hij gevallen was. De vader zag aan de wond dat het de scheur van een spijker was, en niet de wond van een' val, en ondervroeg den braven jan, die de waarheid
ronduit zeide, zonder zijn' broeder te ontzien, en verhaalde welke rede hij gebruikt had om hem de gehoorzaamheid te ontraden. Toen sprak de vader jan omhelzende, en hem een ducaat gevende: ‘Lieve jonge! gij had recht: die in één ding ongehoorzaam kan worden, staat aan den voet eener tweede ongehoorzaamheid; men moet zich voor het eerste kwaad wachten. Ten loon uwer gehoorzaamheid, schenk ik u den gantschen boom; en uw broeder laat ik voor dit maal vrij met de pijn zijner welverdiende wond, en het gemis van den boom.’ Lieve jeudige landgenoten! Volgt jJan, en spiegelt u aan pieter.