In den winter van 1794. was er een jongman van veertien jaren, die teder bemind was van zijne moeder, die weduwe was, en alle zorgen aan hem besteedde. Zij vertrouwde dat haar kind hare liefde met pligtmatigen dank zou erkennen, en nooit iets ondernemen dat haar zou kunnen bedroeven. Zij hoorde hem dikwijls van het schaatzenrijden spreken met de gretigste vurigheid, en bewust dat het ijs alle jaren menschen kost, behalve die armen en benen breken, of breuken vallen, nam zij hem ernstig voor, en zeide: ‘krisje! alles wat een kind in reedlijkheid van een moeder kan begeeren, kunt gij van
mij verkrijgen; alleen beloof mij uw leven, armen en benen niet te wagen op het ijs. Ik heb niemant dan u, en bedenk dat uw verminking mij eene zielsmarte en uw dood mijn dood zou zijn. Laat u van uwe liefhebbende moeder raden, ontzie u zelven om harent wille.’ krisje: onhelsde zijne moeder met een traan; maar hoe ligt is de jeugd, (kinderen! denkt daar aan,) niet bloot gesteld aan verleiding! krisje maakte op de school partij om des namiddags de school te ontduiken, en met eenige makkers, die hem uitlachte over zijne moederliefde, het schaatzenrijden te leeren. Naauwlijks waren zij een half uur op het ijs, of krisje viel in een bijt, en daar de koude hem overviel, verdronk hij terstond. Men bragt zijn lijk te huis, en zijn troostelooze moeder overleefde hem niet lang. ô Kinderen! hoe is deze jongman de eeuwigheid ingegaan? en
hoe is hij voor den Almagtigen verschenen? gesmoord te midden en zijne zonden, en voor God verschenen als een trouwelooze verbreker van belofte heilig gedaan aan eene liefhebbende moeder, die Gods plaats bij hem bekleedde, ja, als een moordenaar van haar aan wie hij 't leven verschuldigd was. Laat zijn voorbeeld u doen beven, en verwerpt nooit vader of moeders raad.