terug  begin  prepost
[p. 29]

Bijlagen

I. Bibliografie

Van de vele drukken die er van het Bagijnken van Parijs ongetwijfeld bestaan moeten hebben, zijn er slechts zeer weinige bewaard, en deze elk slechts in een enkel exemplaar1. De Nederlandse tekst is overgeleverd in één incunabel, één 16de-eeuwse en twee 17de-eeuwse drukken. Wij geven hiervan de navolgende beschrijvingen:

A. Baghyken van || parys || [houtsnede: een gekroonde figuur op een troon, met een scepter in de hand].

Boven de y van Baghyken is een streepje met de pen aangebracht ter aanduiding van de verkorting. In klein 8o, 14 bladen, ongepagineerd, het eerste vel zonder signatuur (8 bladen), het tweede (zes bladen) alleen met de signatuur bij. De houtsnede van de titel is op de laatste pagina herhaald. Geen custoden. 19 of 20 regels op een bladzijde; alle beginkapitalen der verzen gerubriceerd. Zonder plaats, jaartal of drukkersmerk; vermoedelijk gedrukt door Chr. Snellaert te Delft, omstreeks 1490 (zie Campbell, Annales, no 215; Gesamtkatalog der Wiegendrücke dl. 3, blz. 593, no 3765.).

Het enig bekende exemplaar berust in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage.

B. Dat Beghijncken van Parijs (gevolgd door den dietschen Cathoen). Antwerpen, Jan van Ghelen.

Zie Nijhoff-Kronenberg III, Inl., no 090. Een nauwkeurige beschrijving is niet mogelijk, daar het enig bekende exemplaar berust in de bibliotheek van de hertog van Arenberg (Nord-kirchen), die niet toegankelijk is.

[p. 30]

C. Baghijnken || van Parijs. || Dock is hier by ghedaen die wyse leeringe || die Catho zijnen Sonen leerde. || [houtsnede] || T'Hantvverpen. || By Hieronymus Verdussen / op onser lieuer Vrouwen || Kerckhof / in de X. Gheboden. 1605. Klein 8o, 16 bladen, ongepagineerd, gothische letter.

(Beschrijving volgens Serrure in zijn uitgave, p. viii, naar het toenmaals in zijn bezit zijnde unieke exemplaar. Waar dit gebleven is, is niet bekend; in zijn Catalogus (Brussel 1872) komt het niet voor en het berust niet in een der Belgische bibliotheken1. De houtsnede beschrijft hij aldus: ‘Het titelblad is versierd met eene houtsnede verbeeldende een begijntjen zittende by eenen boom op hare kniën. Aen haer verschijnt, in eenen strael van licht en met eene doorne kroon omringd, het kindeken Jesus, hetwelk den wereldbol draegt.’ Niet vermeld in Bibliotheca Belgica).

D. Baghijnken van Parijs, noch is hier by ghedaen die wijse Leeringe, die Catho zijnen Sone leerde. t'Antwerpen, vy Pauwels Stroobant, inde Cammerstraet, inden witten Hasewint. In 12o, 12 bladen.

(Beschrijving als voren. ‘De titelplaet is eene nabootsing van die welke op den druk van 1605 voorkomt’. Volgens Serrure gedrukt ‘omtrent het jaer 1660; want ouder ziet het er niet uit’. Waar zijn ex. gebleven is, is niet bekend; de Kon. Bibliotheek te Brussel bezit een tweede ex. Niet in Bibliotheca Belgica).

 

Van de nederduitse tekst zijn vier handschriften bekend en drie drukken. In de stadsbibliotheek van Hamburg bevindt zich een hs., afkomstig uit het Hamburgse begijnhof en geschreven in het begin van de 16de eeuw. De Lübeckse stadsbibliotheek

[p. 31]

bezit twee hss. uit de 15de eeuw, die nog niet onderzocht zijn. In een Oldenburgs gebedenboek, waarin stukken uit verschillende tijd zijn bijeengebonden, komt een vrij sterk vervormde tekst voor, die uitgegeven is door A. Lübben in zijn Mittelniederdeutsche Gedichte (1868), p. 1-17 (zie W. Stammler, Die deutsche Literatur des Mittelalters, Verfasserlexikon i, 183).

De drukken zijn:

 

Van dem begyndechyn || van Parijs || [houtsnede].

Zonder plaats en jaar. 10 bl. 4o. Op bl. 10 vo het drukkersmerk van Heinrich von Neuss, die het omstreeks 1510 gedrukt moet hebben (Borchling-Claussen, Niederd. Bibliographie no 479). Slechts twee volledige exemplaren zijn bewaard.

 

Van dem begyn || gyn van parisz || [houtsnede].

10 ongepagineerde bl. 4o. Op bl. 10 ro: Gedruckt tzo Coellen vy dem Eygelsteyn d.i. bij Heinrich von Neuss, omstreeks 1512 (a.w., no 510).

Naar deze druk werd de tekst uitgegeven door O. Schade, Geistliche Gedichte des XIV. und XV. jarhunderts vom Niderrhein (1854), p. 333-356.

 

Een derde Keulse druk, die eveneens uit het eerste kwart van de 16de eeuw moet dateren, trof ik aan in een veilingcatalogus van het Internationaal Antiquariaat te Amsterdam; veiling van 21-23 Maart 1938, waar hij onder no 1062 aldus beschreven staat:

Eyn schoen kürtzwylich lesen van dem Beghyngin von Parisz (Köln) Anth. Keyser. 4o.

‘Avec belle gravure de titre, grav. s. bois dans le texte et grande marque d'imprimeur’.

Waar dit exemplaar gebleven is, kon het Int. Antiquariaat mij niet mededelen.

[p. 32]

II. Tekstkritiek en nadere toelichtingen

Zoals in de Inleiding is uiteengezet, is de overlevering van de tekst vrij gebrekkig en moest van het samenstellen van een geheel kritische tekst worden afgezien. Met behulp van de nederduitse teksten kon de lezing op enkele plaatsen verbeterd worden; hiervan volgt nu de verantwoording, waarbij tevens enkele nadere toelichtingen worden gegeven. Met SG wordt aangeduid de tekst die door O. Schade in de bundel Geistliche Gedichte des XIV. und XV. jarhunderts vom Niderrhein in 1854 werd uitgegeven; met L die welke A. Lübben in zijn Mittelniederdeutsche Gedichte (1868) heeft meegedeeld.

 

11 doer haer edelheit, SG beter: ‘durch die liefde van goede’ (God); L: ‘bat eer vmme de godes hulde, dat se se doer er edelheit saen’.

Na vs. 48 ontbreekt een strofe; in SG zijn daarvan twee regels overgebleven:

 
Und besie dich in den spiegel blank
 
----------
 
und laiz faren so sware gedank

Bij L ontbreekt deze strofe ook geheel.

 

72 Merkwaardig is het rijm siele - prielen; er zijn mij geen andere plaatsen bekend van priel met ī voor priëel (vgl. trouwens in onze tekst vs. 372, met prieel). Het Nd. heeft sele / priele bij SG, zele/proyele bij L. Dit zou pleiten voor prioriteit van de nd. tekst.

Na regel 87 ontbreekt een vs., rijmende op lief. SG heeft:

 
und zo hangen plach manigen dief

Ook de volgende strofe is onvolledig; SG is eveneens corrupt.

[p. 33]

93 Vgl. bij SG:

 
und dat men im unwerdenkliche
 
den rok uiz allen sinen wonden zoich.

Voor iii ontbreekt een vers; SG heeft:

 
Maria sin lieve moeder gaf im zer noit
 
al umb sinen lif ein doichelgin.

117 choer rijmt niet op groot van vs. 115. Deze regels zijn blijkbaar een latere wijziging; SG heeft op deze plaats:

 
Moichte ich ir nu helfen dragen
 
ir bedroefelich liden groit
 
mit reuwen mit schreien und mit clagen,
 
soe enhedde ich ghein noit.

waarmee ook L ongeveer overeenkomt.

 

Vs. 122 is een latere toevoeging; 123-126 vormen een normale strofe: - heren in vs. 124 moet wsch. herten zijn; SG heeft:

 
Ich drage den sluzel van dem schate
 
mins herzens lief alle bloiz

en ook L heeft ‘myns herten’.

 

132 Enigszins corrupt; SG heeft:

 
dairaf steit mir min moit.

134 hoet hersteld, evenals in C.

 

148 ic bidde u ingevoegd, in overeenstemming met SG.

Na vs. 160 ontbreken twee regels; SG heeft:

 
Soe doe af den swarzen hoeken dan
 
und umb die liefde van goede
 
soe doe desen harden grauwen rok an
 
und dairzo haet godes geboede.

Vs. 174 en 175 staan in de tekst in omgekeerde volgorde; 174 is wsch. corrupt.

[p. 34]

Aan het begin van vs. 177 is blijkbaar uitgevallen: ‘si sprack’ (SG: ‘Sie spraich’). Voor bevaen heeft de tekst bewaen.

 

198 den soon ingevoegd volgens SG. In overeenstemming daarmee moet in vs. 200 gelezen worden: ‘Dat hi haer troester sy’; vgl. de volgende strofe.

 

209 Deze regel is wsch. corrupt; SG heeft:

 
Der sondach is nu verleden
 
ind der maendach komet hernae

Vs. 242 is een latere invoeging.

 

245 valsche ingevoegd volgens SG (in 243 moet het wsch. geschrapt worden).

 

284 Die: de tekst heeft Want die

 

Vs. 286-293 zijn ten dele corrupt. SG heeft (wsch. ook niet geheel correct):

 
Mit saichter selen bleif hei doit
 
und mit blodigen ougen.
 
ser durchwont was im sin heuft.
 
ich beclage sin minlich liden.
 
 
 
Mit bedroefdem herzen dat hei schre
 
ind mit roifendem munde.
 
sin dornencrone duit mir soe we
 
ind ouch sins herzen wonden.

In L is deze passage sterk uitgebreid.

 

307 vloet; de tekst heeft bloet.

 

315/317 wesen/vreden, een assonerend rijm; evenzo bij SG; L heeft voor 315 ‘bin ik vnledich mede’.

 

347 hadde; de tekst heeft haddē.

 

350 maget; de tekst heeft magec.

[p. 35]

366 hadde ruste; de tekst heeft hadder ruster (vgl. SG: hei enhadde der rasten niet).

 

Vs. 371 staat in de tekst op de plaats van vs. 374.

 

Vs. 380 staat in de tekst dubbel. De lezingen van deze strofen lopen nogal uiteen. SG heeft:

 
‘Junkfrauwe, ich enkan gheinen troist gewinnen,
 
ich sal mich selver wrechen,
 
ich sal dich alsoe sere doin minnen
 
dat dir din herze sal breichen.’

Bij Lübben, Mittelniederd. Gedichte, leest men (vs. 401 vg):

 
Ik wilt syner moder klaghen
 
de archeyt, di he my bedet,
 
men to ghenen daghen
 
en wil ik syner haven nicht.
 
Trost ze my neet van bynnen,
 
ik wil my zulven wreken;
 
ik wil en doen also mynnen,
 
syn herte scal eme tobreken.

383 ghij: de tekst heeft hij, maar alleen ghij geeft hier een goede zin; ghenen; de tekst heeft gheuen.

 

391 haven; de tekst heeft wille. Geëmendeerd naar SG. L heeft ook willen.

 

397-400 Deze strofe en de volgende tot vs. 425 om de andere hebben een ander rijmschema: het eerste en derde vs. rijmen, in plaats van het tweede en vierde.

 

410-412 Het rijm is onzuiver, ook bij SG (gewant / gank); L heeft ghewaden / trade.

 

416 sijn; de tekst heeft fijn.

 

417 tafelbaert; de tekst heeft tatelbaert.

[p. 36]

418 Dit vers staat in de tekst op de plaats van 415; het luidt daar; ‘Saphiren ende van dueren robbijn’.

 

428 ic; de tekst heeft icx, waarin de genitief -s overbodig is, omdat des volgt.

 

429 vg. De wending die het gedicht hier neemt met het spreken van Christus is zó plotseling dat men welhaast moet aannemen dat er iets ontbreekt. Toch zijn zulke plotselinge wendingen in de volksliederen heel gewoon, en in verband met vs. 463 is zij ook hier wel begrijpelijk: voor het begijntje in haar mystieke extase bestaat er geen tijd meer, en de tegenwoordigheid van Christus doet zich plotseling aan haar voor, zonder overgang uit haar voorafgaand stadium van verdieping in Zijn lijden. Ook bij SG en L is de verspringing even plotseling; na vs. 432 volgt bij SG echter nog:

 
Ich enwil niet lenger beiden schoine,
 
du bis mir in der lieve so getruwe.
 
ich sal dir upsezen ein gulden crone,
 
min allerliefste vrauwe.

en bij L:

 
dat scal zin iw loen;
 
gy syt my so ghetruwe,
 
ik scal iw sulven spannen eyn croen,
 
min alre leveste vrouwe.

446. Aan het begin is misschien uitgevallen ‘Si sprac:’, althans dit staat wel bij SG. Maar in de volksliedtrant kan dit ook wegblijven.

 

467. Dit vs. staat in de tekst na 468.

 

479 tide; de tekst heeft tijt, dat wij ter wille van het rijm gewijzigd hebben.

 

484 vg. Deze epiloog ontbreekt in de druk van 1605, maar hij

[p. 37]

moet toch wel als oorspronkelijk beschouwd worden, daar ook alle nd. teksten hem hebben. De naam van St. Gregorius wordt blijkbaar alleen genoemd om autoriteit aan het verhaal te geven; reeds Schade moest berichten dat hij noch bij Gregorius de Grote noch bij Gregorius van Tours iets had kunnen vinden dat er betrekking op had, en ook wij hebben bij een onderzoek mede van de middelnederlandse vertaling van de bekende Dyalogus (Dialogorum de vita et miraculis patrum italicorum et de eternitate animae libri IV) waaraan zovele exempelen ontleend zijn, niets kunnen vinden. Het was trouwens a priori onwaarschijnlijk dat het mystieke motief van ons verhaal bij deze oude schrijvers zou voorkomen.

 

490. In deze regel zijn twee verzen samengetrokken; SG heeft:

 
vier dusent dach aflaiz
 
ind dairzo hundert jair.

__________

 

Hierna laten wij nog de voornaamste varianten volgen uit de Antwerpse druk van 1605, die Serrure heeft uitgegeven.

Incunabel Serrure
3 wes 3 wat
10 door haer houde 10 haer door houde
36 Nimmermeer in hoghen 36 Nimmermeer ghedooghen
40 ghedueren 40 dueren
47 iuwelen 47 iuweel
60 totter doot 60 tot in sijn doot
69 papen 69 priesters
71 meyden gaen 71 vermeyen gaen

[p. 38]

77 verladen 77 gheladen
81 sijn 81 wesen
91 Dat 93 Dwelck
94 lam 96 lammeken
100 mijn lijf 102 myn lief (een zinstorende fout!)
106 in uwer noot 108 in gheender noot
109 Doemen 111 Daermen
112 Daer 115 Want
117 der enghelen choer 120 der engelen schoot (rijm hersteld)
132 Daer om staet mi 138 Daer van staet
137 mynt 143 bemint
139 moet 145 sal
140 scheiden 146 scheeden (rijm hersteld)
142 in vreden 148 te vreden
143 ioncfrou 149 dochter
164 datse 172 dat hy
168 Een camer suster 176 Een arm suster
169 beden 177 bidden
180 of ghespinnen 188 oft spinnen
184 moet 192 wilt
185 liet 193 stelde
207 te wercken ghoet 215 te wercken
218 weelick 226 deerlijck
219 Daermen 227 Datmen
223 Hebdi 232 Haddy
233 voer hem liden 241 hem helpen liden
239 Hebdi 247 Haddy
246 vercoft 254 vercocht
257 voer wijn 265 in wijn

[p. 39]

265 in knyen ghebeden 273 in zijnen ghebeden
285 worde 293 werde
290 bleef si staen 298 bleef hy doot
293 sijn weelic misweynde 301 sijn deerlijck miswonde
296 suchten doet mi wee 304 suchten
297 weelick 305 deerlyck
302 En can volclaghen 310 Ick en can claghen
303 over welick 311 over deerlijck
305 Of haer dat herte weynde 313 Och! dat haer herte weende
312 Hebdi 320 Haddy
316 moeder sijn 323 moeder mijn
324 Hebdi 332 Haddy
343 iaer 351 iaren
344 dinghen 352 spijsen
346 die suster 354 die suyvere
347 Tot gode hadden si haer bewant 355 Tot Godt si haer bewant
349 Die si daer binnen vant 357 Die sy seer beminde/sy vant
353 lieven gode 361 hooghen Gode
357 altoes 365 altijt
358 have 366 gaven
362 Ontfaet dat goede 370 Ontfanckt o goede
366 lacy; - hadder ruster 374 lacen; - hadden te rusten
370 dat 378 dan
383 geeft hi 390 gheefdy
385 u dan soe doen 392 u doen
390 bracht 397 ghebracht

[p. 40]

404 waerden coninck rijck 413 waerdighen coninck (rijm ontbr.)
410 Pellen; - duer ghereide 419 Peerlen; - dierbaer ghereyen
412 trede 421 trade vroech ende spade
415 Het is 424 Hy is
425 van goude 434 goudijn
428 icx des 437 ick des
432 menigher enghelen 441 menichte der enghelen
433 wordt 442 wert
437 clincken 447 alle clincken
442 helt 452 is
447 mach dat 457 machse
453 sy in alleyne 463 sy haer alleyne
457 staet 467 staghet
464 Sendet wt 474 Seyndet nu
467 troeste 477 troestse
473 Ende mijns herten toren 483 Ende prijsen herten toren
483 hadt ick 493 hadde ick

1Het boekje staat op de index van de bisschop van Antwerpen van 16 April 1621 (Mone, Uebers. 17).

1Volgens vriendelijke mededeling van de HH. Dr. Apers te Gent en M. Hoc te Brussel.

prepostterug  begin