205 De meeste Beatrijs-commentaren willen in plaats van Maria, moeder lezen Jhesu, here. De argumenten zijn dat Beatrijs voor het hoogaltaar bidt, in 215 zich tot Jezus richt, en daarna, als ze uit het koor is gegaan nogmaals tot Maria bidt; verder zouden de regels 208 en 209 wel van Jezus, maar niet van Maria gezegd mogen worden.
Wanneer men een fout in een tekst meent te constateren, dient men het ontstaan van de fout aannemelijk te maken, bovendien moet men de tekst op dit soort fouten in het geheel controleren. Het heeft daarom zin om na te gaan of Maria vaker met God of Jezus - die in het Middelnederlands, ook Got wordt genoemd - wordt verwisseld. In 200 blijft Beatrijs achter in het koor, volgens de tekst richt zij zich eerst tot Maria (205), vervolgens tot Jezus (215). Dan verlaat zij het koor en knielt voor een Mariabeeld en bidt tot Maria (225). In dit gebed zegt zij nacht en dag tot Maria geklaagd te hebben (228), maar Beatrijs blijkt tot God gebeden te hebben (72). Als Beatrijs later in ellende verkeert, bidt zij tot Maria (438), en zij bidt dagelijks de zeven Mariagetijden. Het resultaat is berouw, die God haar schenkt (484), waarop zij tot Maria bidt (492). Bij de weduwe bidt Beatrijs weer tot Maria (622) maar tijdens dit gebed gaat ze over op God: Here, ghi hebt wanhope verwaten (631), waarin ze uitvoerig ingaat op Gods genade (tot 662), waarna Beatrijs zich weer tot Maria richt. Dan komt in haar slaap de stem tot Beatrijs, die vertelt dat Maria zich over haar ontfermd heeft (673-699), waarop de stem afscheid neemt (700) met Hets van Gode dat ic u quedde. Beatrijs in de war door de stem verzoekt God nogmaals om een teken (703-720) en eindigt dan dat ze er Maria steeds dankbaar voor zal zijn (721-722). Die stem komt dan terug en zegt: God sal wesen dijn troester (728) en gaat door: Doet dat Maria u ontbiet; ic ben haer bode, en twivels niet (729-730). Weer bidt Beatrijs (736) tot God, maar tijdens dit gebed gaat ze over op Maria (744) en verzoekt nu Maria haar de stem voor de derde maal te zenden. Die stem komt dan en wel van Gods cracht (750) en zegt doet dat ic u hiet, want u Maria bi mi ontbiet (753-754). Haar reactie hierop is, dat ze nu niet kan twijfelen Dese stemme komt van Gode ende es der maghet Marien bode (765-766). Ze zal daarom naar het klooster terug gaan opten troest van onser vrouwen en ze zal haar kinderen bevelen Gode onsen vader (772-774). Ze dekt de kinderen dan met haar kleren toe en zegt kinder, blijft ghesont. Op den troest van onser vrouwen latic u hier enz. (780). Als ze het klooster binnen is, zegt ze Maria hebbes danc. Ic ben comen binnen mure. God gheve mi goede aventure (792-794). Vervolgens bidt ze God om haar habijt (799-803) en als ze dat heeft gevonden richt ze een dankgebed tot God en Maria samen (810) God van hemelrike ende Maria, maghet fijn, maar ze gaat alleen tot Maria verder in haar gebed: Ghebenedijt moetti sijn. Ghi sijt alre doghet bloeme. In uwen reine magedoeme droeghedi een kint sonder wee enz. Na haar eerste werkzaamheden als kosteres weer te hebben verricht bidt ze nogmaals tot Maria vooral voor haar kinderen, wat in de indirecte reden wordt gegeven (841-844). Inhoud van verdere gebeden wordt niet verteld. De abt begrijpt dat het mirakel door de Heer verricht is tet ere van Maria (1013-1014), zoals de schrijver reeds in het begin meedeelde (7-8), maar in 1032 wordt van Maria gezegd dat zij dese scone miracle toghede. Aan het slot worden God en Maria beiden weer genoemd, waarbij de leer der kerk geen geweld wordt aangedaan: dat Maria moet wesen ons vorsprake int soete dal daer God die werelt doemen sal.
Als we dit geheel overzien, blijkt dat wat als een incidentele fout werd gewijzigd door de tekstuitgevers een regelmatig verschijnsel is. Steeds wordt Maria zo niet in één adem dan toch in één gebed met God genoemd, waarbij zij als middelares optreedt zonder wier hulp het niet mogelijk lijkt dat de zondaar genade krijgt. Dit is echter begrijpelijk in een tijd dat de Maria-verering nog in opkomst was. Dit verklaart ook waarom de dichter tweemaal op de grote waarde wijst van het Ave Maria bidden. De eerste maal als Beatrijs haar kleed aflegt voor het Maria-altaar (239-248), de tweede maal als ze berouw heeft en zich beroept op het feit dat ze dit gebed geregeld had opgezegd (525-552). Zie ook Aant. 243-248. Hoe meer eer men voor Maria opeiste - en in heiligenlegenden deed men dat ook voor zijn heilige - hoe dankbaarder de vereerde zou zijn, en hoe meer kans, dat die eer ten slotte toegewezen werd door het kerkelijk gezag. Het is dus geheel niet vreemd, nee juist in overeenstemming met de aard van dit verhaal, dat praktisch regelmatig Maria steeds genoemd wordt als het ware even machtig als God. Nu wordt opgemerkt dat van Maria niet gezegd mag worden ghi kint wel in allen uren smenschen herte ende sijn wesen, omdat dit alleen door God gekend zou zijn, zoals ook van Maria niet gezegd zou mogen worden dat haar genade altijd groter is dan de zonde der mensen (662). Als dit zo was, hoe kon het dan geschreven worden? Had de dichter dit moeten weten? Waarom zouden deze regels wel een interpolatie kunnen zijn en geen ‘fout’ van de dichter? Trouwens volgens Tondalus' visioen hebben de zalige zielen ook kennis van alles wat er plaats vindt (1854): hemlieden was niet verholen in hemelrike no in eerderike. Het is eerder zo, dat wat een fout lijkt typerend is voor de geest waaruit het werk ontstaan is, en dus een mogelijkheid tot beter begrip voor het werk biedt. En waarom zou Maria niet aangeroepen kunnen worden voor het hoogaltaar, zoals is opgemerkt, terwijl op het hoogaltaar wel een Mariabeeld kan staan? Dit blijkt o.a. uit een Marialegende (De Vooys, I, LXXV) Ende in dat cloester stont een scoen beelt van onser liever vrouwen op dat hoghe outaer.