terug  begin  verder
[p. 218]

Vondels Meesterstuk - ‘Lucifer’.

Eenige opmerkingen, als antwoord aan M. Brouwers(1).

OF, en in hoeverre wij den lof verdienen, waarmede M. Brouwers van ‘Vondels Meesterstuk’ spreekt, moge de lezer uitmaken. Zeker is zijn artikel voor ons eene krachtige aanmoediging, waarvoor wij hem dank weten. Wij bedanken hem niet minder voor de aanmerkingen, die hij ons mededeelt omtrent het boek. Bij de eerstvolgende uitgaaf zullen wij er gebruik

[p. 219]

van maken, alsook van sommige andere inlichtingen die men ons reeds heeft toegezonden, of nog zal gelieven toe te zenden.

[p. 220]

Op een paar echter van M. Brouwers' aanmerkingen zouden wij nog eens willen terugkomen. Misschien ware hier wel het geval een spreekwoord toe te passen, dat

[p. 221]

ik van kindsbeen af gehoord heb: ‘die het goed heeft moet het maar goed houën.’ En M. Brouwers, een rechtschapen Nederlander, zal het zeker niet kwalijk

[p. 222]

opnemen, - zóó ik recht heb, - dat ik mij, ofschoon een Vlaming, beroepe op Neerlands leus: ‘je maintiendrai’, om mijn recht te handhaven. Wij zullen dan maar van achteren aan beginnen.

 
Vs. 101.
 
Had zich Apollion iu zijnen last gekweten,
 
Hij had ons hemelrijk in Adams rijk vergeten.

Welk is de zin van dat eerste vers? M. Brouwers legt het zoo uit: ‘Had zich Apollion reeds in zijn last gekweten gehad, hij zou ons hemelrijk in Adams rijk vergeten hebben. Ik versta dat ‘had zich Apollion’ als een prétérit antérieur. Ik zou het in 't Fransch vertalen als volgt: Si sa tâche alors déjà eût été remplie, il aurait oublié, dans le royaume d'Adam, le royaume des cieux.’

Mijne verklaring (bl. 32.) luidt als volgt: ‘Had ik (Apollion) mij ontslagen geacht van den last mij door Lucifer opgelegd. (Zie vs. 4, 5.) - Apollion spreekt van zichzelven in den 3n persoon.’ Ik versta dat ‘had zich Apollion’ eenvoudig als een prétérit, naar zijne gewone beteekenis; en de volledige zin is dan zooveel als: ik (Apollion) ware in Adams rijk gebleven, had ik mij (daarmede) ontslagen geacht van Lucifer's last, of klaarder nog: had ik mij tevens, of zoo handelend, van mijnen last gekweten.

De beide zinnen, meen ik, zijn mogelijk, als men de twee versregelen afzonderlijk beschouwt. Maar nemen wij ze nu in verband met hetgeen volgt en voorafgaat, in het treurspel.

Neem ik de verklaring aan van M. Brouwers, dan zie ik in die twee verzen hoogstens eene duistere bewering dat Apollion Na volbrenging van zijnen last (die het terugkeeren naar den hemel insloot) in Adams rijk zou willen blijven hebben (en hij was op dat oogenblik beneden voor den eersten keer).

Vat ik integendeel den zin volgens de tweede verklaring op, dan vind ik, in die twee verzen, een schoonen karaktertrek van den eerzuchtigen vleier Apollion. Hij zegt immers met andere woorden: ‘had ik

[p. 223]

liever naar de stem van mijn lust; dan wel naar die van mijn last of plicht, geluisterd, ik ware in 't hemelrijk niet teruggekomen.’ Hoor eens hoe getrouw..... Hij verdient zeker een kruisje of een lintje om zijne getrouwheid! Hij zelf is er fier op: dit blijkt genoegzaam uit den deftigen toon, waarmede hij van zich zelven in den 3n persoon spreekt: ‘had zich Apollion gekweten.’

Ik besluit dus: zijn beide opvattingen mogelijk, als men de twee verzen afzonderlijk beschouwt, de laatste verklaring is zoo niet alleen, dan toch meer waarschijnlijk als men ze beschouwt in verband met het overige van 't stuk.

Gaan we nu over tot eene tweede plaats waar M. Brouwers het niet eens kan zijn met mijne verklaring.

 
Vs. 49.
 
Ik... bleef hangen op mijn pennen,
 
Om 't oostersche geweest en landschap te onderkennen,
 
Op 't aanzicht van den kloot, daar de oceaan om spoelt.

Ik had eerst dezelfde opvatting als mijn achtbare criticus, omtrent dit laatste vers: d.i. ik vatte het woord aanzicht op in den zin van gezicht, in 't Fr. aspect, vue. Waarom liet ik die opvatting varen voor de thans aangenomene oppervlakte, in 't Lat. facies? - Omdat alweder die twee beteekenissen van het woord aanzicht beide mogelijk zijn, als men het woord afzonderlijk beschouwt, doch de tweede meer waarschijnlijk voorkomt, als men het woord beschouwt in verband met den geheelen volzin.

Immers zeggen, volgens M. Brouwers, dat: Apollion bleef hangen op zijn pennen..... op 't gezicht van den aardkloot, in 't Fr. à l'aspect du globe, dat houdt zeker niet veel in; en toch ik zie geene andere uitlegging. Want wilde men: ‘op 't aanzicht’, in die onderstelling, terugbrengen bij ‘onderkennen’, dan zou er al heel wat te zeggen vallen op de keus der uitdrukkingen hier door Vondel gebezigd.

[p. 224]

Integendeel, neem ik de andere verklaring aan, dan is er geene de minste moeilijkheid. Waarom bleef de engel op zijn pennen hangen? ‘Om 't oostersche gewest en landschap te onderkennen (d.i. te zoeken waar het ergens lag) op 't aanzicht (of op de oppervlakte) van den aardkloot.’ De woorden onderkennen, op, aanzicht zijn goed gebruikt; en de geheele zin komt wel overeen met Lucifer's last (van vs. 4,) alsook met het karakter van Apollion. Deze wijst er op hoe nauwkeurig hij, tusschen al de andere gewesten, het Oostersche gewest (Adams verblijf) heeft pogen te onderscheiden, om zijnen last te volbrengen.

Misschien wordt die uitlegging nog klaarder als wij de verzen in 't Latijn overbrengen: ‘ad orientalem tractum hortumque dignoscendum, super faciem orbis’. Meermalen heeft mij dit middel - het vertalen in 't Latijn - eene duistere plaats van Vondel helpen verstaan. En geen wonder; men weet immers dat onze dichter geweldig veel vertaald heeft uit het Latijn, en dus ook wel een enkelen keer ‘latijnachtig’ spreekt.

 

Eene zeer juiste aanmerking, welke de geachte beoordeelaar verder maakt, is die aangaande ‘Milton en Vondel.’ Wat ik daaromtrent aanhaal uit Disraëli, en dus van over 25 jaar, is inderdaad oudbakken nieuws. Ik zal mij wreken door nu eens kersversch op te disschen. Veel immers werd er in deze laatste tijden geschreven om te bewijzen, of te weerleggen, dat Milton wezenlijk Vondel zou gelezen en - om een schoolwoord te gebruiken - dat hij Vondel zou afgekeken hebben. Men ziet het, dit vraagstuk kan van eenig belang zijn voor hen die de vlaamsche letterkunde ter harte nemen. Doch laat ons eerst bepalen waar het hier eigenlijk op aankomt, of zooals de geleerden zouden spreken: geven wij vooreerst den status quaestionis.

Om de voorgestelde vraag op te lossen, kan men

[p. 225]

op twee manieren te werk gaan. Men kan zelf de beweegredenen onderzoeken, die de zaak uit haren aard medebrengt: en deze innerlijke bewijzen hebben wij voldoende aangestipt, in onze uitgave van ‘Lucifer’. Men kan zich ook beroepen op de getuigenissen van gezaghebbende schrijvers, die de zaak onderzocht hebben: in het opzicht dier uiterlijke bewijzen ontbrak er iets, volgens M. Brouwers, aan ons wetenschappelijk betoog. De engelsche schrijvers en vooral de nieuwere, wier gezag hier van het grootste gewicht schijnt, zijn bijna teenemaal vergeten geworden. Ziehier nu een kort overzicht van hetgeen de Engelschen in deze laatste jaren over ‘Milton and Vondel’ geschreven hebben.

 

Sinds lang reeds had men, in Engeland, de nauwe overeenkomst bemerkt tusschen sommige plaatsen van Milton's Paradise lost en Vondels Lucifer. Het bleef echter bij Disraëli's of nog ergens een andere bloote bewering, zonder eenig bewijs, tot dat - nu omstreeks tien jaar geleden, - Mr. Edmond Gosse de zaak in handen nam.

Hij zou het vraagstuk wetenschappelijk behandelen. Te dien einde vertaalde hij een aantal plaatsen uit den ‘Lucifer’ in 't Engelsch, en stelde die nevens soortgelijke plaatsen uit het Britsche epos. Zoo kwam hij tot het volgende besluit: ‘dat het Neerlandsch gedicht van “Lucifer” in zijn algemeenen stijl en trant te veel gelijkt op sommige deelen van het “Verloren Paradijs”, dan dat zulke overeenkomst geheel toevallig zou wezen.’

Niet weinig zal deze gissing versterkt zijn geworden door een brief van Milton, weder aan het licht gebracht door Mr. Todd. Uit dien brief blijkt dat Marvell, Milton's vriend, met wien hij sinds 1657 werkzaam was, ‘in the office of Latin secretary’, heel goed Hollandsch kende en Holland doorreisd had. Milton kon dan allerlei inlichtingen inwinnen aangaande Vondel, op het oogenblik dat hij zijn Epos begon (1658).

[p. 226]

In 1883 onderschreef Mr. Mark Pattison, de boven vermelde zienswijze van Mr. Gosse, en deed zelfs een stap vooruit: ‘Milton moest Vondels Lucifer gekend hebben.’

Wij moeten er echter bij voegen dat Mr. Masson in geenen deele van Vondel wilde hooren.

Nu kwam Mr. George Edmundson met zijn ‘Milton and Vondel: a curiosity of literature’ voor den dag, in 1885. Daar trekt Vondels voorstander, (want Edmundson is het met hart en ziel) te velde niet alleen tegen Mr. Masson, Vondels openlijken tegenstrever, maar ook tegen Mr. Gosse en Mr. Pattison, die Vondel niet genoeg dorsten verdedigen en hem zijn volle recht niet lieten erlangen. Edmundson haalt tal van plaatsen aan, welke hij eigenaardig vertaalt, uit den ‘Lucifer’, en ook uit andere gedichten van Vondel: b.v. uit ‘Joannes de Boetgezant,’ uit ‘Adam in Ballingschap’ enz. Doch bepalen wij ons bij den ‘Lucifer’. Edmundson haalt hier in de veertig plaatsen aan, nu eens van één of twee, dan van vijf, tien of twintig regels uit Vondel, die hij tegenover een gelijk of nog een grooter aantal plaatsen stelt uit Milton. En waarlijk de overeenkomst tusschen de uittreksels van beide Dichters is al zoo treffend als die, welke men gewoon is tusschen Homerus en Virgilius te doen opmerken.

Het eindoordeel van Mr. Edmundson is dan niet alleen dat: Milton ‘groote verplichting heeft aan Vondel’ maar dat: ‘het uitgestrekt gebruik 't welk Milton, zonder het te erkennen, van de gedachten en taal eens beroemden tijdgenoots gemaakt heeft, - uit een werk dat nog maar pas verschenen was, in eene taal voor den grooten hoop der Engelsche lezers onverstaanbaar, - niet teenemaal verschoond, noch verdedigd kan worden.’

Wat zou Mr. Gosse nu doen - hij de al te lauwe en flauwe verdediger van Vondel, naar Edmundson's meening? In ‘the Academy’ van den 24 October 1885, gaf hij eene beoordeeling over het werk van M. Edmundson, 't welk hij rondweg afkeurt.

[p. 227]

‘Wat mij aangaat,’ schrijft hij, ‘ik die tot nu toe zoo bijzonder had beweerd dat Milton met Vondels “Lucifer” bekend was, ik legde Mr. Edmundson's boek uit de hand met eenen twijfel, of Milton wel ooit van Vondel had hooren spreken.’

Kwam die twijfel uit het hart of uit den geest? Want het is soms noodig dit onderscheid te maken, waar er van twijfel of ongeloof spraak is. In alle geval M. Gosse beschuldigt Vondels al te warmen voorstander dat hij aan zijne Engelsche vertaling soms wel eenen draai gegeven heeft, die zijne stelling moet waar maken, vervolgens dat hij zekere plaatsen aangeeft die Milton zou overgenomen hebben in zijn ‘Paradise lost’, toen dit laatste al voltooid, en hij zelf reeds blind was. Het feit der overeenkomst tusschen beide dichters loochent de beoordeelaar niet, maar wel de uitlegging daarvan. ‘Mr. Edmundson - zegt hij - zondert de twee figuren, Milton en Vondel, geheel af van hunnen leeftijd en van de overige geschiedenis der Letteren tijdens de XVII eeuw. Alles wat bij Milton eeniger wijze lijkt op Vondel, is dáárom alleen van Vondel afgeschreven.’

Zou er dan eene andere uitlegging van het feit mogelijk zijn? Mr. Gosse denkt van ja. Milton heeft niet geput bij Vondel, maar in den gemeenzamen schat der XVII eeuw. ‘De vroegere Vlaamsche en Toskaansche kunstenaars hadden zoo dikwijls de engelen afgeschilderd met een Tyrische wapenrusting en hemelsblauwe vleugelen; zoo dikwijls hadden zij de Cherubsreien opgetooid met regenbogen en gesternde oogen, dat al dit fraai en bloemrijk beeldwerk, voor den geest des volks ophing als een alledaagsch borduursel rondom de bloote Bijbelgeschiedenis. Dat alles was het eigendom van iedereen, niet van een of ander in 't bijzonder: van Du Bartas of Giles Fletcher, van Vondel of Quarles. Milton kwam het laatst en zamelde alles op, in zijn heerlijk kortbegrip van de Protestantsche verbeelding.’

Audiatur et altera pars. Na het antwoord van

[p. 228]

Mr. Gosse, luisteren wij nog eens naar Mr. Edmundson. Had deze misschien den twijfel voorzien, welken zijn boek bij Mr. Gosse zou doen oprijzen, en bij voorraad de oplossing van al de moeilijkheden, die men tegen zijne meening maken zou, aan de hand willen geven? Men oordeele.

Eerstens, Mr. Edmundson geeft, in eene Bijlage, den oorspronkelijken tekst van al de vertaalde plaatsen, om de getrouwheid zijner vertaling te waarborgen.

Ten tweede, wat aangaat Miltons blindheid, M. Edmundson zegt en bewijst dat Milton blind was sinds 1652 - dus eer dat hij zijn heldendicht begon te schrijven - maar dat zijne twee dochters en ook andere personen hem voorlazen uit allerhande talen, zonder dat zij die zelf verstonden.

Eindelijk wat de afzondering betreft der twee letterkundige figuren, Milton en Vondel, Edmundson kende en erkende ook andere schrijvers dan Vondel, die invloed op Milton hebben uitgeoefend: ‘Wij vinden in Miltons werken, - zegt hij - ontelbare herinneringen uit welbekende schrijvers.... uit Spenser, de Fletchers en S. Du Bartas, onder de Engelschen. Maar deze schrijvers waren allen overbekend; hunne werken waren om zoo te zeggen het eigendom van iedereen geworden. Had Milton zich wat veel (largely) hunne taal of hunne denkbeelden toegeëigend, hij ware aldra betrapt geweest.’ Met Vondel was dit echter het geval niet, wijl de Nederlandsche taal en letterkunde, in Engeland, weinig of niet bekend was.

Hier eindigt onze taak, de taak namelijk van onpartijdig getuige in de zaak: ‘Milton and Vondel.’ De lezer moge nu uitspraak doen tusschen Edmundson en Gosse.

Wij willen echter ook eene gevolgtrekking afleiden uit hetgeen voorafgaat - maar ten nadeele van geene der beide partijen. Immers, uit een ander oogpunt beschouwd, bewijst die pennestrijd over Milton en Vondel, hoeveel de Nederlandsche Dichter, en met hem de Nederlandsche

[p. 229]

taal, in achting gewonnen heeft, bij den vreemde. Mr. Edmundson huldigt Vondels uitstekende verdiensten, en wijst hem eene eervolle plaats aan in den rei der Dichteren. Wij zijn gelukkig de getuigenis te mogen afleggen dat M. Brouwers, onze welwillende beoordeelaar, niet het minst heeft bijgedragen tot de herstelling en verheerlijking van ‘'s lands oudste en grootste poëet.’

 

A.M. Verstraeten, S.J.

(1)Tot opheldering, en om wille van de merkwaardige beoordeeling, welke Hollands bevoegde en geleerde critiek wel willen wijden heeft aan het gewrocht van onzen medewerker, deelen wij hier letterlijk het artikel mede in De Wetenschappelijke Nederlander verschenen.
De Redactie.
Vondels meesterstuk ‘Lucifer’, treurspel in 5 bedrijven, taalen letterkundig verklaard door A. Verstraeten, S.J. (Prijs fr. 1,50, per 13/12 fr. 1,00.)
Ziedaar de titel van een ter recensie ons toegezonden boekdeeltje van 192 blz. in 8o.
De hoofdinhoud er van is ontegenzeggelijk een meesterstuk; de uitgave, papier en druk, gaat zoo verre alles te boven, wat wij van dien aard voor onze scholen hebben, als Vondel de dichters van den 6den rang.
Onze gewone uitgaven zijn bij deze van S. Leliaert, A. Siffer en Cie te Gent, vergeleken weinig meer dan scheurpapier. En wat nu te zeggen van de taal- en letterkundige verklaring?
Dat ons hier uit Zuid-Nederland is gekomen, wat zelfs in Holland's letterkundig gebied niet bestaat, eene voor alle jeugd gepaste uitgave van Vondel's Lucifer met lofwaardige taalkundige ophelderingen en letterkundige beschouwingen van goed- of afkeurenden aard. Daarbij heeft de Schr. blijk gegeven van doorzicht en beleid; hij geeft niet te weinig en niet te veel. Wij zouden in die meer dan 2100 verzen geen zes woorden kunnen aanwijzen die, o.e. verklaring noodig hebbende, zonder verklaring zijn gebleven. Ook slechts op een paar die, meer dan noodig is, terugkomen, zou men kunnen wijzen.
Dit ‘meesterstuk’ is voorafgegaan door een Korte (3 blz.) Levensschets van Vondel, met opgave van zijne voornaamste werken: daarbij werd niet vermeld de ‘Samson’, die, na wij beweren, onder de 8 voornaamste treurspelen van Vondel behoort te worden opgenoemd. Hier zijn er 16 aangestipt.
Waarom zouden wij gaan vitten op een paar onvolmaaktheden: b.v. dat ‘Konstantijntje en Saartje ons slecht door hunne lieve lijkdichtjes bekend zijn’. In overeenstemming met het doel des Schr. bij deze uitgave, is deze korte levensschets alleszins voldoende.
Daarna begint de ‘inleiding’ tot dit treurspel, en behandelt kort en klaar in § I: geschiedenis, opdracht, bijval en verbod van dit tooneelstuk; in § II, bronnen, overlevering, enz.; in § III, bijdrage der geschiedenis tot het benuttigen der bronnen. Is de Lucifer eene politieke allegorie? De Schr. heeft eene eigene opvatting op dit punt. Dan wordt opgegeven de inhoud van het geheele stuk - zoodat de eenheid van het geheel in één blik is waar te nemen - gelijk aan het hoofd van elk der vijf bedrijven de inhoud van dat bedrijf in weinige woorden wordt samengevat.
Aan den voet der bladzijden, staan in twee kolommen de verdere taal- en letterkundige verklaringen. Uiterst zeldzaam stoot men op iets, dat aan te veel invloed van Frankrijk doet denken, of dat Gent niet in Holland ligt. Met een ‘aanhangsel’ van 8 blz. en eene aanwijzing der schoonste stukken van den Lucifer;
I. Beschrijvingen en verhalen;
II. Redevoeringen;
III. Samenspraken (één Alleenspraak);
IV. Reizangen, wordt dit keurig boekdeeltje besloten.
Slechts op ééne der vragen in het Aanhangsel gesteld en beantwoord, zij hier iets nader aangedrongen, op de vraag namelijk: - Heeft Vondel Milton nagevolgd, of omgekeerd?
Na er op te hebben gewezen, dat het eerste onmogelijk is, wijl de ‘Lucifer’ in 1654, en het ‘Paradise lost’ in 1667 verscheen, zegt hij betrekkelijk het tweede, dat Milton den ‘Lucifer’ hoogst waarschijnlijk zal gekend hebben.... doch schijn is nog geen zijn, en het stellige bewijs staat nog te wachten. ‘De schrijver wijst alleen op Disraëli een werk van voor 25 jaren
Sinds heeft men den brief van Milton voor Marvell ontdekt; sinds werd in Engeland van meer gesproken dan van schijn: zelfs werd er verleden jaar ‘English Men of Letters’ edited bij John Morley, door Mark Pattison, rector of Lincoln College, Oxford, in zijn Milton, blz. 203 erkend:
‘it cannot be doubted that Milton was acquainted with the Lucifer of the Dutch poet Joost van den Vondel; het kan aan geen twijfel onderhevig zijn of Milton den Lucifer van Vondel kende.’ Het is hier de plaats niet om dat punt thans breedvoerig te behandelen en nog andere Engelsche schrijvers, diezelfde overtuiging van Pattison deelende, hier te laten optreden.
Wij wenschen ons geluk met deze waarlijk hoog te waardeeren uitgave van Vondel's Lucifer, ons uit Vlaanderen gekomen, en bieden hier met dankbaarheid ook den schrijver, den Eerw. Heer A.M. Verstraeten, onze gelukwenschen aan.
Noord-Nederland heeft ook een ‘Vondel's Lucifer?’ uitgegeven, hoofdzakelijk voor Burgerscholen, hulponderwijzers en onderwijzeressen ook met aanteekeningen voorzien, door G. Velderman, Leeraar in de Nederlandsche taal- en letterkunde aan de Hoogere Burgerschool te Arnhem; maar dit moet ter eere van de waarheid gezegd, de Zuid-Nederlandsche uitgave is onder alle opzichten verreweg te verkiezen.
Trouwens heeft die Noord-Ned. uitgave niets dan enkele aanteekeningen, die op woorden betrekking hebben. Letterkundige aanteekeningen, ter waardeering van het treurspeldicht zijn er geenerlei, daar Arnhem's leeraar zulks geheel en al buiten zijn bestek liet. Deze Deventersche uitgave staat tot die van Gent gelijk de Putje's uitgaaf tot die van Van Lennep-Binger. De bijzonderheden van het geheel kunnen wij onmogelijk nagaan; bepalen wij ons hier bij het eerste bedrijf en stippen wij er slechts enkele aan.
In v. 27....
.... oordeel, uit de vruchten, van het land,
En van den hof, door God gezegent, en geplant,
Tot wellust van den mensch,...
Als aanmerking bij dit vers 27 zegt Velderman: ‘Oordeel uit de vruchten van enz.
Verstraeten daarentegen teekent aan: ‘oordeel van; - Nu zegt men meer: oordeel over.’ Inderdaad de zin is: oordeel, uit de vruchten, die ik u breng, over het land en den hof, enz.
Vondels volzin wordt verduisterd, niet opgehelderd door de ‘aanmerking van Velderman’ waar hij schrijft: Oordeel uit de vruchten van enz.
Ook verschilt de punctuatie: de Gentsche uitgave leest als volgt:
oordeel uit de vruchten, van het land
En van den hof, door God gezegent, en geplant
Tot wellust van den mensch.
Dat achter oordeel een komma moet staan, is boven allen twijfel; het overige verschil zij den lezer overgelaten.
Op 't aanzicht van den kloot, daar de oceaan om spoelt,
Dat woord aanzicht wordt niet verklaard bij Van Lennep, noch bij Velderman; wel hier in de Gentsche uitgave. Er wordt gezegd: ‘Aanzicht of aangezicht is het voorste gedeelte van 's menschen hoofd; alhier van de aarde: dus oppervlakte. Vgl. in het Lat. facies terrae.’ Te beperkend en daarom minder juist, schijnt ons die Gentsche verklaring. Aanzicht komt van aanzien, beteekent in het algemeen datgene, onverschillig welk deel van iets, dat (aan)gezien wordt, en niet slechts facies of visage, of oppervlakte, maar ook aspect, vue enz.
V. 101. Dat hier de Zuid-Nederlandsche verklaarder een vers, dat zelfs door V. Lennep niet werd begrepen, ook niet begrijpt, worde hem niet ten kwade geduid. Dit zij hier bewezen betreffende dat vers 101-2:
Had zich Apollion in zijnen last gekweten,
Hij had ons hemelrijk in Adams rijk vergeten.
Velderman, om dit vers te verduidelijken, schuift er eenvoudig het woordje niet bij: waar Vondel zegt: had zich Apollion in zijnen last gekweten, moet men verstaan: had zich Apollion niet in zijn last gekweten, ‘had hij die niet ten volle, gevoerd’ een vreemde manier van verklaren, inderdaad, hier redenloos en redeloos.
Dat ook Van Lennep het vers, dat toch onberispelijk is, niet verstond blijkt ontegensprekelijk uit zijne eigene proeven en poging. Hij neemt zelfs zijn toevlucht tot eene andere vermoedelijke lezing: Ziehier zijne woorden (D. VI. blz. 225): ‘Deze regels zijn niet duidelijk, immers, als Apolion het hemelrijck in dat van Adam vergeeten had, zou hij zich zeer slecht van zijn last hebben gequeeten. Mij is somtijds in de gedachte gekomen, of wij hier ook voor: in zijnen last te lezen hebben: na zijnen lust.’
Noch het niet van Velderman, noch de voorgestelde lezing van V. Lennep laten Vondels vers tot zijn recht komen. Ik versta dat ‘had zich Apollion’ als een préterit antérieur en de zin is deze:
Had zich Apollion reeds in zijn last gekweten gehad, hij zou ons hemelrijk in Adam's rijk vergeten hebben. Ik zou het in het fransch verlaten als volgt: Si sa tâche alors déjà eût été remplie, il aurait oublié dans le royaume d'Adam le royaume des cieux.
De zin is dus niet, wat Verstraeten zegt: ‘Had, ik, Apollion, mij ontslagen geacht van den last, mij door Lucifer opgelegd,’ maar wel: ware mijn last toen reeds volbracht geweest, ik had het Hemelrijk in Adams rijk vergeten. Gebrek aan ruimte verbiedt ons tot nog meer bijzonderheden over te gaan. Meermalen zouden wij aan de uitleggingen van Verstraeten de voorkeur hebben te geven boven die van Van Velderman, boven die van Van Vloten en wel eens boven die van Van Lennep.
Aanbevelenswaardig is dan ook deze uitgave van Vondel's Lucifer, Taal- en Letterkundig verklaard door A.M. Verstraeten, bij alle burgerscholen, hulponderwijzers en onderwijzessen, alsook voor alle leeskringen en huisgezinnen.
J.W. Brouwers.
terug  begin  verder