i.s.m.
[p. 301]
De 8
ste
december in de Sinte Goedelekerk te Brussel
Z
WAAR spreidt de mist zijn sluiers om de stede,
Een morsig, dompig baarkleed, alle licht
En kleurschakeering in zijn vouwen mede
Omhullend. Blindend zijgt hij, grauw en dicht,
Ter neder in de nauwe, sombre stegen.
En huivrend, hijgend, klimt, het hoofd omlaag,
Daar menig, als een schim, omzichtig, traag
Ten tempel, op de heuvelkruin gelegen.
't Is alles licht, en warmte, en gloed daarbinnen,
Geen nevel daar, die ijzend nederdrukt:
Hij liet door 't flikkrend kaarslicht zich verwinnen,
Dat met gebloemte en loof het altaar smukt.
In 't geurig luchtgewalm banieren zweven,
De pijlers sierend met hun kleurenpracht,
Wijl 't marmren beeldwerk op zijn steenen schacht
In 't rozig schemerduister schijnt te leven.
Triomfgezangen doen de kerke dreunen,
't Verheven welfsel galmt de toonen na;
De droefheid, hier, vergeet haar klagend steunen,
En schuld en boet vertrouwen op gena.
Bracht Zij niet hoop en troost en heil op aarde,
Zij, de eenge reine in 't zondig nageslacht?
Dient hulde niet, en lof en dank gebracht
Der Vlekkelooze, die den Heiland baarde?
[p. 302]
‘Immaculata’ klinkt uit aller monden:
Van kinderlippen valt het, zacht en puur,
Die nimmer smaakten 't wrang genot der zonden,
Die nimmer smachtten van der driften vuur.
En dieper, uit de borst, waar stormen woeden,
Waar 't leven reeds zijn smartenschatting hief,
Rijst, als een smeekbêe, boven schuld en grief,
De lof van Haar, die voor gevaar kan hoeden.
Gij, zaalge heuvel, die de stede kroonend,
Verbiddend naar omhoog uw tinnen heft,
En smeekt om wat de laagte, smadend, hoonend,
In dolle Godsverzaking niet beseft,
Moog van uw kruin gedurig opwaarts klimmen
Het juublend lied, dat vleklooze onschuld eert,
De reine bede, die de wrake weert,
Waarmee Gods toorn haar dreigend moet begrimmen!
Hilda Ram
.
Antwerpen
, December
1885.