77 Een amoreus liedeken.
- 1
- HEt vlooch een so cleynen wilt vogelken
- Tot mijns liefs venster in
- Staet op mijn alder liefste
- Staet op ende laet mi in
- Ic hebbe te nacht geuloghen
- Al door die wille dijn
-
- 2
- Hebdi te nacht gheulogen.
- Al door die wille van mi
- So coemt ter haluer middernacht
- Ic wil v laten in
- Ic wil v decken warme
- Met mijnen snee witten arme
-
- 3
- Ende dat verhoorde een | wachter goet
- Op hooger tinnen lach
- ic waen ghi waert een huebsce
- Een huebsce machdelijn
- Ende si had in ghelaten
- die lantsknecht vander straten.
-
- 4
- Och willet wachter swigen
- Laet dat verholen zijn
- So wil ic v schincken
- Van gouden een vingherlijn
- daer toe een schoon cranselijn.
- Och here god vanden hemel
- Hoe is den dach so lanck
-
- 5
- Den dach en is so lange niet
- Het wert wel wederom nacht
- mi heeft so huebscen maechdelijn
- Een bislapen toegesacht
- Och mocht ic bi haer slapen
- Mijn trueren soude ic laten
- Ende hebben eenen vrijen moet. |
- Om alle lantsknechten wille
- Verteere ic mijn gelt mijn goet
-
- 6
- Mer dat ghi by mi slapen sout
- dat is die wille van mi
- Och willet lansknecht swigen
- Ghi sult die liefste zijn
- daer op een so huebscen moet
- Om alle lantsknechten wille.
- Verteer ic mijn gelt ende goet
-
- 7
- Die ons dit liedeken eerst werf sanck
- So wel gesongen heeft
- dat heeft ghedaen een vrome lantsknecht
- God geue hem een vrolic iaer
- Hi heuet so wel ghesongen.
- God sceynde alle niders tongen
- Hi heuet eenen vrijen moet
- Om alle lantsknechten wille
- Verteer ic mijn gelt ende goet
|