96 Een oudt liedeken
- 1
- IC sie die morgen sterre
- Mijns lieuekens claer aenschijn
- Men salse wecken met sange
- die alder liefste mijn
-
- 2
- Wie ist die daer singhet
- Ende mi niet slapen en laet
- Hi sal zijn singhen laten
- Voorwaer segge ic hem dat
-
- 3
- Dat ben ic ridder coene
- Een ridder wel ghemeyt
- Wanneer suldijs mi loonen
- Alle mijn sanghes arbeyt
-
- 4
- Coemt noch tauont spade.
- Al voor mijns vaders hof.
-
[fol. 55v]
- Al daer sal icx v loonen
- En segt daer niemant af
-
- 5
- Den dach die nam een eynde
- die ionghelinc quam al daer
- Met sinen blancken armen
- Woude hijse ombeuaen
-
- 6
- Nv staet ioncheer stille
- En rijdt mi niet te na
- Ick moet noch eerste weten
- Wat loon ic soude ontfaen.
-
- 7
- Bergen ende lant schoon ioncfrouwe
- Sal v vrij eygen zijn.
- Ende bouen alle die daer leuen
- Saldi die alderliefste zijn
-
- 8
- Sal ic bouen alle ioncfrouwen
- Dijn alder liefste zijn
- So suldy ridder coene
- Mijns lijfs geweldich zijn
-
- 9
- Si namen daer malcander.
- si ghinghen eenen ganck. |
- Al onder een lindeken groene.
- die nachtegael daer op sanc
-
- 10
- Hi liet zijn mantel glijden
- Beneden in dat gras
- Om dat zijn vergulde sporen
- Vanden douwe niet en souden werden nat
-
- 11
- Daer lagen si twee verborgen
- die lieue langhe nacht.
- Vanden auont totten morghen
- Tot dat scheen den lichten dach.
|