60 Een oudt liedeken.
- 1
- HEt worp een knaep so heimelike dingen
- als voor eens borgers camerlijn
- Sijn boel was daer binnen
- Het was eens borgers dochter goet.
- daer op so schafte die knape sinen moet.
- Na haer staet zijn verlanghen
-
- 2
- Hoe luyde singet die wachter opter tinnen
- Als twee schoon liefkens te samen zijn.
- Si moghen hem wel versinnen
- Het is geluck ende een goet iaer
- Ic schencke mijn lief vijf duysent iaer.
- Mijn boel eenen goeden morghen.
-
[fol. 36r]
- 3
- Dat maechdeken sprac \ mach mi den knaep niet
werden.
- In een duyster camerken
- Van rouwe moet ick steruen
- Och sterue ick nv so ben ic doot
- So graeft mi onder die rooskens root
- So verre aen gheen groen heyde
-
- 4
- Hi nam dat maechdeken bider hant
- Hi leydese door dat groene wout
- Dat groene wout ten eynde
- Hi leydese al onder een linde staet breyt
- Daer vonden si twee een bedde bereyt
- Si laghen daer bi malcanderen
-
- 5
- Si laghen daer den langen nacht verborgen
- Al in een duyster camerken
- Tot dat quam den lichten morghen
- Tsmorghens vroech alst was schoon dach
- Dat maechdeken dede den ruyter geclach
- Si haddet so geerne verborghen
-
- 6
- Die dit liedeken eerstwerf heeft gesonghen.
- Het was een ruyter wt Brabant |
- Wt nederlant is hi gecomen
- Hi voerde een spijse op zijnder hant
- Met pijpen met trommen trect door tlant
- Sijn sinnen staen na den crijghe
|