97 Een nyeu liedeken.
- 1
- IN oostlant wil ic varen.
- Mijn bliuen en is hier niet lanck
- Met eender schoonder vrouwen
- Si heeft mijn herteken beuaen.
-
- 2
- Hi nam dat maechdeken bijder hant.
- Al bider witter hant. |
- Hi leydese op een eynde
- daer hi een beddeken vant
-
- 3
- daer lagen si twee verborgen
- den lieuen langhen nacht
- Van tsauonts totten morghen
- Tot dat scheen den lichten dach.
-
- 4
- Wel op ridder coene
- Sprack si dat meysken fijn
- Keert v herwaerts omme
- Mi wect een wilt vogelken.
-
- 5
- Hoe soude ic mi omkeren
- Mijn hooft doet mi so wee
- En waer dat niet geschiet.
- Ten schiede nemmermeer
-
- 6
- Had ic nv drie wenschen
- Drie wenschen also eel
- So soude ic nv gaen wenschen
- Drie roosen op eenen steel.
-
- 7
- Die een soude ick plucken
- die ander laten staen
-
[fol. 56r]
- die derde soude ic schencken
- der liefster die ic haen.
-
- 8
- Aen ghene groene heyde.
- Daer staen twe boomkens fijn
- die een draecht noten muscaten
- die ander draecht nagelkijns.
-
- 9
- Die naghelen die zijn soete
- die noten die zijn ront
- Wanneer so sal ic cussen
- Mijns liefs rooden mont.
-
- 10
- Die ons dit liedeken sanck
- So wel ghesonghen hae.
- dat heeft gedaen een lansknecht
- God geue hem een goet iaer.
|