19 Een nyeu liedeken.
- 1
- DEn dach en wil niet verborghen zijn
- Het is schoon dach dat duncket mi
- Mer wie verborghen heeft zijn lief
- Hoe noode ist dat si scheyden
-
- 2
- Wachter nv laet v schimpen zijn
- Ende laet hi slapen die alder liefste mijn
- een vingerlinck root sal ic v schincken.
- Wildy den dach niet melden
-
- 3
- Och melt hem niet rampsalich wijf
- Het gaet den iongelinck aen zijn lijf
- Hebdy den schilt ick hebbe die speyr
- daer mede maect v van heyr.
-
- 4
- Die ionghelinck sliep ende hi ontspranck.
-
[fol. 11r]
- Die liefste hi in zijn armen nam
- En latet v niet so na ter herten gaen
- Ick come noch tauont weder
-
- 5
- Die ionghelinck op zijn vale ros tradt
- Die vrouwe op hooger sinnen lach.
- Si sach so verre noortuwaert inne
- Den dach door die wolcken op dringhen
-
- 6
- Had ick den slotel vanden daghe
- Ic weerpen in gheender wilder masen
- Oft vander masen tot inden rijn
- Al en soude hi nemmeer vonden zijn
|