21 Een oudt liedeken
- 1
- DIe voghelkens inder wilder heyden
- Si hebbent so wel ghesonghen.
-
[fol. 12v]
- Ick ben van mijnen soeten lieue
- So ruyterlijcken gedrongen
- Si meynt dat ick haer eyghen ben
- Ende is si dan niet slechte
- Ick en mach niet meer ter molen gaen.
- Hillen billen metten iongen knechten
- stampt stamperken stampt \
stampt hoerekint stampt
- Stampt stamperkin inde molen.
-
- 2
- Ic en can mi voor dese ionge gesellen niet
gehoeden
- Ende dan so coemt dat oude wijf
- Si wil daer omme verwoeden
- Om dat si dat niet gemaken en can
- Daer omme so wil si vechten
- Ick en mach niet meer ter molen gaen
- Hillen billen metten ionghen knechten
- Stampt stamperken stampt \ stampt. etcetera.
- Stampt stamperken inde molen.
-
- 3
- Die een goede nieuwe molen heeft
- Och hoe wel mach hijse malen.
- Wanneer hijse wel ghemalen heeft |
- So leyt si wel also stillen
- Den oppersten steen die gaet of
- Den ondersten blijft in zijn rechten
- Ick en mach niet meer ter molen gaen.
- Hillen billen metten ionghen knechten
- Stampt stamperken stampt stampt. etcetera.
- Stampt stamperken inde molen.
-
- 4
- Hi nam dat meysken bider hant
- Hi leydese aen die steene
- Hi steldese op dat cuypen boort
- Hi haddese daer alleene
- Dat een been stelde hi op den sack
- Dat ander been al op die lechte
- Ick en mach niet meer ter molen gaen
- Hillen billen metten ionghen knechten
- Stampt stamperken stampt \ stampt. etcetera.
- Stampt stamperken stampt inde molen.
|