82 Een oudt liedeken
- 1
- HEt voer een knaep wt liefden sterck
- Na eender schoonder vrouwen
- Soo langhe dat si haer verberch |
- Men mochse niet aenschouwen
- God behoede mijn lief ende daer toe mi
- Waer mijn lief gaet schijnt den lichten
morgen
-
- 2
- Den dach al door die wolcken dranc
- die nacht en woude hem niet wijcken
- Wt sinnen edelen glase ontspranck
- Al ouer allen aertrijcken
- Wt orienten ons ghesant
- Ouer alle tlant \ den armen als den rijcken
-
- 3
- Die vaert die ic op trouwe doe
- Leyt hier yemant verborgen
- Die schieden op ick maect hem vroet
- So en coemt ghi niet in sorghen
- Nv ligghe ick hier op deser vaert
- Tlichtet so schoon den claren dach den
morgen
-
- 4
- Die knape sprack \ ick hadde vernomen
- Die wachter is in wake
- Ick ducht dat den dach sal comen
- Hi en laet ons niet meer slapen
- dus scheyden wi twee eer morghen vroech.
-
[fol. 47v]
- Eerment verneemt op geenre
breeder straten
-
- 5
- Smorgens als die wachter die poorte onsloot
- Te scheyden van sinnen ghenoot
- Den meysken dattet seer verdroot
- Dat si haer lief moeste laten
- In haren armen dat si hem beuinck
- Si custe hem ende seynde hem zijnder straten.
-
- 6
- Die cnape sprack \ hoe wee mi doet
- dat ic van di moet scheyden.
- Scheyden dat is mi een bitter doot
- Mi en schiede noyt dinck so leyt.
- Och huden meer dan morghen vroech.
- Ten leeft geen man die minen boel sal
ontleiden
|