INDIEN er eene streek op aarde is die verhevene denkbeelden in den geest opwekt, dan is 't wel stellig het dal van Josaphat, waar, volgens de gewone verklaring der voorzeggingen van Joël en het algemeen gevoelen, het laatste oordeel zal plaats grijpen.
Deze vermaarde vallei, ten Oosten van Jerusalem gelegen, is 4 mijlen lang op eene middelmatige breedte van 200 meters. De Cedron kronkelt er door heen. Wanneer men tot het diepste der vallei van Josaphat is doorgedrongen, stapt men over eene steenen brug met éénen bogen, die over hoogervernoemde beek is geworpen, en men bevindt zich aan den voet van den Olijfberg. Op weinige passen ter linkerzijde ontwaart men een log gebouw: 't is de kerk welke het graf van Maria bevat.
De heilige Helena en Constantinus, die eenen zoo grooten ijver ter verheerlijking van het graf van Christus aan den dag legden, veronachtzaamden evenmin de grafstede van Maria. Zij bouwden er eene prachtige kerk overheen, die later gansch werd afgebroken. Na Jerusalem veroverd te hebben, richtten de kruisvaarders ze weder op, doch in latere tijden, werd zij andermaal grootendeels vernield. Het eerbiedwaardigste deel nogtans, namelijk ditgene welk het Graf der heilige Maagd inhoudt, onderging slechts onbeduidende veranderingen.

Onze schets hiernevens, geeft eene uiterst getrouwe verbeelding weer van dit heiligdom. De voorgevel, een mengsel van gotischen en romaanschen stijl, ziet naar het Zuiden uit. Twee spitsboogvormige lijsten omzetten de deur, en stuiken op vier kleine zuilen. De architraaf is teenemaal afgebrokkeld; alleen de neuten, die haar droegen, zijn nog overgebleven.
Men daalt in deze heilige plaats langs eenen prachtigen, breeden marmeren trap van 48 treden, welke echter niet allen dezelfde breedte hebben. Tien tot twaalf personen kunnen er gemakkelijk naast elkander gaan. Beneden den trap gekomen, bevindt men zich in eene pikdonkere onderaardsche kerk, een latijnsch kruis uitmakende van ongeveer 20 meters lang tegen 8 meters breed. Het eigenlijke graf van Onze-Lieve-Vrouw verheft zich in eene kleine kapel, waar, dag en nacht, talrijke lampen branden. Even als 't graf van Onzen Heer Jezus-Christus, werd het geheel en al in de rots uitgewerkt, en gelijkt aan eene muurbank. Toen de heilige keizerin Helena er eene kerk liet overbouwen werd de grafstede van de rots gescheiden waarin zij was uitgehouwen. Die afzondering geschiedde door eene kunstige uitkapping waardoor het graf een op zich zelven staande klein gebouw vormde, dat nagenoeg eenen meter boven den vloer oprees. Naar allen schijn bouwde men de kerk op met deze uitgekapte rotsblokken. Heden wordt er de kerkelijke dienst door de scheuringmakende Grieken gedaan.
De kleine donkere deur, welke men links van onze teekening ontwaart, is de ingang der Grot van den Doodstrijd.
Alf. Van Loo.
Maltebrugghe, 12 Mei 1886.