13 Een oudt liedeken
- 1
- BIstu een crijgher oft bistu een boer
- Hoe siedy wt uwer cappen so soer
- Wildy een crijschman zijn
- So neemt vijfhondert gulden met v
- den crijch sal ic v leeren
-
- 2
- Hansken swoer eenen dieren eet
- Al waert mijn vader ende moeder leet
- Den crijch en sal ic niet laten
- Ic wil gaen ruyten \ rouen stichten
brant. |*
- Al op des heeren straten
-
- 3
- Hansken dede zijns selfs raet
- Hi vercocht caf ende haueraet
- Hi woude al na den crijghe
- Corte cleyderen dede hi aen
- Al na die ruytersche ghijse
-
- 4
- Hi clopte voor een schipmans dore
- Bistu daer binnen so coemter vore
- Ende voert mi ouer twater
- Ic ben een rijck boermans sone
- Den crijch en can ic niet gelaten
-
- 5
- Die schipper was een goet gesel
- Hy voerde hem ouer twater snel
- Dat water was ongeduere
- Rijck god waer ic tsoheyme gebleuen
- In mijns vaders schuere
-
- 6
- Doen hansken quam ter haluer zee
- Sijn hooft dede hem so wee
- den coop was hem berouwen
- Rijck god waer ick tsoheyme ghebleuen
- Mijn vaders acker woude ick bouwen
-
- 7
- Doen Hansken ouer dat water quam
- Een scram in sinen beck dat hi vernam
-
[fol. 8r]
- Doen wast hem seer berouwen
- Hadde ick den ploechsteert metter hant
- Mijns vaders acker soude ick wel bouwen
|